Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AS2301

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-01-2005
Datum publicatie
13-01-2005
Zaaknummer
Rolnummer 0300367
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is met [appellant] van oordeel dat [geïntimeerde], voordat hij [appellant] met de uitvoering van de opdracht belastte althans voordat deze tot uitvoering van de opdracht zou overgaan, met Metal Finish B.V. had moeten afspreken op welk tijdstip de spanning van de betrokken installatie af zou hebben gekund en dat [geïntimeerde] [appellant] daarvan op de hoogte had moeten stellen. Aangezien [geïntimeerde] één en ander heeft nagelaten, heeft zij naar het oordeel van het hof niet zodanige maatregelen getroffen en aanwijzingen verstrekt als redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat [appellant] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade zou lijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 12 januari 2005

Rolnummer 0300367

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal en geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

voorwaardelijke toevoeging,

procureur: mr J.A.M. Bijlholt,

tegen

[geïntimeerde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in het principaal en appellante in het voorwaardelijk incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr M.R. van der Pol.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 2 april 2002, 20 augustus 2002 en 18 maart 2003 door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden, hierna ook aan te duiden als de kantonrechter.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 17 juni 2003, als hersteld bij herstelexploot van 30 juni 2003, is door [appellant] hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen van 20 augustus 2002 en 18 maart 2003 met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 6 augustus 2003.

Het petitum van de appeldagvaarding luidt:

"te vernietigen de vonnissen d.d. 20 augustus 2002 en 18 maart 2003 tussen partijen gewezen door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden onder zaak-/rolnummer 97700/CV EXPL 01-4603, en opnieuw rechtdoende, geïntimeerde te veroordelen, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van de materiële en immateriële schade welke mochten voortvloeien uit het bedrijfsongeval d.d. 12 mei 1999, zulks nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 1999, alsmede tot betaling van een voorschot op de nog te begroten schade groot Euro 6.806,70 (zegge: zesduizendachthonderd en zes euro en zeventig eurocent), één en ander met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep."

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"het eindvonnis d.d. 20 augustus 2002 tussen partijen gewezen door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling van de materiële en immateriële schade voortvloeiende uit het bedrijfsongeval [appellant] overkomen op 12 mei 199 (lees: 1999, hof), zulks nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede tot betaling van een voorschot op de nog te begroten schade groot Euro 6.806,70 een en ander met veroordeling van geïntimeerde in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd en voorwaardelijk incidenteel geappelleerd met als conclusie:

"tot persisitit!!!"

Door [appellant] is in het voorwaardelijk incidenteel appel geantwoord met als conclusie:

"het eindvonnis d.d. 20 augustus 2002 tussen partijen gewezen door de rechtbank Leeuwarden, sector kanton, locatie Leeuwarden te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, [geïntimeerde] bij voorraad uitvoerbaar te veroordelen tot betaling van de materiële en immateriële schade voortvloeiende uit het bedrijfsongeval [appellant] overkomen op 12 mei 199 (lees: 1999, hof), de nog te begroten schade groot Euro 6.806,70 een en ander met veroordeling van geïntimeerde in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en heeft het hof een dag bepaald voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft in het principaal appel één benoemde grief opgeworpen. Voorts behelst de memorie van grieven (onder nr. 10) een verholen grief. De benoemde grief luidt:

'Ten onrechte heeft de kantonrechter in zijn eindvonnis van 18 maart 2003 [geïntimeerde] geslaagd geacht in het haar opgedragen bewijs, dat de door appellant geleden schade als gevolg van het hem op 12 mei 1999 overkomen ongeval in belangrijke mate het gevolg is geweest van bewuste roekeloosheid van [appellant], en in het verlengde hiervan heeft de kantonrechter appellants vorderingen afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten.'

De verholen grief richt zich de volgende vaststelling door de kantonrechter in overweging 4 van het genoemde vonnis van 20 augustus 2002:

'[appellant] stond op de ladder en had de bovenste ader aangesloten op "aarde". Om in volgorde te werken zou hij daarna de "nul " aansluiten. Op het moment dat hij de "nul " zou aansluiten kwam er een steekvlam uit de kast.'

[geïntimeerde] heeft in het voorwaardelijk incidenteel appel één grief opgeworpen. De grief luidt:

'De kantonrechter heeft niet expliciet en dus blijkbaar (impliciet) vastgesteld dat [geïntimeerde] wel tekortgeschoten is in zijn zorgverplichting ex art. 6:658 BW (....). Dit ten onrechte.'

De beoordeling

In het principaal en in het voorwaardelijk incidenteel appel:

Omvang van het hoger beroep:

1. Blijkens het petitum van de appeldagvaarding en de strekking van de grief in het principaal appel is zowel het vonnis van 20 augustus 2002 als dat van 18 maart 2003 - anders dan uit de conclusie van de memorie van grieven, waarin overigens het vonnis van 18 maart 2003 kennelijk abusievelijk wordt verwisseld met het vonnis van 20 augustus 2002, zou kunnen worden afgeleid - in het ingestelde principaal appel betrokken.

De vaststaande feiten:

2. Tegen de weergave van de vaststaande feiten in de overwegingen 4 tot en met 6 van het vonnis van 20 augustus 2002 zijn, behoudens ten aanzien van de vaststelling waartegen de genoemde verholen grief is gericht, waarover later meer, geen grieven opgeworpen.

3. Het hof gaat daarom van het volgende uit:

(i) [appellant], zijnde een ervaren elektromonteur, heeft als uitzendkracht van Dynamiek B.V. werkzaamheden voor [geïntimeerde] verricht bij Metal Finish B.V. te Sneek. Het ging om werkzaamheden als elektromonteur.

(ii) Tijdens die werkzaamheden is [appellant] op 12 mei 1999 een ongeval overgekomen.

(iii) [geïntimeerde] had opdracht gekregen bij Metal Finish B.V. een papierpers aan te sluiten. [appellant] diende in dat kader aanpassingen te verrichten aan een centrale verdeelkast. De verdeelkast stond onder hoogspanning. [appellant] moest aders van de kabel die boven de verdeelkast naar binnen kwamen, aansluiten.

(iv) Terwijl [appellant] bezig was met de uitvoering van die opdracht, kwam er een steekvlam uit de kast, waardoor hij brandwonden opliep.

(v) Hij heeft twee dagen in het ziekenhuis gelegen en is daarna nog circa twee maanden poliklinisch behandeld. Hij heeft enige weken niet kunnen werken.

(vi) [geïntimeerde] is in verband met dit ongeval wegens overtreding van de toepasselijke bepalingen van de Arbo-wetgeving door de politierechter onherroepelijk veroordeeld tot betaling van een boete van ƒ 1.500,--.

(vii) Het proces-verbaal, opgemaakt door S. Gjaltema, inspecteur van de Arbeidsinspectie, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar (prod. bij conclusie van antwoord), vermeldt onder meer:

'Vervolgens verklaarde de heer [appellant] mij:

(...)

"De heer [geïntimeerde] had de leiding bij de werkzaamheden in de fabriekshal. Ik was ingehuurd als elektromonteur, een deel van de installatie was al geplaatst voordat ik daar aan het werk ging. (...). In fabrieken is het gebruikelijk dat het aansluiten op een verdeelkast onder spanning gebeurt, omdat dit vaak niet anders kan, het hele productieproces zou bijvoorbeeld stil komen te liggen. De heer [geïntimeerde] wist dat deze werkzaamheden onder spanning zouden gaan gebeuren, er zat veel druk achter, ook vanuit het bedrijf.

(...)"

Vervolgens heb ik de verklaring aan de heer [appellant] voorgelezen. Hij verklaarde daarbij te volharden.'

De vordering en de beslissing in eerste aanleg

4. [appellant] heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de materiële en immateriële schade welke mochten voortvloeien uit het bedrijfsongeval d.d. 12 mei 1999, zulks nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 1999, alsmede tot betaling van een voorschot op de nog te begroten schade, groot ƒ 15.000,--, één en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.

5. De kantonrechter heeft bij vonnis van 18 maart 2003 de vordering van [appellant] afgewezen met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding.

Met betrekking tot de grieven in het principaal appel:

6. [geïntimeerde] heeft bij conclusie van antwoord, nr. 4, omtrent de toedracht van het ongeval onder meer het volgende gesteld:

'Hij (bedoeld wordt: [appellant], hof) stond hiertoe (bedoeld wordt: teneinde de aders van de kabel die boven de verdeelkast naar binnen kwamen, aan te sluiten, hof) op een ladder en had de bovenste ader aangesloten op de "aarde". Om in volgorde te werken zou hij daarna de "nul" aansluiten. Op het moment dat [appellant] de "nul" wilde aansluiten kwam er een steekvlam uit de kast. Tengevolge hiervan heeft [appellant] brandwonden opgelopen.'

7. [appellant] heeft ter bestrijding daarvan bij conclusie van repliek, nr. 6, onder meer aangevoerd:

'Teneinde de werkopdracht uit te voeren klom eiser op de toegangstrap naar de installatie en op dat ogenblik sloeg om onverklaarbare redenen een grote steekvlam uit de installatie tengevolge waarvan eiser verbrandingen heeft opgelopen

Er is dus geen sprake van dat eiser zelf de kortsluiting heeft veroorzaakt (als daar al sprake van mocht zijn als oorzaak voor de steekvlam).

Bovendien staat het ongeval in geen enkel verband met de handelwijze van eiser'.

8. Bij de vaststelling van de feiten is de kantonrechter uitgegaan van de lezing van [geïntimeerde] omtrent de toedracht van het ongeval, tegen welke vaststelling zich de verholen grief richt. Om redenen van proceseconomie zal het hof eerst de benoemde grief behandelen, waarbij het hof veronderstellenderwijs uitgaat van de juistheid van de lezing van [geïntimeerde] omtrent de toedracht van het ongeval.

9. Het hof stelt hiertoe voorop dat ingevolge art. 7:658 lid 2 BW een werkgever jegens zijn werknemer aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij hij aantoont:

a) dat hij zijn verplichting is nagekomen om voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt; of

b) dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. Van bewuste roekeloosheid van de werknemer is sprake, indien de werknemer zich tijdens het verrichten van de onmiddellijk aan het ongeval voorafgaande gedraging van het roekeloze karakter ervan daadwerkelijk bewust was (HR 20 september 1996, NJ 1997, 198).

Ingevolge art. 7:658 lid 4 BW is de derde die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen

arbeidsovereenkomst heeft, op dezelfde voet aansprakelijk. Van zulks laten

verrichten van arbeid is (onder meer) sprake, indien die persoon, zoals

te dezen het geval is, krachtens een uitzendovereenkomst met zijn werkgever

arbeid verricht ten behoeve van die derde ingevolge een door laatstgenoemde aan

die werkgever verstrekte opdracht.

10. [geïntimeerde] stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat te dezen zich zowel de in r.o. 9 onder b) als de in de r.o. 9 onder a) bedoelde uitzondering op de hoofdregel voordoet.

11. [geïntimeerde] heeft voor wat de in r.o. 9 onder b) bedoelde uitzondering betreft gesteld (conclusie van antwoord nr. 11 en 12) dat [appellant] bewust roekeloos heeft gehandeld door in strijd met zijn kennis van de veiligheidsvoorschriften aan een onder spanning staande installatie te werken.

12. Het hof moet in de eerste plaats constateren dat [geïntimeerde] zich omtrent de aard en de inhoud van bedoelde veiligheidsvoorschriften niet, althans onvoldoende uitlaat.

13. Voorts heeft [geïntimeerde] weliswaar gesteld dat [appellant] in het bezit is van het Veiligheidscertificaat Uitzendkrachten en derhalve op de hoogte moet zijn geweest van alle voor zijn beroepsgroep geldende veiligheidsvoorschriften, maar nadat [appellant] bij conclusie van repliek gemotiveerd had betwist dat hij in het bezit is van bedoeld certificaat, heeft [geïntimeerde] bedoelde stelling niet langer gehandhaafd, althans geen bewijs van haar stelling aangeboden, zodat het hof aan laatstbedoelde stelling voorbij moet gaan.

14. Uit hetgeen de directeur van [geïntimeerde], [directeur geintimeerde], ter comparitie en als getuige heeft verklaard, leidt het hof af dat de door [geïntimeerde] gestelde veiligheidsvoorschriften kennelijk het werken aan een onder spanning staande installatie - anders dan [geïntimeerde] bij conclusie van antwoord en conclusie van dupliek ingang tracht te doen vinden - niet volstrekt uitsluiten. Uit hetgeen genoemde [directeur geintimeerde] zelf ter comparitie heeft verklaard, volgt immers dat [appellant] in dat geval passende maatregelen had moeten nemen, terwijl genoemde [directeur geintimeerde] als getuige heeft verklaard dat [appellant] hem in dat geval om passende voorzieningen had moeten vragen.

15. De stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] bewust roekeloos heeft gehandeld door in strijd met zijn kennis van de veiligheidsvoorschriften aan een onder spanning staande installatie te werken, moet daarom naar het oordeel van het hof worden verworpen.

16. Het hof kan zich derhalve voor de beoordeling van de thans aan de orde zijnde grief ontslagen achten van zijn verplichting om te onderzoeken of [appellant] zich bewust is geweest van het door [geïntimeerde] gestelde roekeloze karakter van zijn handelwijze en of de door [appellant] geleden schade in belangrijke mate daarvan het gevolg is.

17. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de benoemde grief van [appellant] doel treft. Dit brengt tevens mee dat de verholen grief van [appellant] geen verdere behandeling behoeft.

Met betrekking tot de grief in het voorwaardelijk incidenteel appel:

18. Het hiervoor overwogene betekent dat de voorwaarde waaronder het incidenteel appel is ingesteld is vervuld, zodat het hof aan de behandeling van het incidenteel appel toekomt.

19. [geïntimeerde] heeft voor wat de in r.o. 9 onder a) bedoelde uitzondering betreft gesteld dat zij zich te dezen van het treffen van maatregelen en het verstrekken van aanwijzingen kon onthouden, aangezien [appellant] een ervaren elektromonteur is.

20. [appellant] heeft deze stelling van [geïntimeerde] gemotiveerd betwist.

21. Het hof is met [appellant] van oordeel dat [geïntimeerde], voordat hij [appellant] met de uitvoering van de opdracht belastte althans voordat deze tot uitvoering van de opdracht zou overgaan, met Metal Finish B.V. had moeten afspreken op welk tijdstip de spanning van de betrokken installatie af zou hebben gekund en dat [geïntimeerde] [appellant] daarvan op de hoogte had moeten stellen. Aangezien [geïntimeerde] één en ander heeft nagelaten, heeft zij naar het oordeel van het hof niet zodanige maatregelen getroffen en aanwijzingen verstrekt als redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat [appellant] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade zou lijden. [geïntimeerde] heeft weliswaar subsidiair gesteld dat een oorzakelijk verband tussen een eventuele schending van haar zorgplicht en de door [appellant] geleden schade ontbreekt maar deze stelling is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd, zodat het hof aan het door [geïntimeerde] te dier zake gedane bewijsaanbod voorbij zal gaan. Het hof laat bij zijn oordeel dat [geïntimeerde] haar zorgplicht heeft geschonden, in het midden of [geïntimeerde] nog andere maatregelen had moeten treffen dan de hiervoor genoemde.

22. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de in de r.o. 9 onder a) bedoelde uitzondering zich te dezen niet voordoet, zodat de grief in het incidenteel appel faalt.

23. De vordering van [appellant] als oorspronkelijk eiser moet derhalve alsnog worden toegewezen, met dien verstande dat het gevorderde voorschot slechts tot het equivalent van een bedrag van ƒ 4.555,-- (Euro 2.066,97), zijnde de door hem gemaakte onkosten en verhuiskosten, zal worden toegewezen, aangezien [geïntimeerde] het gevorderde voorschot voor het overige gemotiveerd heeft betwist.

Voorts in het principaal appel:

De slotsom:

24. De bestreden vonnissen zullen worden vernietigd. De vordering van [appellant] als oorspronkelijk eiser zal worden toegewezen met dien verstande dat het gevorderde voorschot slechts tot een bedrag van Euro 2.066,97 zal worden toegewezen. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen. [geïntimeerde] moet als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep in het principaal appel worden veroordeeld. De kosten van het geding in hoger beroep in het principaal appel zullen worden berekend naar tarief II van het liquidatietarief voor de hoven, zoals dat sedert 1 november 2004 geldt (1 pt. à Euro 894,--).

Voorts in het voorwaardelijk incidenteel appel:

De slotsom:

25. Het beroep in het voorwaardelijk incidenteel appel zal worden verworpen. [geïntimeerde] moet als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep in het voorwaardelijk incidenteel appel worden veroordeeld. Deze kosten zullen worden berekend alsvoren (0,5 x 1 pt. à Euro 894,--).

De beslissing

Het gerechtshof:

In het principaal appel:

vernietigt de bestreden vonnissen d.d. 20 augustus 2002 en 18 maart 2003;

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de materiële en immateriële schade welke mochten voortvloeien uit het bedrijfsongeval d.d. 12 mei 1999, zulks nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 mei 1999 tot de dag der algehele voldoening alsmede tot betaling van een voorschot op de nog te begroten schade, groot Euro 2.066,97.

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep in het principaal appel en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant]:

in eerste aanleg op 206,71 aan verschotten en Euro 675,-- aan salaris voor de gemachtigde;

in hoger beroep op 354,36 aan verschotten en Euro 894,-- aan salaris voor de procureur;

wijst af het meer of anders gevorderde;

In het voorwaardelijk incidenteel appel:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep in het incidenteel appel en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] op nihil aan verschotten en Euro 447,--. aan salaris voor de procureur;

Voorts in het principaal appel en in het voorwaardelijk incidenteel appel:

bepaalt dat van voormelde bedragen, zowel in het principaal als voorwaardelijk incidenteel appel, aan de griffier dient te worden voldaan Euro 315,63 aan verschotten en Euro 2.016,-- voor salaris voor de procureur, rekeningnummer: 19.23.06.105 t.n.v. DS 541, MVJ Arrondissement Leeuwarden, die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv.

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs Meijeringh, voorzitter, Zuidema en Breemhaar, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Haites-Verbeek als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 12 januari 2005.