Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2005:AR8815

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-01-2005
Datum publicatie
06-01-2005
Zaaknummer
0300546
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met inachtneming van de vermindering van eis, vervat in haar akte uitlating betaling, heeft de stichting in eerste aanleg betaling gevorderd van de VUT-CAO-bijdragen over de volledige kalenderjaren 1996 tot en met 2000, samen Euro 31.907,09, alsmede buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente daarover, en voorts buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente over de op 28 januari 2003 ontvangen eindbetalingen over de jaren 2001 en 2002. [geïntimeerde] heeft zich ter afwering van de vordering betreffende de jaren 1996-2000 beroepen op rechtsverwerking, welk beroep de kantonrechter heeft gehonoreerd. De gevorderde rente en kosten over de bijdragen 2001 en 2002 heeft de kantonrechter eveneens afgewezen.

Het hoger beroep richt zich tegen de integrale afwijzing van de vordering van de stichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Arrest d.d. 5 januari 2005

Rolnummer 0300546

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

Stichting Vrijwillig Vervroegde Uittreding voor het Beroepsgoederenvervoer over de Weg en de Verhuur van Mobiele Kranen,

gevestigd te Amsterdam,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: de stichting,

procureur: mr P.H. Redeker,

tegen

[geïntimeerde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr F.M. Oldenhuis.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen uitgesproken op 19 december 2002 en 16 juli 2003 door de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen, hierna aan te duiden als de kantonrechter.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 2 oktober 2003 is door de stichting hoger beroep ingesteld van de genoemde vonnissen met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 19 november 2003.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"om het vonnis van de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen, waarvan beroep, te vernietigen en opnieuw rechtdoende bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen (zoals nader gespecificeerd bij "akte uitlating") van appellante, de Stichting, oorspronkelijk eiseres, alsnog toe te wijzen, en [geïntimeerde] te veroordelen deze bedragen (totaal aan hoofdsommen: EUR 31.907,09; alsook buitengerechtelijke kosten; alsook wettelijke renten) aan de Stichting te betalen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord (met productie) is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de stichting niet ontvankelijk te verklaren in het door haar ingestelde appèl, althans de door haar ingestelde vordering af te wijzen met veroordeling van de stichting in de kosten van de procedure in beide instanties."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

De stichting heeft vier grieven opgeworpen.

De beoordeling

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

1. De stichting heeft bij appeldagvaarding ondermeer hoger beroep ingesteld van het vonnis van 29 december 2002. Het hof leest dit als een kennelijke verschrijving voor 19 december 2002. De grieven richten zich evenwel niet tegen dit tussenvonnis, zodat de stichting in haar hoger beroep tegen dit vonnis niet kan worden ontvangen.

Ten aanzien van de feiten

2. Tussen partijen staan de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken, alsmede volgende uit de van toepassing zijnde CAO's.

2.1. De stichting heeft blijkens haar statuten ten doel om aan werknemers werkzaam in het Beroepsgoederenvervoer over de weg en/of bij een werkgever die zich bezighoudt met de verhuur van mobiele kranen, die van de in de collectieve arbeidsovereenkomst inzake vrijwillig vervroegde uittreding van het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen geboden mogelijkheid om vervroegd uit het arbeidsproces te treden gebruik maken, de daarvoor bij reglement vast te stellen uitkeringen te doen.

2.2. [geïntimeerde] is een op 10 februari 1994 opgerichte transportonderneming met als bedrijfsomschrijving: "het vervoer van goederen langs de weg alsmede het overslaan, opslaan, sorteren, verpakken en bewaren van goederen, het doen onderhouden van lijndiensten en het verzorgen van bevrachtingen, de exploitatie, huur en verhuur van, alsmede de handel in rijdend materieel, het uitoefenen van alle logistieke en aanverwante werkzaamheden."

2.3. De collectieve arbeidsovereenkomst inzake vrijwillig vervroegde uittreding voor het beroepsgoederenvervoer en de verhuur van mobiele kranen (in het vervolg: de VUT-CAO) bepaalde in 1996 in artikel 1a, voor zover van belang, het volgende:

"1. De bepalingen van deze overeenkomst zijn van toepassing op:

a. werkgevers en werknemers van elke in Nederland gevestigde onderneming die vergunningplichtig vervoer krachtens de Wet Goederenvervoer over de Weg verricht en/of die tegen vergoeding geheel of ten dele vervoer verricht anders dan van personen, over de weg of over andere dan voor het openbaar verkeer openstaande wegen, alsmede op ieder bode- of bestelhuis of vervoerscentrum, dat bemiddeling verleent bij het totstandkomen van overeenkomsten ter zake;"

De VUT-CAO's van de daarop volgende jaren tot 2003 kennen soortgelijke omschrijvingen.

2.4. [geïntimeerde] is niet aangesloten bij een der VUT-CAO-partijen.

2.5. De VUT-CAO 1995 is algemeen verbindend verklaard bij besluit van 14 augustus 1995, inwerking getreden op 19 augustus 1995, voor de periode tot en met 31 december 1999. In de daarop volgende jaren is steeds sprake geweest van een algemeen verbindende VUT-CAO.

2.6. De VUT-CAO 1996 bevat onder meer de navolgende bepalingen:

"artikel 4 Uitvoering

De uitvoering wordt opgedragen aan de Stichting, die onder haar verantwoordelijkheid zulks kan delegeren aan de administrateur. Deze uitvoering geschiedt volgens de statuten en het reglement van de Stichting, die aan deze overeenkomst zijn gehecht en geacht worden daarvan deel uit te maken.

Artikel 5 Financiering en bijdrageheffing

1. De financiering van de regeling geschiedt door werkgevers en werknemers gezamenlijk, met dien verstande dat 50% van de bijdrage voor rekening van de werkgevers en 50% voor rekening van de werknemers komt.

2. De totale bijdrage moet door de werkgever aan de Stichting worden betaald. De hoogte van de bijdrage is gesteld op 3% van de bruto loonsom sociale verzekeringen van het lopend jaar met dien verstande dat de heffingsgrondslag per werknemer maximaal gelijk is aan het voor dat jaar geldende tot een jaarbedrag herleide maximum premiedagloon ingevolge de Werkloosheidswet.

...

De werkgever dient de in de vorige volzin bedoelde loongegevens te vermelden op het loonsomopgaveformulier dat door de administrateur wordt verstrekt.

3.Indien de werkgever niet vóór 1 februari van het kalenderjaar volgend op het jaar waarop de gegevens betrekking hebben, heeft voldaan aan het bepaalde in het vorige lid, dan is de Stichting gerechtigd naar beste weten de bijdrage als bedoeld in lid 2 van dit artikel vast te stellen.

4. Het werknemersdeel van de bijdrage zal worden ingehouden op het salaris van de werknemer."

2.7. Het reglement van de stichting luidt (versie 1996), voor zover van belang, als volgt.

"Artikel 2 Vaststelling en betaling van de bijdrage

1. De werkgever is verplicht op de tijdstippen, op de wijzen en over de tijdvakken als door de stichting bepaald de gegevens te verstrekken die de stichting nodig heeft om de door de werkgever volgens de CAO verschuldigde bijdrage vast te stellen.

2. Indien de werkgever niet vóór 1 februari van het kalenderjaar volgend op het jaar waarop de gegevens betrekking hebben, heeft voldaan aan het bepaalde in het vorige lid, dan is de Stichting gerechtigd naar beste weten de volgens de CAO verschuldigde bijdrage vast te stellen.

3. ...

6. De werkgever is verplicht de bijdrage over de periode waarover deze verschuldigd is bij vooruitbetaling te voldoen binnen 28 dagen na de dagtekening van de nota van de stichting. De stichting is bevoegd van de werkgever een voorschot te vorderen ter grootte van de bijdrage die vermoedelijk over het kalenderjaar verschuldigd zal zijn. Het voorschot moet, tenzij de stichting anders bepaalt, worden voldaan in ten hoogste vier gelijke kwartaaltermijnen, te betalen op de eerste van ieder kwartaal, met dien verstande dat de eerste termijn niet eerder vervalt dan 28 dagen na de dagtekening van de nota van de stichting. Bij niet tijdige betaling van een voorschottermijn wordt het gehele resterende bedrag van de voorschotnota opeisbaar.

7. Bij niet-tijdige betaling van de verschuldigde bijdrage of het van hem gevorderde voorschot is de werkgever door het enkele verloop van de termijn in verzuim.

De stichting is dan bevoegd te vorderen:

- rente over het verschuldigde bedrag van de dag af dat het verschuldigde bedrag betaald had moeten zijn;

- vergoeding van de buitengerechtelijke invorderingskosten onverminderd de overige kosten van vervolging verschuldigd volgens de wet.

De rente wordt berekend naar het percentage van de wettelijke interest als bedoeld in boek 6, de artikelen 119 en 120 van het Burgerlijk Wetboek. De buitengerechtelijke invorderingskosten worden gesteld op 15% van het verschuldigde bedrag, met een minimum van ƒ 75,-."

De reglementen voor de in geding zijnde jaren na 1999 - die telkenmale in de staatscourant zijn gepubliceerd - kennen vergelijkbare artikelen.

2.8. De stichting heeft [geïntimeerde] op 26 september 1994 aangeschreven dat zij [geïntimeerde] een aansluitidentificatie had toegekend. [geïntimeerde] heeft daartegen op 5 oktober 1994 geprotesteerd, aangevende dat op dat moment geen VUT-CAO algemeen verbindend was verklaard. Bij brief van 21 oktober 1994 heeft de stichting het protest van [geïntimeerde] gehonoreerd, met de mededeling: "Zodra de CAO's van de beide Stichtingen weer Algemeen Verbindend zijn verklaard zullen wij opnieuw tot aansluiting van uw bedrijf overgaan".

2.9. Bij brief van 19 april 2001 heeft PVF Achmea - klaarblijkelijk de administrateur van de stichting - [geïntimeerde] geschreven: "Bij controle van onze bestanden is naar voren gekomen dat u naar onze mening ten onrechte niet bent aangesloten bij laatstgenoemde stichtingen. Dientengevolge hebben wij uw onderneming per 1 januari 1996 (alsnog) aangesloten bij de ... Stichting Vrijwillige Vervroegde Uittreding voor het Beroepsgoederen vervoer over de weg en de Verhuur van Mobiele Kranen. ... Bijgaand treft u relevante informatie aan over onze regeling alsmede (een) formulier (en) voor het opgeven van de lonen van de bij u in dienst (geweest) zijnde werknemers ..."

2.10. De stichting heeft op 7 december 2001 aan [geïntimeerde] nota's gezonden over de periode 1 januari 1996 tot en met 31 december 2000. Deze nota's zijn door [geïntimeerde] niet betaald.

2.11. Tevens is op 7 december 2001 een voorschotnota voor het jaar 2001 verzonden ten bedrage van Euro 12.238,62, welke op 23 augustus 2002 definitief is vastgesteld op Euro 10.790,27. Deze nota is voldaan op 28 januari 2003.

2.12. Op 1 januari 2002 heeft de stichting aan [geïntimeerde] een voorschotnota voor 2002 gezonden ad Euro 8.970,10, te betalen in vier gelijke kwartaaltermijnen, welke op 23 augustus 2002 is gecorrigeerd tot een totaalbedrag van Euro 6.250,00. [geïntimeerde] had op 23 augustus 2002 reeds Euro 4.687,50 betaald, het restantbedrag heeft hij betaald op 28 januari 2003.

Korte aanduiding van het geschil

3. Met inachtneming van de vermindering van eis, vervat in haar akte uitlating betaling, heeft de stichting in eerste aanleg betaling gevorderd van de VUT-CAO-bijdragen over de volledige kalenderjaren 1996 tot en met 2000, samen Euro 31.907,09, alsmede buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente daarover, en voorts buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente over de op 28 januari 2003 ontvangen eindbetalingen over de jaren 2001 en 2002.

[geïntimeerde] heeft zich ter afwering van de vordering betreffende de jaren 1996-2000 beroepen op rechtsverwerking, welk beroep de kantonrechter heeft gehonoreerd. De gevorderde rente en kosten over de bijdragen 2001 en 2002 heeft de kantonrechter eveneens afgewezen.

Het hoger beroep richt zich tegen de integrale afwijzing van de vordering van de stichting.

Met betrekking tot grief I

4. Deze grief heeft betrekking op de definitieve nota 2001 en de voorschotnota 2002.

[geïntimeerde] erkent dat hij over 2001 en 2002 de bijdrage aan de stichting is verschuldigd, welke hij ook heeft betaald. In geding is nog slechts of [geïntimeerde] ook gehouden is om wettelijke rente over de op 23 augustus 2002 nog openstaande gedeelten van deze vordering te betalen, alsmede buitengerechtelijke kosten.

5. Ten aanzien van de definitieve nota 2001 overweegt het hof dat ingevolge artikel 2 lid 6 van het reglement van de stichting, hiervoor geciteerd in r.o. 2.7, [geïntimeerde] gehouden was deze nota binnen 28 dagen na dagtekening te voldoen, zodat [geïntimeerde] terzake vanaf 21 september 2002 in verzuim verkeerde en ingevolge artikel 2 lid 7 over de periode 21 september 2002 tot 28 januari 2003 de wettelijke rente is verschuldigd over Euro 10.790,27, hetwelk het hof berekent op Euro 264,88.

6. Ten aanzien van de voorschotnota 2002 geldt dat deze in vier kwartaaltermijnen mocht worden voldaan, welke ingevolge artikel 2 lid 6 van genoemd reglement vervallen per de eerste van elk kwartaal. Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] op 23 augustus 2002 drie kwartaaltermijnen van het voorschotbedrag (zoals op 23 augustus 2002 gecorrigeerd) had betaald en terzake op dat moment niet in verzuim verkeerde. De vierde termijn, groot Euro 1.562,50 verviel op 1 oktober 2002, welke eerst is betaald op 28 januari 2003, zodat [geïntimeerde] terzake de wettelijke rente is verschuldigd over de periode tussen 2 oktober 2002 en 28 januari 2003, welke het hof berekent op Euro 35,66.

7. In zoverre is de grief gegrond.

8. Niet is gebleken dat de stichting op dit punt ook maar enige voor vergoeding in aanmerking komende buitengerechtelijke activiteit heeft ontplooid, zodat het hof het daarop betreffende onderdeel van de vordering, evenals de kantonrechter, zal afwijzen.

Met betrekking tot de grieven II, III en IV

9. Deze grieven hebben alle betrekking op de bijdragen over de jaren 1996-2000 en lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

10. Als meest vergaande verweer heeft [geïntimeerde] betoogd dat de VUT-CAO na algemeenverbindendverklaring eerst op een werkgever van toepassing is nadat de stichting een daartoe strekkend kwalificatiebesluit heeft genomen en een aansluitnummer heeft toegekend.

Dit verweer faalt. Met ingang van de dag van inwerkingtreding van de algemeen verbindendverklaring is de VUT-CAO van toepassing op alle werkgevers vallen onder het toepassingsgebied van deze CAO, zoals omschreven in artikel 1a daarvan. Een nader besluit van de stichting is daarvoor niet noodzakelijk, evenmin als de toekenning van een aansluitnummer. Niet in geding is dat [geïntimeerde] valt onder de omschrijving van artikel 1a lid 1 sub a van de CAO, terwijl gesteld noch gebleken is dat te dezen sprake is van een relevante uitzondering of vrijstelling.

11. In beginsel is [geïntimeerde] gehouden tot betaling van de bijdragen welke de werkgever ingevolge de opeenvolgende VUT-CAO's aan de stichting dient te betalen, voor zover althans de desbetreffende CAO algemeen verbindend is verklaard. Ingevolge artikel 2, derde lid, van de Wet AVV komt aan de algemeen verbindendverklaring van een CAO geen terugwerkende kracht toe, hetgeen ook steeds tot uitdrukking is gebracht bij de diverse besluiten tot algemeen verbindend verklaring van de VUT-CAO. Niet langer is in geding dat er in de gehele periode waarop het geschil betrekking heeft, sprake was van een algemeen verbindend verklaarde VUT-CAO. Alleen de percentages van de verschuldigde premie en de verdeling tussen werkgevers en werknemers zijn in de loop der jaren gewijzigd. Gelet op HR 12 juni 1987, NJ 1988,59 is [geïntimeerde] over het hele jaar de premie verschuldigd, berekend naar het voor dat jaar vastgestelde premiepercentage. Voor zover [geïntimeerde] heeft betoogd dat de stichting het loonbedrag waarover premie is verschuldigd te hoog heeft vastgesteld omdat de VUT-CAO niet het hele jaar algemeen verbindend was verklaard, gaat dit verweer dan ook niet op.

12. [geïntimeerde] heeft zich ten aanzien van de over 1996 verschuldigde premie, eerst bij de MvA beroepen op verjaring. De stichting heeft op dit nieuwe verweer niet meer kunnen reageren. Het hof ziet echter geen aanleiding de stichting daarvoor alsnog de gelegenheid te geven, nu zij daarbij, zoals uit het navolgende zal blijken, geen belang bij heeft.

Ingevolge artikel 3:307 BW verjaart de rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot het geven of een doen door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Ingevolge artikel 2 lid 2 van het reglement van de stichting was de stichting bevoegd, ingeval van het uitblijven van het toezenden van de loongegevens, om op 1 februari van het daarop volgende jaar een nota op te leggen; voor 1996 was de stichting derhalve bevoegd om op 1 februari 1997 een nota op te leggen. De stichting heeft de nota over 1996 opgelegd op 7 december 2001, derhalve binnen de verjaringstermijn. Het beroep op verjaring treft dan ook geen doel.

13. [geïntimeerde] heeft zich voorts beroepen op rechtsverwerking, daartoe aanvoerende dat hij ten gevolge van de lange periode van inactiviteit van de stichting is benadeeld, onder meer omdat hij nu niet meer het werknemersdeel over de jaren 1996-2000 op zijn werknemers kan verhalen.

14. Ingevolge vaste rechtspraak van de Hoge Raad moeten aan een beroep op rechtsverwerking hoge eisen worden gesteld en levert enkel tijdsverloop of stilzitten geen toereikende grond op voor het aannemen van rechtsverwerking. Vereist is daartoe de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken (HR 29 september 1995, NJ 1996/89).

15. Het hof overweegt in dit kader dat [geïntimeerde] geacht wordt te weten welke CAO's op hem van toepassing zijn en dat hij had kunnen weten dat ingevolge de VUT-CAO hij verplicht was tot het betalen van een bijdrage en het inhouden van een gedeelte van die bijdragen op de lonen van zijn personeel. Daartegenover staat dat de stichting een loonsomopgaveformulier dient te verstrekken. Uit de hiervoor onder 2.8 vermelde brief van de stichting van 26 september 1994 blijkt ook dat zij zelf (te) actief de werkgevers aanschreef, terwijl uit de brief van 21 oktober 1994, eveneens vermeld onder 2.8, [geïntimeerde] de indruk kon krijgen dat hij nog een nader bericht zou ontvangen wanneer de VUT-CAO op hem van toepassing zou zijn. Eerst op 19 april 2001 heeft de stichting [geïntimeerde] weer benaderd en hem om informatie omtrent de loonsom verzocht.

16. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] door deze lange periode van inactiviteit van de stichting is benadeeld. [geïntimeerde] heeft geen premies ingehouden op het loon van zijn werknemers, waartoe hij ingevolge artikel 5 lid 1 in samenhang met lid 4 van de VUT-CAO was gehouden. Indien de stichting hem daar evenwel eerder op had gewezen zoals van haar had mogen worden verwacht, had [geïntimeerde] dit verzuim kunnen herstellen. [geïntimeerde] heeft aangegeven dat hij niet met terugwerkende kracht alsnog deze premies kan inhouden, nu een groot aantal van de werknemers die het betreft thans niet meer bij hem werkzaam is. De stichting heeft dit niet betwist. Het hof honoreert dan ook het beroep op rechtsverwerking gedeeltelijk, namelijk voor zover de vordering betrekking heeft op het gedeelte van de premie dat verschuldigd was door de werknemers van [geïntimeerde] en dat [geïntimeerde] op basis van artikel 5, tweede lid, van de VUT-CAO aan de stichting had moeten afdragen. Het hof acht geen gronden aanwezig om het beroep op rechtsverwerking ook te honoreren ten aanzien van het gedeelte van de bijdrage dat door de werkgever moet worden betaald, nu [geïntimeerde]s verweer dienaangaande slechts inhoudt dat de stichting heeft stilgezeten.

17. De grieven slagen dan ook gedeeltelijk.

18. Ten aanzien van de gevorderde rente en de kosten over de bijdragen over de jaren 1996-2000 oordeelt het hof dat de wettelijke rente over het uit de voorgaande overwegingen voortvloeiende bedrag toewijsbaar is met ingang van 23 augustus 2002, zoals gevorderd.

19. Het hof zal, evenals de kantonrechter, de buitengerechtelijke incassokosten afwijzen, nu enerzijds de stichting steeds aanspraak heeft gemaakt op een te hoog bedrag en anderzijds niet is gebleken dat relevante buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht.

De slotsom

20. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en alsnog de volgende bedragen toewijzen:

* 1996: 50% van de gevorderde jaarpremie ad Euro 4.602,69, zijnde het uit artikel 5, eerste lid, van de VUT-CAO over dat jaar voor rekening van de werkgever komende deel, neerkomende op Euro 2.301,34;

* 1997: 15/35 deel van Euro 5.241,16 neerkomende op Euro 2.246,21;

* 1998: 15/35 deel van Euro 5.536,57 neerkomende op Euro 2.372,82;

* 1999: 225/500 deel van Euro 8.168,04 neerkomende op Euro 3.675,62;

* 2000: 225/500 deel van Euro 8.358,68 neerkomende op Euro 3.761,41.

De in totaal verschuldigde hoofdsom bedraagt derhalve Euro 14.357,40, waar bij komt de somma van Euro 300,54 terzake van rente over 2001 en 2002 (rechtsoverweging 5 en 6) en welke hoofdsom voorts vermeerderd moet worden met de wettelijke rente vanaf 23 augustus 2002.

Gelet op deze uitkomst zal het hof de proceskosten compenseren, zowel in appel als in eerste aanleg.

De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de stichting niet-ontvankelijk in haar beroep gericht tegen het tussenvonnis van 19 december 2002;

vernietigt het vonnis van 16 juli 2003 waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] om aan de stichting te betalen de somma van Euro 14.657,94, te vermeerderen met de wettelijke rente over Euro 14.357,40 vanaf 23 augustus 2002 tot aan de dag van algehele voldoening;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

compenseert de kosten van de procedure, zowel in appel als in eerste aanleg, in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mrs Mollema, voorzitter, Zuidema en Kuiper, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 5 januari 2005.