Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AR5772

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-11-2004
Datum publicatie
17-11-2004
Zaaknummer
BK 539/03 Omzetbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur het door de belanghebbende van de heer D ontvangen bedrag van ƒ 9.500,-- terecht in de omzetbelastingheffing heeft betrokken, alsmede of de boete terecht is opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67f
Algemene wet inzake rijksbelastingen 20
Wet op de omzetbelasting 1968 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/9.1.6
FutD 2004-2154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 539/03 12 november 2004

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Noord/kantoor Emmen (thans kantoor Assen en hierna: de inspecteur) gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1. Met dagtekening 26 juni 2002 is aan de belanghebbende voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 1999 op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 3.575,-- aan enkelvoudige belasting, alsmede een boete ten bedrage van € 1.787,-- en heffingsrente ten bedrage van € 447,--.

1.2. Op tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij uitspraak van 30 mei 2003 de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 3.058,-- aan enkelvoudige belasting en € 1.529,-- aan boete. De heffingsrente is daarbij vastgesteld op € 365,--.

1.3. De belanghebbende heeft tegen deze uitspraak een beroepschrift (met bijlagen) ingediend, dat op 24 juni 2003 bij het gerechtshof is ingekomen. Bij brief (met bijlagen) van 28 augustus 2003 heeft de belanghebbende het beroepschrift voorzien van de gronden van het beroep.

1.4. De inspecteur heeft op 31 oktober 2003 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 11 oktober 2004, gehouden te Leeuwarden. Aldaar zijn verschenen de belanghebbende, zijn gemachtigde drs. A en diens collega mr. B, alsmede de inspecteur en zijn collega mr. C.

1.6.Ter voormelde zitting heeft belanghebbendes gemachtigde de door hem voorgedragen pleitnota overgelegd.

1.7.Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen het volgende vast.

2.1. De belanghebbende drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De ondernemingsactiviteiten bestaan uit de handel in bouwmaterialen, de verhuur van bouwmaterieel en de begeleiding van verbouwingen en nieuwbouw. De belanghebbende is ondernemer voor de omzetbelastingwetgeving.

2.2. In 1998 heeft de heer D te L de belanghebbende ingeschakeld bij de verbouw van zijn recreatiebungalow aan de a-weg 4A-71 te M (hierna: de bungalow). De belanghebbende heeft in dat verband personen benaderd met het verzoek de verbouwwerkzaamheden aan de bungalow van de heer D uit te voeren. Verder heeft de belanghebbende voor een bedrag van ruim ƒ 20.000,-- aan bouwmaterialen geleverd. Deze materialen zijn door de heer D via de bank betaald. Naast voornoemd bedrag voor de bouwmaterialen heeft de heer D ook een bedrag van in totaal ƒ 9.500,-- contant aan de belanghebbende betaald, te weten op 22 mei 1998, 27 juni 1998 en 27 juli 1998 steeds een bedrag van ƒ 2.500,-- en op 14 juli 1998 een bedrag van ƒ 2.000,--. Dit bedrag is door de belanghebbende op de bouwplaats uitbetaald aan de persoon (of personen), die de bouwwerkzaamheden aan de bungalow heeft (of hebben) verricht (hierna: de anonieme persoon).

2.3. Uit een handgeschreven briefje, gedateerd 15 mei 1998, blijkt dat de heer D de belanghebbende een tekening doet toekomen met daarop in het rood geschreven opmerkingen en aantekeningen. In het briefje wenst hij de belanghebbende veel succes toe met de klus. In een getypte ongedateerde brief vraagt de heer D de belanghebbende contact op te nemen met de heer E, die tekeningen en details van/over de verbouw van de bungalow heeft opgevraagd, onder andere omdat dit belangrijk was voor de Welstandscommissie.

2.4. In een op 22 mei 1998 gedateerde notitie van D aan de belanghebbende staat het volgende vermeld: ‘Betreft: voorschot groot onderhoud. Johan, hierbij een voorschot zijnde hfl 2.500,-- t.b.v. werkzaamheden aan recreatiebungalow gelegen a-weg 4A-71 te M (Drenthe)’. In een op 19 november 1999 bij de belastingdienst ingekomen brief van de heer D meldt hij dat hij belanghebbende ƒ 9.500,-- contant heeft gegeven, zijnde voorschotten onder andere voor het loon van werknemer.

2.5. In belanghebbendes administratie zijn werkbriefjes aangetroffen,

waaruit het aantal uren blijkt die de anonieme persoon in de maanden mei tot en met begin augustus 1998 heeft gewerkt tegen een uurtarief van ƒ 30,--. Het totaal van het op die briefjes uitbetaalde bedrag bedraagt ƒ 9.375,--.

2.6. Op 1 mei 2001 is de inspecteur bij de belanghebbende een onderzoek gestart naar de aanvaardbaarheid van onder ander de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1997 tot en met 1999. Tijdens het onderzoek bleek dat het door de belanghebbende contant ontvangen bedrag van ƒ 9.500,-- - waarvan de belastingdienst op de hoogte was door de op 19 november 1999 van de heer D ontvangen brief - niet als omzet was geboekt of in de kasadministratie was verantwoord. Gelet op de hiervoor onder 2.3 tot en met 2.5 vermelde feiten heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat over dit bedrag omzetbelasting verschuldigd is. Hij berekent het verschuldigde bedrag aan omzetbelasting op ƒ 1.414,-- (€ 642,--) en heeft dit bedrag – naast nog andere correcties - nageheven. Door een telfout wordt echter – naar de inspecteur ter zitting heeft erkend – ter zake een bedrag van ƒ 1.483,-- (€ 673,--) in de naheffingsaanslag begrepen. Omdat de belanghebbende voornoemd bedrag bewust buiten de boeken heeft gehouden, heeft de inspecteur een vergrijpboete opgelegd van 50% van het belastingbedrag.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de inspecteur het door de belanghebbende van de heer D ontvangen bedrag van ƒ 9.500,-- terecht in de omzetbelastingheffing heeft betrokken, alsmede of de boete terecht is opgelegd.

3.2. De belanghebbende beantwoordt beide vragen ontkennend. Hij stelt zich op het standpunt dat voornoemd bedrag is ontvangen als voorschot/waarborgsom op de geleverde bouwmaterialen en dat terugbetaling van dit bedrag aan de heer D heeft plaatsgevonden door uitbetaling van het bedrag aan door de heer D bij de verbouw van zijn bungalow ingeschakelde personen. Van extra omzet is naar zijn mening geen sprake. De opgelegde boete acht hij niet juist en opzet/grove schuld is zijns inziens niet bewezen.

3.3. De inspecteur beantwoordt de vragen bevestigend. Naar zijn mening heeft de belanghebbende de verbouwing uitgevoerd van de bungalow van de heer D. Het bedrag van ƒ 9.500,-- heeft hij ontvangen in verband met de daarmee gemoeide personeelskosten. Derhalve behoort dit bedrag zijns inziens tot de vergoeding als bedoeld in artikel 8 van de Wet. Omdat de belanghebbende bewust heeft verzuimd over dit bedrag omzetbelasting te betalen, is de boete zijns inziens terecht opgelegd. Gelet op het onder 2.6 vermelde stelt de inspecteur zich ter zitting nader op het standpunt dat de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 31,-- aan enkelvoudige belasting te hoog is berekend.

3.4. Voor een nadere onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1. Gelijk het hof heeft overwogen in de uitspraak van heden, gedaan op het door de belanghebbende op vergelijkbare gronden ingestelde beroep tegen de naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak 1 januari 1998 tot en met 31 december 1998, geregistreerd onder nummer BK 306/03, en waarvan een afschrift aan onderhavige uitspraak is gehecht en daarvan deel uitmaakt, is de belanghebbende met de heer D overeengekomen dat hij de verbouwing van de bungalow zou uitvoeren en dat hij daarbij gebruik heeft gemaakt van een persoon die tot hem in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond. Mede gelet op het feit dat het bedrag van ƒ 9.500,-- blijkens het onder 2.4 vermelde is betaald als voorschot voor onder andere het loon van de werknemer, is het hof van oordeel dat voormeld bedrag is ontvangen als vergoeding voor belanghebbendes prestatie die bestond uit de verbouw van de bungalow. Op grond van het bepaalde in artikel 8 van de Wet is over deze vergoeding omzetbelasting verschuldigd. Anders dan de belanghebbende meent is geen sprake van een prestatie zonder vergoeding. De inspecteur heeft voormeld bedrag derhalve terecht in de omzetbelastingheffing betrokken.

4.2. Evenals in de onder BK 306/03 geregistreerde zaak, hecht het hof geen geloof aan belanghebbendes stelling dat het bedrag van ƒ 9.500,-- is betaald als voorschot op de te leveren bouwmaterialen. Deze stelling is in tegenspraak met de onder 2.4 opgenomen feiten, terwijl zij eveneens niet strookt met de normale gang van zaken dat dergelijke voorschotten verrekend worden met de ter zake van de leveringen te betalen bedragen. Ook belanghebbendes opmerking dat het bedrag van ƒ 9.500,-- aan de heer D is terugbetaald door uitbetaling van dat bedrag aan de door D bij de verbouw van de bungalow ingeschakelde anonieme persoon, kan het hof niet overtuigen. Nog afgezien van het onder 4.1 overwogene, onderbouwt de belanghebbende deze stelling op geen enkele wijze. Bovendien zou in zo’n situatie een op naam gesteld bewijs van uitbetaling aan de anonieme persoon voor de hand hebben gelegen. Voor toepassing van artikel 29 van de Wet is naar het oordeel van het hof dan ook geen plaats.

4.3. Door in de hierboven weergegeven situatie het bedrag van ƒ 9.500,-- bewust buiten de aan omzetbelasting onderworpen vergoeding te houden, is het naar het oordeel van het hof aan belanghebbendes opzet te wijten dat belasting, welke op aangifte moet worden voldaan, niet is betaald. De inspecteur heeft derhalve terecht een boete opgelegd. Door deze boete te bepalen op 50 percent van het belastingbedrag heeft de inspecteur naar het oordeel van het hof een boete opgelegd die passend en geboden is. Van een pleitbaar standpunt is geen sprake.

4.4. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bedrag van ƒ 9.500,-- terecht in de omzetbelastingheffing is betrokken, zij het dat niet het correcte bedrag aan verschuldigde belasting is nageheven. In verband hiermee zal het gerechtshof de naheffingsaanslag verminderen met een bedrag van € 31,-- aan enkelvoudige belasting en € 16,-- aan boete.

5. De conclusie.

Belanghebbendes beroep is gedeeltelijk gegrond.

6. De proceskosten.

In de omstandigheden van het geval vindt het gerechtshof aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de inspecteur te veroordelen in de kosten, die de belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken. Het gerechtshof bepaalt deze kosten op € 483,-- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Daarbij is het hof uitgegaan van twee samenhangende zaken en een zwaar gewicht van de zaak. Deze kosten dienen te worden gedragen door de Staat der Nederlanden.

7. De beslissing.

Het gerechtshof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 3.027,-- aan enkelvoudige belasting en € 1.513,-- aan boete, een en ander met berekening van heffingsrente;

verstaat dat de inspecteur het door de belanghebbende betaalde griffierecht van € 116,-- aan hem vergoedt;

veroordeelt de inspecteur tot betaling aan de belanghebbende van een tegemoetkoming in de proceskosten van € 483,-- en

wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten heeft te dragen.

Aldus vastgesteld op 12 november 2004 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer en voorzitter, mr. J. Huiskes, raadsheer, en mr. J.W. Keuning, raadsheer-plaatsvervanger en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier en ondertekend door voornoemde voorzitter en griffier.

Op 17 november 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.