Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AR5556

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
05-11-2004
Datum publicatie
11-11-2004
Zaaknummer
BK 1249/02 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de volgende vragen.

- Is het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard.

- Heeft de inspecteur toezending van de aanslagen van de heer A aan de belanghebbende terecht geweigerd.

- Zijn de door de inspecteur genomen besluiten zorgvuldig tot stand gekomen.

- Leefde de belanghebbende in de onderhavige jaren duurzaam gescheiden van haar toenmalige echtgenoot, dan wel heeft de inspecteur te Amsterdam het in rechte te beschermen vertrouwen bij de belanghebbende gewekt dat hij zich op dat standpunt stelde.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 23
Algemene wet inzake rijksbelastingen 23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/9.1.3
FutD 2004-2074
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 02/1249 5 november 2004

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren van de Belastingdienst te Leeuwarden (thans de voorzitter van het managementteam Belastingdienst Noord, kantoor Leeuwarden en hierna: de inspecteur) gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de aan de heer A te L opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volks-verzekeringen (: IB/PV) voor de jaren 1996, 1997 en 1998.

1. Ontstaan en loop van het geding.

1.1. Aan de heer A zijn op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals deze wet voor de onderhavige jaren gold (: de Wet), aanslagen IB/PV opgelegd voor de jaren 1996, 1997 en 1998. De aanslagen zijn gedagtekend op respectievelijk 24 februari 1998, 18 november 1999 en 24 april 2001.

1.2. De belanghebbende heeft op 20 december 2001 een bezwaarschrift ingediend tegen voormelde aanslagen. De inspecteur heeft bij de bestreden uitspraak van 18 april 2002 belanghebbendes bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3. De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), dat op 15 mei 2002 bij het gerechtshof is ingekomen. De inspecteur heeft op 28 juni 2002 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

1.4. Bij brief van 22 september 2003 heeft de inspecteur een aanvulling op het verweerschrift (met bijlagen) ingediend. De belanghebbende heeft bij brief van 13 oktober 2003 haar als conclusie van repliek aangemerkte reactie (met bijlagen) ingediend, waarna de inspecteur op 13 november 2003 een conclusie van dupliek heeft ingediend.

1.5. De zaak is behandeld op de te Leeuwarden gehouden zitting van 25 oktober 2004. Twee eerder geplande zittingen zijn niet doorgegaan in verband met een onvolkomenheid in de oproeping en een door de belanghebbende gedaan wrakingsverzoek. Op de zitting is de inspecteur verschenen. De belanghebbende is niet verschenen. Zij is opgeroepen bij aangetekende brief met handtekening retour van 16 september 2004. Blijkens de door belanghebbende van een handtekening voorziene retourkaart heeft zij de oproep voor de zitting van 25 oktober 2004 op 6 oktober 2004 ontvangen.

1.6. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken staat tussen partijen als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, het volgende vast.

2.1. De belanghebbende, geboren op .. januari 19.., is op 9 juli 1982 gehuwd met de heer A. Dit huwelijk is op 19 mei 1998 door echtscheiding ontbonden.

2.2. In de onderhavige jaren zijn de volgende inkomens- of vermogensbestanddelen van de belanghebbende begrepen in het voorwerp van belasting waarop de IB/PV-aanslagen van de heer A betrekking hebben. Wat betreft het jaar 1998 betreft het de vóór 19 mei 1998 ontvangen rente.

1996 1997 1998

rente ƒ 9.941 ƒ 9.484 ƒ 10.019

rentevrijstelling ƒ 1.000 ƒ 1.000 ƒ 1.000

saldo ƒ 8.941 ƒ 8.484 ƒ 9.019

2.3. De heer A heeft tegen de aan hem opgelegde aanslagen

bezwaar en beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden ingesteld. De beroepschriften heeft hij ingediend in 1998, 2000 en, aangaande het jaar 1998, op 13 maart 2002. Ten aanzien van de jaren 1996, 1997 en 1998 heeft het gerechtshof - kort samengevat - overwogen dat het van oordeel is dat de heer A in die jaren niet duurzaam gescheiden van zijn toenmalige echtgenote leefde (nummers BK 1142/98, BK 52/00 en BK 641/02). De Hoge Raad heeft bij arresten van 27 september 2000 en 7 november 2003, het cassatieberoep van de heer A tegen de uitspraken voor de jaren 1996 en 1998 verworpen. Het cassatieberoep tegen de uitspraak van het gerechtshof aangaande het jaar 1997 is door de Hoge Raad (in verband met de wrakingbeslissing) gegrond verklaard en verwezen naar het gerechtshof Amsterdam.

2.4. De belanghebbende heeft voor de onderhavige jaren aangifte gedaan bij de belastingdienst te Amsterdam. De aanslagen over deze jaren zijn opgelegd met toepassing van tariefgroep IV (de belastingplichtige die de alleenstaande-ouderaftrek maar niet de aanvullende alleenstaande-ouderaftrek geniet). Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad voor het jaar 1996 heeft de inspecteur te Amsterdam de belanghebbende meegedeeld dat hij haar voor dat jaar niet als duurzaam gescheiden levend aanmerkt en de aan haar opgelegde aanslag ambtshalve zal verminderen met toepassing van tariefgroep II (de belastingplichtige die de basisaftrek maar niet de basisaftrek van een ander of de alleenstaande-ouderaftrek geniet). Op het tegen deze vermindering ingediende bezwaarschrift is op 13 oktober 2003 nog niet beslist.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1. In geschil is het antwoord op de volgende vragen.

- Is het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard.

- Heeft de inspecteur toezending van de aanslagen van de heer A aan de belanghebbende terecht geweigerd.

- Zijn de door de inspecteur genomen besluiten zorgvuldig tot stand gekomen.

- Leefde de belanghebbende in de onderhavige jaren duurzaam gescheiden van haar toenmalige echtgenoot, dan wel heeft de inspecteur te Amsterdam het in rechte te beschermen vertrouwen bij de belanghebbende gewekt dat hij zich op dat standpunt stelde.

3.2 De eerste vraag beantwoorden beide partijen thans ontkennend. De tweede en derde vraag beantwoordt de belanghebbende ontkennend en de inspecteur bevestigend. Partijen verwijzen wat betreft de tweede vraag beiden naar het bepaalde in artikel 23, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr). Ten aanzien van de derde vraag stelt de belanghebbende dat ten onrechte geen uitvoering is gegeven aan het bepaalde in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), terwijl de inspecteur meent dat aan schending van dit vormvoorschrift voorbij gegaan kan worden omdat de belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Wat betreft de laatste vraag stelt de belanghebbende zich op het standpunt dat zij in de onderhavige jaren duurzaam gescheiden van haar toenmalige echtgenoot leefde, hetgeen door de inspecteur te Amsterdam is bevestigd nu de aanslagen voor de jaren 1996, 1997 en 1998 vanuit dat standpunt zijn afgedaan. De inspecteur weerspreekt belanghebbendes standpunt en verwijst daarvoor naar het door het gerechtshof Leeuwarden ten aanzien van de heer A gegeven oordeel. Tevens geeft hij aan dat bij de inspecteur te Amsterdam geen sprake was van een bewust ingenomen standpunt.

3.3. Voor een uitgebreidere weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

Vooreerst en vooraf

4.1. Nu de heer A gelet op de onder 2.3 vermelde feiten tegen de onderwerpelijke aanslagen steeds als eerste beroep heeft ingesteld, acht het gerechtshof zich op grond van het bepaalde in artikel 8:8 van de Awb bevoegd om belanghebbendes beroep tegen de aanslagen te behandelen.

Ontvankelijkheid van het bezwaar

4.2. Gelet op hetgeen de inspecteur in zijn verweerschrift onder ‘geschilpunt 1’ naar voren heeft gebracht, is het gerechtshof van oordeel dat de inspecteur de belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar, zodat het beroep op dit punt gegrond is.

Informatieplicht

4.3. Ingevolge het bepaalde in artikel 23, lid 2, van de Awr kan een bezwaarschrift mede worden ingediend door degene van wie inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van de belasting waarop de aan een ander opgelegde aanslag betrekking heeft. Het derde lid bepaalt dat de inspecteur de belanghebbende desgevraagd op de hoogte stelt van de gegevens met betrekking tot de aanslag voor zover deze gegevens voor het maken van bezwaar redelijkerwijs van belang kunnen zijn.

4.4. Voornoemde regeling is in de wet opgenomen om te voorkomen dat de echtgenoot van wiens zijde de inkomstenbestanddelen zijn opgekomen, en die zich wenst te keren tegen een aan de andere echtgenoot opgelegde aanslag, geen recht van bezwaar en beroep zou hebben. Hieruit leidt het hof af dat het recht van bezwaar en beroep zich dient te beperken tot de van de zijde van die echtgenoot opgekomen inkomens- en vermogensbestanddelen, zodat desgevraagd ook alleen de daarvoor noodzakelijke gegevens verschaft hoeven te worden. De inspecteur heeft derhalve toezending van de aanslagen van de heer A aan de belanghebbende terecht geweigerd nu daarvan niet gezegd kan worden dat zij voor het maken van bezwaar redelijkerwijs van belang kunnen zijn.

Zorgvuldigheid van de besluiten

4.5. Voor zover de belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld door haar niet te horen voordat de aanslagen aan de heer De Vries werden opgelegd, merkt het gerechtshof het volgende op. Ingevolge het bepaalde in artikel 8, lid 2, van de Awr is het doen van aangifte geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, lid 3, van de Awb. Dit betekent dat de aanslag ambtshalve wordt opgelegd. De hoorplicht, als bedoeld in artikel 4:8 van de Awb, is alsdan niet van toepassing.

4.6. Voor zover de belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat zij niet is gehoord naar aanleiding van het door haar ingediende bezwaarschrift, wijst het hof op het bepaalde in artikel 25, lid 4, van de Awr, waaruit blijkt dat in belastingzaken slechts wordt gehoord op verzoek. Uit de gedingstukken blijkt niet dat de belanghebbende op enig moment een dergelijk verzoek heeft gedaan, zelfs niet nadat de inspecteur haar bij brief van 15 maart 2002 had gewezen op het recht gehoord te worden.

Aangaande het eigenlijke geschil

4.7. Het gerechtshof heeft bij de onder 2.3 genoemde uitspraken geoordeeld dat de heer A niet duurzaam gescheiden leefde van zijn toenmalige echtgenote (de belanghebbende). De Hoge Raad heeft de cassatieberoepen van de heer A tegen de uitspraken over de jaren 1996 en 1998 verworpen. Het gerechtshof heeft in het onderhavige beroep, nu de belanghebbende in de van haar afkomstige stukken niets heeft aangedragen omtrent de feitelijke situatie, geen grond aanwezig bevonden om zich in zijn oordeel niet aan te sluiten bij voormelde uitspraken en arresten, zodat het gelijk wat betreft het standpunt van het duurzaam gescheiden leven aan de inspecteur is en de onder 2.2 genoemde rentebedragen – nu de overige vereisten niet in geschil zijn – terecht als bestanddelen van het inkomen van de heer A zijn aangemerkt.

De omstandigheid dat de inspecteur te Amsterdam bij de vaststelling van belanghebbendes aanslagen voor de in geding zijnde jaren is uitgegaan van de situatie van duurzaam gescheiden leven, rechtvaardigt geen andere conclusie. Belanghebbende heeft tegenover de gemotiveerde weerspreking door de inspecteur namelijk op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat sprake was van een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur te Amsterdam. Het enkel volgen van de aangifte kan niet als zodanig gelden.

4.8. Het beroep van belanghebbende is gelet op het onder 4.2 vermelde, gegrond.

5. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het gerechtshof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

verklaart de belanghebbende ontvankelijk in haar bezwaar;

handhaaft de aanslagen voor de jaren 1996, 1997 en 1998 zoals deze uiteindelijk ten name van de heer A zijn vastgesteld;

verstaat dat de inspecteur het griffierecht van € 29,-- aan de belanghebbende vergoedt.

Gedaan op 5 november 2004 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer, lid van zesde enkelvoudige belastingkamer, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong als griffier en ondertekend door voornoemde raadsheer en de griffier.

Op 10 november 2004 afschrift

per aangetekende post verzonden aan beide partijen.