Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AS2224

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-01-2005
Datum publicatie
12-01-2005
Zaaknummer
BK 268/00 Ziekenfondsverzekering Zelfstandigen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de vraag of belanghebbende voor het jaar 2000 in aanmerking komt voor een positieve verklaring Ziekenfondsverzekering zelfstandigen.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 3, geldigheid: 2005-01-07
Ziekenfondswet 3d, geldigheid: 2005-01-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 268/00 7 januari 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst Ondernemingen/Landelijk punt uitvoering heffing Ziekenfondswet voor zelfstandigen te Enschede (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem uitgereikte verklaring Ziekenfondsverzekering zelfstandigen 2000.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Aan belanghebbende werd met dagtekening 18 februari 2000 een zogeheten negatieve verklaring Ziekenfondsverzekering zelfstandigen 2000 uitgereikt.

1.2 Op het tijdig ingediende bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van dezelfde datum het bezwaar afgewezen. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met 1 bijlage), dat op 3 april 2000 bij het gerechtshof is ingekomen. Bij brief van 1 mei 2000 heeft hij zijn beroepschrift aangevuld.

1.3 Op 27 april 2004 heeft de inspecteur een verweerschrift (met 7 bijlagen) ingediend bij het gerechtshof.

1.4 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof gehouden op 25 oktober 2004 te Leeuwarden, alwaar aanwezig was de inspecteur. De belanghebbende, op zijn adres opgeroepen bij aangetekende brief waarvan de retourkaart met handtekening van A is terugontvangen, is niet verschenen.

1.5 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Het hof stelt op grond van de stukken als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende (gemotiveerd) weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 Belanghebbende was in de jaren 1998 tot en met 2000 in volledige dienstbetrekking werkzaam bij B. Tegenover de fiscus heeft hij kenbaar gemaakt per 1 augustus 1998 een verhuurbedrijf in geluidsafspeelapparatuur te zijn begonnen.

2.2 Na een in 2000 bij belanghebbende afgelegd bedrijfsbezoek heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat, gezien de omvang van de werkzaamheden, er in 1998 en 1999 geen sprake is geweest van een onderneming, en dat de uit de verhuur van geluidsapparatuur verkregen middelen moesten worden aangemerkt als andere inkomsten uit arbeid. De aanslag 1998 is overeenkomstig dat standpunt geregeld.

2.3 In de aangiften 1999 en 2000 is belanghebbende zich op het standpunt blijven stellen dat sprake was van winst uit onderneming. De aanslagen over die jaren zijn door de inspecteur zonder nadere toetsing conform de ingediende aangiften opgelegd.

2.4 De belastbare inkomens over 1998, 1999 en 2000 bedragen respectievelijk f 47.796,-, f 51.366,-, en f 53.162,-.

2.5 De looninkomsten over die jaren bedragen respectievelijk f 51.928,-, f 56.682,-, en f 58.716,-.

2.6 Aanvankelijk heeft de inspecteur bij de beoordeling van de vraag of sprake kon zijn van een onderneming 1998 als startjaar aangemerkt. Daarvan is hij, gelet op 2.2 hiervoor, teruggekomen. Als startjaar kon toen naar zijn mening op z’n vroegst het jaar 2000 worden beschouwd. Voor de materiële inhoud van de negatieve verklaring maakt dat naar zijn oordeel geen verschil; waar het inkomen voor beide jaren meer dan f 41.200,- bedraagt kan zijns inziens in beide gevallen geen sprake zijn van afgifte van een positieve verklaring.

2.7 Belanghebbende is, zij het op andere gronden dan de inspecteur, van mening dat 1998 niet als het juiste start- en referentiejaar kan worden aangemerkt. Hij verzoekt uit te gaan van 1999, het belastbaar inkomen voor dat jaar schattend op f 35.000,-.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is de vraag of belanghebbende voor het jaar 2000 in aanmerking komt voor een positieve verklaring Ziekenfondsverzekering zelfstandigen.

3.2 Belanghebbende meent van wel, terwijl de inspecteur daartegenover van mening blijft dat, waar het inkomen uitstijgt boven de grens van f 41.200,-, belanghebbende voor een ziekenfondsverzekering niet in aanmerking komt.

4. De rechtsoverwegingen

4.1 Op grond van artikel 3d, eerste lid, van de Ziekenfondswet is verzekerd gedurende een kalenderjaar de zelfstandige die verzekerd is ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, en wiens inkomen niet meer bedraagt dan f 41.200,-. Ingevolge het vierde lid van genoemd artikel dient onder inkomen te worden verstaan het belastbare inkomen als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

4.2 Dat betekent dat elk inkomen dat de f 41.200,- overstijgt, aan verzekering krachtens het ziekenfonds in de weg staat.

4.3 De hoogte van zijn belastbare inkomen over 1999 wijt belanghebbende aan het achterwege gelaten zijn van fiscale aftrekposten voor ondernemers als daar zijn zelfstandigenaftrek en fiscale oudedagsreserve. Recht op die aftrekmogelijkheden kan slechts geldend worden gemaakt door de belastingplichtige die aantoont winst uit onderneming te genieten. De bewijslast voor het bestaan van de hoedanigheid waaraan fiscale faciliteiten zijn verbonden, rust op degene die die faciliteiten deelachtig wenst te worden, in casu belanghebbende.

4.4 In dat bewijs acht het hof hem voor de jaren 1998 en 1999 niet geslaagd nu hij onvoldoende feiten en omstandigheden aanvoert die, indien vervolgens aannemelijk gemaakt, het bestaan van zijn onderneming en het recht op fiscale faciliteiten in die jaren fiscaal zichtbaar maken.

4.5 Ook anderszins acht het hof hem daarin niet geslaagd. De enkele wens ondernemer te zijn is daartoe in elk geval onvoldoende.

4.6 Van de door belanghebbende gesignaleerde rechtsongelijkheid is geen sprake nu hij zich op de situatie beroept waarin iemand (al veel langer) een onderneming drijft, en dus niet ten opzichte van belanghebbende als een gelijk geval kan worden beschouwd.

4.7 Dat alles zo zijnde komt als referentiejaar eerst 2000 in aanmerking. Niet bestreden is dat het belastbaar inkomen toen f 53.162,- bedroeg, derhalve meer dan het drempelbedrag van f 41.200,- ex artikel 3d van de Ziekenfondswet. Voor afgifte van een positieve verklaring (“U kunt zich bij het Ziekenfonds tegen ziektekosten gaan verzekeren.”) is dan geen grond. Het andersluidende standpunt van belanghebbende kan niet als juist worden aanvaard. Overigens heeft, gelet op het hiervoor vermelde, eenzelfde conclusie te gelden wanneer 1999 als referentiejaar zou zijn genomen, nu het belastbaar inkomen voor dat jaar f. 51.366,-- bedraagt.

4.8 Geen van de aangevoerde grieven treft doel zodat het beroep als in al zijn onderdelen ongegrond, moet worden verworpen.

5. De slotsom

Het beroep is ongegrond.

6. Proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 7 januari 2005 door mr. G.M. van der Meer, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. de Jong, en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier en ondertekend door de raadsheer en voornoemde griffier.

Op 12 januari 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.