Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AS2223

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-01-2005
Datum publicatie
12-01-2005
Zaaknummer
BK 164/00 Ziekenfondsverzekering Zelfstandigen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de vraag of belanghebbende voor het jaar 2000 verplicht is verzekerd krachtens artikel 3d van de Ziekenfondswet.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:11, geldigheid: 2005-01-07
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 3, geldigheid: 2005-01-07
Ziekenfondswet 2, geldigheid: 2005-01-07
Ziekenfondswet 3d, geldigheid: 2005-01-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 164/00 7 januari 2005

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst Ondernemingen/Landelijk punt uitvoering heffing Ziekenfondswet zelfstandigen te Enschede (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar uitgereikte verklaring Ziekenfondsverzekering zelfstandigen 2000.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1 Met dagtekening 18 januari 2000 is aan belanghebbende een (nieuwe) positieve verklaring Ziekenfondsverzekering 2000 uitgereikt.

1.2 Op het tijdig ingediende bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 18 januari 2000 het bezwaar afgewezen en de verklaring gehandhaafd.

1.3 De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met 1 bijlage), dat op 28 februari 2000 bij het gerechtshof is ingekomen.

1.4 Op 29 maart 2004 heeft de inspecteur een verweerschrift (met 5 bijlagen) ingediend bij het gerechtshof.

1.5 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof gehouden op 25 oktober 2004 te Leeuwarden, alwaar verscheen de inspecteur. De belanghebbende, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, is niet verschenen. De handtekening retourkaart van de oproeping is op 17 september 2004 voorzien van een handtekening van A. Ter voormelde zitting heeft de inspecteur de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd.

1.6 Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

2. De feiten

Het hof stelt op grond van de stukken als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende (gemotiveerd) weersproken, de volgende feiten vast.

2.1 Belanghebbende is in 1997 voor eigen rekening gestart met een vertaalbureau, en is vanaf dat moment als ondernemer te beschouwen.

2.2 Haar belastbaar inkomen bedraagt over respectievelijk de jaren 1997: negatief f 9.815,-

1998: positief f 36.315,-

1999: positief f 24.981,-

2000: positief f 91.480,-.

2.3 Op 9 november 1999 heeft de inspecteur aan belanghebbende een zogeheten positieve verklaring ziekenfondsverzekering zelfstandigen uitgereikt, beoordeeld naar de toestand per peildatum 1 oktober 1999.

2.4 Daartegen is belanghebbende op 8 december 1999 in het geweer gekomen. Aangezien de wijzigingen van de Ziekenfondswet op het moment van afgifte van voormelde verklaring nog niet inwerking was getreden, heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 18 januari 2000, onder intrekking van de oude verklaring, een nieuwe positieve verklaring afgegeven, waartegen belanghebbende thans in beroep is gekomen. De daarbij gevolgde procedure van intrekking oude verklaring en afgifte nieuwe verklaring is voor belanghebbende aanleiding geweest zich te beklagen over het feit dat haar aldus de feitelijke instantie van bezwaar tegen de nieuw afgegeven verklaring is onthouden.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1 In geschil is de vraag of belanghebbende voor het jaar 2000 verplicht is verzekerd krachtens artikel 3d van de Ziekenfondswet.

3.2 De inspecteur meent van wel, daarbij aanvoerende dat verzekeringsplicht voor de Ziekenfondswet rechtstreeks voortvloeit uit de wet en dus onttrokken is aan mogelijke beleidsvrijheid van de fiscus.

3.3 Belanghebbende voert vier grieven aan:

- ten onrechte is de mogelijkheid van bezwaar onthouden;

- de beschikking heeft terugwerkende kracht, en dat is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur;

- er is sprake van strijd met het Europese recht op gezinsvorming;

- ten onrechte bepaalt het startjaar wel de verzekeringsplicht, maar wordt de premie niet naar het inkomen in dat jaar berekend.

3.4 Voor een meer uitgebreide weergave van de standpunten zij verwezen naar de gedingstukken.

4. De rechtsoverwegingen

4.1 Op grond van artikel 3d, eerste lid, van de Ziekenfondswet is verzekerd gedurende en kalenderjaar de zelfstandige, die verzekerd is ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en wiens inkomen niet meer bedraagt dan f 41.200,-.

4.2 Lid 2 van dat artikel bepaalt dat de inspecteur van de rijksbelastingdienst bij voor bezwaar vatbare beschikking aan de persoon bedoeld in of krachtens het eerste lid, een verklaring afgeeft waaruit blijkt dat hij voldoet aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden. Lid 3 bepaalt dat na 1 oktober vastgestelde wijzigingen buiten toepassing dienen te blijven. In het vierde lid is bepaald dat bij ministeriële regeling geregeld wordt over welk tijdvak het inkomen in aanmerking wordt genomen, en dat nadere regels gesteld kunnen worden ter uitvoering van het eerste, tweede en derde lid.

4.3 In artikel 2, eerste lid, van de onder punt 4.2 genoemde ministeriële regeling, genaamd “Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekering zelfstandige” wordt voor de toepassing van artikel 3d, eerste lid, van de Ziekenfondswet voor enig jaar ten aanzien van een zelfstandige die gedurende de basisreferteperiode en daarna zelfstandige is gebleven, in aanmerking genomen het gemiddelde van de definitief vastgestelde inkomens over de jaren van de basisreferteperiode. Blijkens artikel 4, eerste lid, onder b, van dezelfde ministeriële regeling wordt in casu voor een zelfstandige die vanaf 1997 en daarna zelfstandige is gebleven, ter beoordeling van de verzekeringsplicht krachtens de Ziekenfondswet voor het jaar 2000 het inkomen over 1997 in aanmerking genomen.

4.4 Dat inkomen heeft, naar vaststaat, negatief f 9.815,- bedragen, derhalve minder dan het in artikel 3d, eerste lid, van de Ziekenfondswet bepaalde bedrag van f 41.200,- (tekst 2000). In zoverre is door de inspecteur terecht en op goede gronden aan belanghebbende voor 2000 een positieve verklaring afgegeven.

4.5 Aan de belanghebbende is niet ten onrechte de mogelijkheid van bezwaar onthouden tegen de nieuwe beschikking van 18 januari 2000. Het bepaalde in artikel 7:11, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht brengt namelijk mee dat indien de heroverweging op de grondslag van het bezwaar aanleiding geeft tot het herroepen van het besluit en een daartoe strekkende beslissing wordt genomen, voorzover nodig gelijktijdig een nieuw besluit wordt genomen. In overeenstemming hiermee heeft de inspecteur bij de uitspraak op het bezwaarschrift in plaats van het daarbij herroepen besluit een nieuw besluit genomen.

4.6 Anders dan belanghebbende meent is van terugwerkende kracht van de getroffen wettelijke regeling geen sprake: de verklaring van de inspecteur is enkel gebaseerd op hetgeen in fiscaal opzicht reeds is komen vast te staan, en is daarmee enkel declaratoir van karakter. Tevens blijkt niet dat de wetgever voor het verstrekken van de verklaring een fatale termijn heeft willen stellen.

4.7 Van enige schending van het recht op gezinsvorming is geen sprake nu de uitoefening van een dergelijk onvervreemdbaar grondrecht niet aan enige verzekeringsvorm is gebonden. De omstandigheid dat het verzekeringspakket en de verzekeringsvoorwaarden tussen ziekenfonds en particuliere verzekering onderling van elkaar kunnen verschillen, maakt dat niet anders. Nu bovendien na uitvoerige discussie in de Tweede Kamer de ziekenfondsverzekering voor zelfstandigen een verplicht karakter heeft gekregen, kan ingevolge de formele wet niet tegemoetgekomen worden aan een persoonlijke voorkeur ten aanzien van de verzekeringsvorm, hoe begrijpelijk een van de wet afwijkende voorkeur in het individuele geval ook mag zijn uit een oogpunt van – bijvoorbeeld – premiedruk, dekkingsomvang of streven naar continuïteit van verzekeringsvorm.

4.8 Dat in casu slechts met het startjaar 1997 rekening kan worden gehouden, vloeit rechtstreeks voort uit het bepaalde in artikel 4, eerste lid, onder b, van de Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekering zelfstandigen (punt 4.3 hiervoor). Andere referteperiodes dan in dat lid genoemd, kent de toepasselijke wet- en regelgeving niet. Dit toetsjaar kan – anders dan de belanghebbende voorstaat – niet als heffingsgrondslag gelden voor de ziekenfondspremie. Uit artikel 15a, leden 2 en 4, van de Ziekenfondswet moet worden afgeleid dat, anders dan voor de bepaling van de verzekeringsplicht, voor de premieheffing in aanmerking moet worden genomen het inkomen van het kalenderjaar waarop de verzekering betrekking heeft. Dit blijkt ook uit de wetsgeschiedenis.

4.9 Het vorenoverwogene in onderling verband en samenhang beschouwd, betekent dat geen van de aangevoerde grieven doel kan treffen, zodat het beroep als in al zijn onderdelen ongegrond dient te worden verworpen.

5. De slotsom

Het beroep is ongegrond.

6. Proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 7 januari 2005 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. de Jong, en op die dag in het openbaar te Leeuwarden uitgesproken door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van voornoemde griffier en ondertekend door de voorzitter en de griffier.

Op 12 januari 2005 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.