Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AS2229

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-01-2005
Datum publicatie
12-01-2005
Zaaknummer
BK 639/03 Motorrijtuigenbelasting
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AV1717
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslagen met boete terecht aan belanghebbende zijn opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 37, geldigheid: 2005-01-07
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 69, geldigheid: 2005-01-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2005, 171
FutD 2005-0105
V-N 2005/22.1.4

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 639/03 7 januari 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X BV te Z tegen de uitspraken van de inspecteur van de eenheid Centrale administratie Autoheffingen van de belastingdienst te Apeldoorn (hierna: de inspecteur), gedaan op de bezwaarschriften van belanghebbende tegen de haar opgelegde naheffingsaanslagen in de motorrijtuigenbelasting gedagtekend 14 mei 2003 en 19 juni 2003.

Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende werden met betrekking tot de auto met kenteken YY-YY-00 twee naheffingsaanslagen in de motorrijtuigenbelasting opgelegd op grond van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna te noemen: de Wet) van elk € 299,-- aan enkelvoudige belasting en € 299,-- boete. Deze naheffingsaanslagen zijn gegrond op controles van 11 maart 2003 en 15 maart 2003 en zijn gedagtekend respectievelijk 14 mei 2003 en 19 juni 2003. Tevens zijn aan belanghebbende met dagtekening 19 juni 2003 naheffingsaanslagen in de motorrijtuigenbelasting opgelegd, eveneens gegrond op controle van 15 maart 2003, met betrekking tot de auto’s met kenteken YY-01-YY en YY-02-YY, van elk € 299,-- aan enkelvoudige belasting en € 299,-- boete.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraken van 11 juli 2003 de naheffingsaanslagen gehandhaafd.

Bij die uitspraken heeft de inspecteur de in de naheffingsaanslagen begrepen boete gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraken in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 28 juli 2003 is ingekomen.

Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 6 december 2004, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de directeur van belanghebbende en de inspecteur.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Belanghebbende exploiteert een autobedrijf en beschikt over een kenteken als bedoeld in artikel 37, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (een handelaarskenteken). De auto’s waarop de naheffingsaanslagen betrekking hebben waren opgenomen in belanghebbendes bedrijfsvoorraad.

2.2 Zowel op 11 maart 2003 als op 15 maart 2003 werden ter plaatse van belanghebbendes bedrijfsvestiging door een aannemer bestratingswerkzaamheden uitgevoerd aan tot de openbare weg behorende op- en afritten. Op het eigen terrein van belanghebbende werden bouwwerkzaamheden uitgevoerd.

2.3 In verband met de bestratings- en bouwwerkzaamheden waren de onderhavige auto’s zodanig geplaatst dat zij klaar stonden voor transport. De auto YY-YY-00 stond met twee wielen op het tot de openbare weg behorende trottoir, de beide andere auto’s geheel op de openbare weg. De auto’s waren niet voorzien van het handelaarskenteken.

2.4 De auto YY-YY-00 was total-loss en stond gereed voor afvoer naar de sloop en is in de periode tussen 11 maart en 15 maart 2003 alleen omgedraaid. De auto YY-01-YY kon wegens een gebroken as niet rijden.

2.5 Bij de onderhavige naheffingsaanslagen heeft de inspecteur steeds motorrijtuigenbelasting nageheven over een periode van een jaar voorafgaand aan de datum van controle en een boete van 100% van de nageheven belasting opgelegd. Bij de bestreden uitspraken heeft de inspecteur zulks gehandhaafd.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslagen met boete terecht aan belanghebbende zijn opgelegd.

4. De standpunten van partijen.

Belanghebbende heeft op gronden, gelijk vervat in zijn beroepschrift en mondeling gesteld ter zitting, het standpunt ingenomen dat zij de auto’s zodanig heeft neergezet dat de aannemers van de bouw- en de bestratingswerkzaamheden geen hinder ondervonden van de auto’s. Er was in verband met de bouwwerkzaamheden onvoldoende ruimte op het eigen terrein. Een voorafgaande waarschuwing van de inspecteur is haar niet bekend.

De inspecteur heeft daartegenover op gronden, gelijk weergegeven in zijn verweerschrift en mondeling ter zitting, het standpunt verdedigd dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de krachtens artikel 1, tweede lid, van de Wet gestelde voorwaarden, zodat de belasting terecht en tot het juiste bedrag is nageheven. Voorts is belanghebbende bij schrijven van 24 februari 2003 ter zake van een soortgelijke gedraging reeds door de inspecteur gewaarschuwd. Op grond van gevoerd beleid dient de boete in de tweede naheffingsaanslag ter zake van auto YY-YY-00 te vervallen.

5. De overwegingen omtrent het geschil.

5.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 1 van de Wet wordt onder de naam motorrijtuigenbelasting een belasting geheven ter zake van het houden van een personenauto, een bestelauto, een motorrijwiel of een vrachtauto, waarbij voor de tot een bedrijfsvoorraad behorende motorrijtuigen, onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, de belasting kan worden geheven ter zake van de ten behoeve van die motorrijtuigen opgegeven kentekens als bedoeld in artikel 37, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

5.2 Vast staat dat de onderhavige auto’s motorrijtuigen zijn als vorenbedoeld en tot belanghebbendes bedrijfsvoorraad behoren en dat belanghebbende beschikte over een kenteken als bedoeld in artikel 37, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

5.3 Het geheel of gedeeltelijk plaatsen op de openbare weg van de motorrijtuigen zonder dat de kentekenplaten van het handelaarskenteken op de auto’s is aangebracht is in strijd met de in 5.1 genoemde bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden. Vast staat dat de auto’s YY-01-YY en YY-02-YY geheel op de openbare weg waren geplaatst, terwijl door de inspecteur is gesteld, hetwelk door belanghebbende onvoldoende is weersproken, dat de auto YY-YY-00 met twee wielen op de openbare weg was geplaatst.

5.4 Ingevolge het bepaalde in artikel 69, eerste lid, van de Wet kan derhalve de belasting worden nageheven.

Het tweede lid van artikel 69 bepaalt daarbij dat de na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van twaalf maanden, waarbij als laatste dag geldt de dag waarop het gebruik van de weg wordt geconstateerd. Een beperking van de naheffingstermijn volgens het in de artikelen 33, 34, 35 en 52 van de Wet gevolgde systeem is daarbij niet opgenomen.

5.5 Overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid van artikel 69 van de Wet heeft de inspecteur met betrekking tot auto YY-YY-00 naheffingsaanslagen opgelegd over de periode 12 maart 2002 tot en met 11 maart 2003 en vervolgens over de periode 16 maart 2002 tot en met 15 maart 2003, zonder bij deze laatste naheffingsaanslag de bij de eerdere naheffingsaanslag nageheven belasting te betrekken.

5.6 In de Memorie van Antwoord bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de totstandkoming van de Wet is het volgende opgemerkt:

“Gelet hierop meen ik dat bedoelde naheffingstermijn van twaalf maanden niet onevenredig is. Bovendien wordt die termijn bekort indien blijkt dat over een deel van die periode wel motorrijtuigenbelasting is betaald of het motorrijtuig in andere handen was.” (Kamerstukken II 1991/1992, 22 238, nr. 5, blz. 46.)

5.7 De Hoge Raad heeft bij arrest van 14 december 2001 (nr. 36 575) in verband met vorenstaande opmerking in de Memorie van Antwoord opgemerkt:

“Dit laatste biedt echter geen grond van de wet af te wijken, nu deze opmerking geen uitwerking in de wet heeft gekregen. De specifieke achtergrond van de handelaarsregeling - kenteken niet gebonden aan een bepaald motorrijtuig - maakt ook begrijpelijk dat de wetgever hier is afgeweken van het in de artikelen 33, 34 35 en 52 van de Wet gevolgde systeem.”

5.8 In het door de Hoge Raad berechte geval (nr. 36 575) wijken de feiten en omstandigheden van het geval echter af van het onderhavige geval in die zin dat daar door de belastingplichtige ervoor werd gepleit de door een eerdere houder van de betreffende auto betaalde belasting te laten meewegen in de naheffingsaanslag. In het onderhavige geval zijn de naheffingsaanslagen aan dezelfde houder opgelegd, waarbij tussen de periodes waarover werd nageheven slechts 4 dagen verschil aanwezig was.

5.9 Naar ’s hofs oordeel kan het, gelet op de specifieke achtergrond van de handelaarsregeling, in samenhang met het overigens in de Wet gevolgde systeem en de opmerkingen van de mede-wetgever in de Memorie van Antwoord, niet in overeenstemming zijn met de geest van de Wet, dat bij eenmalige plaatsing van een tot de bedrijfsvoorraad behorende auto op de openbare weg - in strijd met de daarvoor geldende voorwaarden - met een tussenpoos van 4 dagen van dezelfde houder twee maal de belasting wordt nageheven, berekend over een tijdsduur van twaalf maanden.

5.10 Weliswaar heeft belanghebbende aangegeven dat zij de auto binnen dat verschil van 4 dagen heeft omgedraaid, doch het hof gaat er hierbij van uit dat te dezen sprake is van het éénmaal plaatsen op de openbare weg, gedurende een periode van tenminste vier dagen.

5.11 Het vorenstaande leidt er toe dat onder de zich te dezen voordoende omstandigheden bij de tweede naheffingsaanslag met de reeds bij de eerdere naheffingsaanslag nageheven belasting rekening dient te worden gehouden. Bij de tweede naheffingsaanslag kan derhalve per saldo slechts belasting worden nageheven over een periode van 4 dagen ofwel tot een bedrag van 4/360 x € 299,-- of (afgerond) € 3,--. Het beroep treft in zoverre doel.

5.12 Gelet op het bepaalde in artikel 69 van de Wet is het beroep ten aanzien van de bij de overige naheffingsaanslagen nageheven belasting ongegrond.

5.13 Ingevolge het bepaalde in artikel 70 van de Wet, juncto artikel 37 van de Wet en artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in samenhang met paragraaf 34 van het Besluit bestuurlijke boeten belastingdienst 1998, heeft de inspecteur ter zake van de nageheven belasting bij elk van de naheffingsaanslagen een boete opgelegd van 100 procent van de nageheven belasting.

5.14 Met betrekking tot de naheffingsaanslag nummer 0000.00.000.Y2.90004 heeft de inspecteur ter zitting verklaard dat op grond van gevoerd beleid de boete dient te worden teruggebracht tot nihil. Ook dienaangaande is het beroep derhalve gegrond.

5.15 Met betrekking tot de bij de overige in geding zijnde naheffingsaanslagen opgelegde boetes is het hof van oordeel dat deze passend en geboden zijn, zodat het beroep dienaangaande geen doel treft.

5.16 Nu het beroep gedeeltelijk gegrond is vindt het hof in de omstandigheden van het geval aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten het hof op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt op € 10,-- aan reiskosten, en welke kosten dienen te worden gedragen door de Staat der Nederlanden.

6. De beslissing.

Het hof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur betrekking hebbend op naheffingsaanslag nummer 0000.00.000.Y2.90004 (enkelvoudige belasting en boete);

vermindert deze naheffingsaanslag tot een naheffingsaanslag van € 3,-- ;

vernietigt de ter zake van deze naheffingsaanslag opgelegde boete;

bevestigt de uitspraken van de inspecteur inzake de naheffingsaanslagen nummer 0000.00.00.Y2.90001, 0000.00.000.Y2.90002 en 0000.00.000.Y2.90003 en

handhaaft deze naheffingsaanslagen inclusief de daarbij opgelegde boete;

gelast dat het betaalde griffierecht ad € 232,-- aan belanghebbende wordt vergoed door de inspecteur;

veroordeelt de inspecteur de kosten aan belanghebbende te vergoeden, die deze heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, te bepalen op € 10,--;

wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Gedaan op 7 januari 2005 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier de heer M. Haarsma en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Op 12 januari 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.