Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AR5770

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-11-2004
Datum publicatie
17-11-2004
Zaaknummer
BK 306/03 Loonbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of tussen de belanghebbende en de anonieme persoon een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft bestaan. Tevens is in geschil het antwoord op de vraag of de boete terecht is opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 20
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67f
Wet op de loonbelasting 1964 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/9.1.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 306/03 12 november 2004

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Noord/kantoor Emmen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen over het tijdvak van 1 januari 1998 tot en met 31 december 1998.

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1. Op 26 juni 2002 is belanghebbende een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekering opgelegd over het tijdvak van 1 januari 1998 tot en met 31 december 1998 ten bedrage van € 7.776, - aan enkelvoudige belasting. Tevens is een boete opgelegd van € 3.888,--. De verschuldigde heffingsrente is vastgesteld op € 981, -.

1.2. Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij uitspraak van 19 februari 2003 de naheffingsaanslag en de opgelegde boete gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een op 31 maart 2003 bij het gerechtshof ingekomen beroepschrift (met bijlage). De belanghebbende heeft bij brieven, binnengekomen bij het gerechtshof op 12 mei 2003 en 11 augustus 2003 (met bijlagen), zijn beroep aangevuld en nader gemotiveerd.

1.4. Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de belanghebbende een op 29 december 2003 ingekomen conclusie van dupliek ingediend en de inspecteur op 27 januari 2004 een conclusie van repliek.

1.5. Op 11 oktober 2004 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden, gehouden te Leeuwarden. Aldaar zijn verschenen de belanghebbende, zijn gemachtigde drs. A en diens collega mr. B, alsmede de inspecteur en zijn collega C.

1.6. Ter zitting heeft belanghebbendes gemachtigde de door hem voorgedragen pleitnota overgelegd.

1.7. Van alle vermelde (en hierna nog te vermelde) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting stelt het hof als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. De belanghebbende drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De ondernemingsactiviteiten bestaan uit de handel in bouwmaterialen, de verhuur van bouwmaterieel en de begeleiding van verbouwingen en nieuwbouw.

2.2. In 1998 heeft de heer D te L de belanghebbende ingeschakeld bij de verbouw van zijn recreatiebungalow aan de a-weg 4A-71 te M (hierna: de bungalow). De belanghebbende heeft in dat verband personen benaderd met het verzoek de verbouwwerkzaamheden aan de bungalow van de heer D uit te voeren. Verder heeft de belanghebbende voor een bedrag van ruim ƒ 20.000,-- aan bouwmaterialen geleverd. Deze materialen zijn door de heer D via de bank betaald. Naast voornoemd bedrag voor de bouwmaterialen heeft de heer D ook een bedrag van in totaal ƒ 9.500,-- contant aan de belanghebbende betaald, te weten op 22 mei 1998, 27 juni 1998 en 27 juli 1998 steeds een bedrag van ƒ 2.500,-- en op 14 juli 1998 een bedrag van ƒ 2.000,--. Dit bedrag is door de belanghebbende op de bouwplaats uitbetaald aan de persoon (of personen), die de bouwwerkzaamheden aan de bungalow heeft (of hebben) verricht (hierna: de anonieme persoon).

2.3. Uit een handgeschreven briefje, gedateerd 15 mei 1998, blijkt dat de heer D de belanghebbende een tekening doet toekomen met daarop in het rood geschreven opmerkingen en aantekeningen. In het briefje wenst hij de belanghebbende veel succes toe met de klus. In een getypte ongedateerde brief vraagt de heer D de belanghebbende contact op te nemen met de heer E, die tekeningen en details van/over de verbouw van de bungalow heeft opgevraagd, onder andere omdat dit belangrijk was voor de Welstandscommissie.

2.4. In een op 22 mei 1998 gedateerde notitie van D aan de belanghebbende staat het volgende vermeld: ‘Betreft: voorschot groot onderhoud. Johan, hierbij een voorschot zijnde hfl 2.500,-- t.b.v. werkzaamheden aan recreatiebungalow gelegen a-weg 4A-71 te M (Drenthe)’. In een op 19 november 1999 bij de belastingdienst ingekomen brief van de heer D meldt hij dat hij belanghebbende ƒ 9.500,-- contant heeft gegeven, zijnde voorschotten onder andere voor het loon van werknemer.

2.5. In belanghebbendes administratie zijn werkbriefjes aangetroffen, waaruit het aantal uren blijkt die de anonieme persoon in de maanden mei tot en met begin augustus 1998 heeft gewerkt tegen een uurtarief van ƒ 30,--. Het totaal van het op die briefjes uitbetaalde bedrag bedraagt ƒ 9.375,--.

2.6. Op 1 mei 2001 is de inspecteur bij de belanghebbende een onderzoek gestart naar de aanvaardbaarheid van de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1996 tot en met 1999 en omzetbelasting over het tijdvak 1997 tot en met 1999. Tijdens het onderzoek bleek dat het door de belanghebbende contant ontvangen bedrag van ƒ 9.500,-- - waarvan de belastingdienst op de hoogte was door de op 19 november 1999 van de heer D ontvangen brief - niet als omzet was geboekt of in de kasadministratie was verantwoord. Gelet op de hiervoor onder 2.3 tot en met 2.5 vermelde feiten heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat de anonieme persoon werknemer van de belanghebbende was. De verschuldigde belasting ter zake van het uitbetaalde bedrag van ƒ 9.375,-- heeft de inspecteur met toepassing van het anoniementarief berekend op ƒ 17.138,-- (€ 7.776,--). Omdat door de belanghebbende geen loonadministratie was gevoerd, heeft de inspecteur voornoemd bedrag nageheven. Tevens heeft de inspecteur een vergrijpboete opgelegd van 50% van het belastingbedrag, zijnde € 3.888,--.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of tussen de belanghebbende en de anonieme persoon een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft bestaan. Tevens is in geschil het antwoord op de vraag of de boete terecht is opgelegd.

3.2. De belanghebbende beantwoordt beide vragen ontkennend. Ter onderbouwing van zijn standpunt stelt belanghebbende dat de inspecteur niet geslaagd is in de op hem rustende bewijslast dat sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Subsidiair bestrijdt hij de aanwezigheid van loonbetaling, de verplichting persoonlijk arbeid te verrichten en de gezagsverhouding omdat niet hij, maar de heer D de opdrachtgever is. Wat betreft de boete acht hij de inspecteur niet geslaagd in het bewijs van opzet/grove schuld. Zijns inziens is sprake van een verdedigbaar standpunt.

3.3. De inspecteur beantwoordt de vragen bevestigend. De bij het boekenonderzoek geconstateerde feiten rechtvaardigen zijns inziens de conclusie dat tussen de belanghebbende en de anonieme persoon sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Hij concludeert tot handhaving van de naheffingsaanslag en van de boete.

3.4. Voor een nadere onderbouwing van de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij daaraan geen argumenten toegevoegd.

4. De rechtsoverwegingen.

4.1. Van een privaatrechtelijke dienstbetrekking is sprake, indien tussen de anonieme persoon en de belanghebbende (mondeling dan wel schriftelijk) een arbeidsovereenkomst is gesloten. Hieronder dient te worden verstaan een overeenkomst, waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten (artikel 7:610, eerste lid, BW).

4.2. Uit deze omschrijving volgt dat van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake is, indien de volgende elementen aanwezig zijn:

- er moet sprake zijn van een gezagsverhouding;

- de werknemer is verplicht tot het persoonlijk verrichten van arbeid

- gedurende een zekere tijd, en

- de werkgever heeft een verplichting tot het betalen van loon.

4.3. Gelet op de onder 2.1 tot en met 2.5 vermelde feiten, in onderling verband en samenhang bezien, is het gerechtshof van oordeel dat de inspecteur de aanwezigheid van feiten die duiden op een dienstbetrekking tussen de belanghebbende en de anonieme persoon voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Uit de feiten blijkt immers dat de belanghebbende voor de heer D een klus zou verrichten, dat hij personeel voor deze klus heeft aangezocht, bemoeienis had met de bouwtekening, daarover overleg voerde met derden en loon op de bouwplaats uitbetaalde. Daarnaast zijn in de administratie van de

belanghebbende werkbriefjes aangetroffen en heeft de belanghebbende vier keer een voorschot ontvangen ten behoeve van de werkzaamheden aan de bungalow. Uit het voorgaande leidt het hof af dat de belanghebbende met de heer D is overeengekomen dat hij de verbouwing van de bungalow zou uitvoeren en dat de belanghebbende daarbij gebruik heeft gemaakt van de diensten van een ander. Dit impliceert tevens dat de belanghebbende de mogelijkheid had om die persoon

aanwijzingen te geven, zodat van een gezagsverhouding sprake is.

Nu tevens vaststaat dat deze persoon door de belanghebbende is betaald en gedurende een zekere tijd persoonlijk arbeid heeft verricht, is het hof van oordeel dat de anonieme persoon de door hem verrichte werkzaamheden in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot belanghebbende in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 heeft verricht. Nu de belanghebbende de naam van de anonieme persoon, zelfs ter zitting, niet heeft willen prijsgeven, heeft de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag opgelegd.

4.4. Het hof hecht, gelet op het feit dat de anonieme persoon door de belanghebbende is aangezocht en werd uitbetaald, geen geloof aan belanghebbendes verklaring dat hij de naam van de anonieme persoon niet weet. Ook belanghebbendes stelling dat het bedrag van f 9.500,-- is betaald als voorschot op de te leveren bouwmaterialen, acht het gerechtshof ongeloofwaardig. Deze stelling is in tegenspraak met de onder 2.4 opgenomen feiten, terwijl zij eveneens niet strookt met de normale gang van zaken dat dergelijke voorschotten verrekend worden met de ter zake van de leveringen te betalen bedragen. Tot slot kan ook belangehebbendes opmerking dat het bedrag van ƒ 9.500,-- op verzoek van de heer D is betaald aan de anonieme persoon, het hof niet overtuigen. De belanghebbende onderbouwt deze stelling op geen enkele wijze, terwijl in die situatie een op naam gesteld bewijs van betaling aan de anonieme persoon voor de hand zou hebben gelegen.

4.5. Door in de hierboven weergegeven situatie het aan loon uitbetaalde bedrag buiten de administratie te houden, is het naar het oordeel van het hof aan belanghebbendes opzet te wijten dat belasting, welke op aangifte moet worden afgedragen, niet is betaald. De inspecteur heeft derhalve terecht een boete opgelegd. Door deze boete te bepalen op 50 percent van het belastingbedrag heeft de inspecteur naar het oordeel van het hof een boete opgelegd die passend en geboden is. Van een pleitbaar standpunt is geen sprake.

4.6. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat het gelijk aan de zijde van de inspecteur is.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 12 november 2004 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer en voorzitter, mr. J. Huiskes, raadsheer, en mr. J.W. Keuning, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag ter openbare zitting van het gerechtshof Leeuwarden uitgesproken door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier en ondertekend door voormelde voorzitter en griffier.

Op 17 november 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.