Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AR5613

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-10-2004
Datum publicatie
12-11-2004
Zaaknummer
WAHV 04-01028
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid, WAHV; De betrokkene heeft afstand gedaan van het recht om ter zitting te verschijnen. Het enkele feit dat de kantonrechter na een schriftelijke procedure een voor een betrokkene ongunstige beslissing heeft genomen brengt niet mee dat er sprake is van schending van hoor en wederhoor en dat de behandeling niet eerlijk en onpartijdig is geweest. Ontbreken van handtekening van de kantonrechter en de naam van de griffier in de afschrift van de aantekening van de beslissing van de kantonrechter in het proces-verbaal van de zitting. Geen rechtsregel schrijft voor dat een afschrift van de aantekening van de beslissing van de kantonrechter moet zijn voorzien van namen en/of handtekeningen van de kantonrechter en de griffier van de rechtbank.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 12
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 04/01028

20 oktober 2004

CJIB 19057726000

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam

van 11 mei 2004

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [plaatsnaam].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Hierbij is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep en hierbij opnieuw om vergoeding van kosten verzocht.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan Euro 70,-, of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt Euro 28,-. Op grond van het bovenstaande dient de betrokkene niet-ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.

3.2. De betrokkene wil naar het hof verstaat aanvoeren, dat zij niettegenstaande voormelde wettelijke bepaling in haar hoger beroep dient te worden ontvangen. Zij stelt in de eerste plaats dat het beginsel van hoor en wederhoor door de kantonrechter is geschonden, aangezien de kantonrechter op diverse punten niet op haar verweer is ingegaan en rauwelijks uitspraak heeft gedaan. Voorts wijst de betrokkene erop dat er sprake is van een ongeldige uitspraak, nu de handtekening van de kantonrechter en de naam van de griffier ontbreken. De betrokkene voert ook nog aan dat de wet een lacune bevat, nu bij een sanctie die niet hoger is dan Euro 70,- geen hoger beroep open staat.

3.3. Het hof is van oordeel dat, wanneer een beroep wordt gedaan op schending van zo fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging dat geen sprake is van een eerlijke en onpartijdige behandeling en dit beroep gegrond moet worden geacht, doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid , WAHV gewettigd is. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

3.4. Het beginsel van hoor en wederhoor is één van de fundamentele beginselen als hiervoor bedoeld. Uit het dossier blijkt dat de betrokkene op behoorlijke wijze voor de zitting van de kantonrechter is opgeroepen, doch dat zij kennelijk afstand heeft gedaan van haar recht ter zitting te verschijnen. De kantonrechter heeft blijkens de beslissing waarvan beroep zo niet expliciet, maar dan in elk geval impliciet de schriftelijke verweren niet gehonoreerd. Het enkele feit dat de kantonrechter na een schriftelijke procedure een voor de betrokkene ongunstige beslissing heeft genomen brengt niet mee dat er sprake is van schending van het beginsel van hoor en wederhoor en dat de behandeling niet eerlijk en onpartijdig is geweest. Dit verweer van de betrokkene faalt derhalve.

3.5. Betrokkenes beroep op het ontbreken van een handtekening van de kantonrechter en het ontbreken van de naam van de griffier kan op feitelijke gronden evenmin leiden tot de conclusie dat een fundamenteel beginsel van behoorlijke rechtspleging is geschonden. Art. 12, derde lid, WAHV schrijft voor dat de beslissing van de kantonrechter in het proces-verbaal van de zitting wordt aangetekend. De aantekening bevat de gronden waarop de beslissing berust. Een afschrift van de aantekening van de beslissing wordt toegezonden aan partijen. Ingevolge art. 15, tweede lid, WAHV zendt de griffier van de rechtbank het ingekomen beroepschrift met de stukken van het geding en een afschrift van de beslissing onverwijld ter griffie van het gerechtshof te Leeuwarden in. Niet gebleken is dat niet overeenkomstig genoemde bepalingen is gehandeld. Geen rechtsregel schrijft voor dat een afschrift van (de aantekening van) de beslissing van de kantonrechter moet zijn voorzien van namen en/of handtekeningen van de kantonrechter en de griffier van de rechtbank. Gesteld noch gebleken is dat de aantekening van de beslissing niet is ondertekend door de kantonrechter en/of de griffier van de rechtbank.

3.6. Gelet op het voorgaande is voor doorbreking van het appelverbod geen plaats.

3.7. Blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wet van 28 oktober 1999 is nadrukkelijk beoogd geen onbeperkt hoger beroep open te stellen staat bij het gerechtshof te Leeuwarden tegen beslissingen van de kantonrechter in zgn. Wet Mulderzaken. De betrokkene stelt dan ook geheel ten onrechte dat er sprake is van "een lacune in wet" in die zin dat de wetgeving op dit gebied onvolledig zou zijn. Voor zover de betrokkene wil betogen dat het appelverbod strijdig is met het recht, overweegt het hof het volgende. Het hof heeft in zijn arrest van 14 juni 2000, WAHV 00/00019 (VR 2000, 161) en ook nadien overwogen, dat het zich aansluit bij de in dat arrest opgenomen passage uit voornoemde Memorie van Toelichting, waarin uitvoerig is uiteengezet, dat art. 14, vijfde lid, van het IVBPR en art. 6 EVRM geen onbeperkt recht op een hogere voorziening toekennen in geval van bagateldelicten. In casu betreft het een dergelijk bagateldelict. Ook anderszins is er geen steun te vinden voor het standpunt van de betrokkene. Ook dit beroep van de betrokkene faalt derhalve.

3.8. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep van de betrokkene te worden verworpen. Voor een vergoeding van proceskosten is geen aanleiding. Derhalve zal het hof het verzoek om een kostenvergoeding afwijzen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verwerpt het beroep;

wijst het verzoek om een kostenvergoeding af.

Dit arrest is gewezen door mr. Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.