Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AR5212

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-10-2004
Datum publicatie
04-11-2004
Zaaknummer
WAHV 03-01238
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gebruik van de vluchtstrook als uitvoegstrook is evenmin als het benutten van de vluchtstrook als verlengde invoegstrook te brengen onder een noodgeval in de zin van art. 43, derde lid, RVV 1990.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 03/01238

6 oktober 2004

CJIB 79051552879

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam

van 19 augustus 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde]

1. De inhoud van het arrest van het hof van 11 maart 2004 wordt hier overgenomen.

2. Het verdere procesverloop

Bij brief van 22 maart 2004 heeft de advocaat-generaal nadere informatie in het geding gebracht.

Mr. De Groot is in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaak.

Nadien heeft de voorzitter de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

3. De verdere beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van Euro 144,- opgelegd ter zake van "als weggebruiker buiten noodzaak over de vluchtstrook of vluchthaven rijden", welke gedraging zou zijn verricht op 5 april 2002 om 09.05 uur op de A9 in Amstelveen. De bij deze gedraging behorende feitcode is R465A.

3.2. De gemachtigde, die ten tijde van de gedraging de bestuurder van het voertuig was, erkent ten tijde van de gedraging over de vluchtstrook te hebben gereden. De gemachtigde stelt zich echter op het standpunt dat de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken dan wel dat deze aanleiding geven tot het opleggen van een lager bedrag van de administratieve sanctie. Hiertoe wordt het volgende aangevoerd. Sedert 2 april 2002 is de gemachtigde werkzaam in Amstelveen met als gevolg dagelijks woon-/werkverkeer van Zeist naar Amstelveen, waarbij de gemachtigde vóór de afrit "Ouderkerk aan de Amstel/Amstelveen-Oost" gebruik maakt van de A9. In de ochtenduren staat er vaak een lange file bij de afslag. Soms vormt die file zich reeds op de autosnelweg, hetgeen tot een gevaarlijke situatie leidt. Dit is dan ook de reden dat weggebruikers die de afslag moeten nemen vaak al op de vluchtstrook gaan staan teneinde het rechtdoorgaande verkeer niet onnodig te hinderen en potentieel gevaarlijke situaties te vermijden. Mede als gevolg hiervan ontstaat er een file van auto's die aan het einde van de afslag rechtsaf willen slaan en die al vroegtijdig gebruik maken van de vluchtstrook teneinde de weggebruikers die aan het einde van de afslag linksaf willen slaan niet onnodig te hinderen. Het voorgaande is mede een gevolg van het feit dat deze afrit tot enkele meters voor het einde daarvan slechts één rijstrook heeft. Op de in het geding zijnde datum was er sprake van een file op de afrit en heeft de gemachtigde zich omwille van de verkeersveiligheid en het fatsoen richting medeweggebruikers aangepast aan de verkeerssituatie en de handelwijze van tientallen andere automobilisten ter plaatse en derhalve gebruik gemaakt van de vluchtstrook. De gemachtigde vraagt zich af hoe in deze situatie te handelen, indien geen gebruik van de vluchtstrook wordt gemaakt. Verder is de betrokkene van mening dat de overheid als wegbeheerder ervoor dient te zorgen dat een weggebruiker op fatsoenlijke wijze kan uitvoegen.

3.3. De in feitcode R465A vermelde gedraging is een overtreding van art. 43, derde lid, RVV 1990. Deze bepaling luidt als volgt: "Behoudens in noodgevallen is het de weggebruikers verboden op een autosnelweg of autoweg gebruik te maken van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm.". Uit het gebruik van het woord "noodgevallen" en uit de wetsgeschiedenis blijkt, dat het gebruik van de vluchtstrook slechts in incidentele gevallen van urgente aard de weggebruiker vrijstaat. De Nota van toelichting op het RVV 1990 houdt in hoofdstuk X, "Belangrijke veranderingen" in dit verband onder meer in:

"Het RVV 1990 bevat naast vele mindere belangrijke wijzigingen, die per artikel worden belicht, enkele opmerkelijke nieuwe regelingen. Ze worden hier in het kort weergegeven. 1. Het gebruik van de vluchtstrook (artikel 43).

Weggebruikers op autowegen en autosnelwegen mogen slechts in noodgevallen gebruik maken van vluchtstrook, vluchthaven of berm. Hier gaat het met name om de vluchtstrook. In het RVV 1990 is namelijk niet alleen het parkeren op de vluchtstrook aan banden gelegd maar ook het berijden ervan. (...) Het nieuwe RVV verbiedt nu ook het rijden op de vluchtstrook uitdrukkelijk. Tegen het irritante gebruik van de vluchtstrook bij filevorming kan nu dus zonder meer worden opgetreden. Bij het invoegen ligt de zaak anders. Verscheidene organisaties adviseren automobilisten van de vluchtstrook gebruik te maken als het invoegen vanaf de invoegstrook niet lukt. Hoewel voor dat advies begrip bestaat, wordt aan deze praktijk toch een einde gemaakt. Waarom? De vluchtstrook is primair bestemd voor pechgevallen. Men treft er vaak auto's aan waaraan gesleuteld wordt. Het is noch voor de inzittenden van een pechvoertuig, noch bijvoorbeeld voor een wegenwacht die ermee bezig is, een prettig idee dat er elk ogenblik een auto op ze af kan stormen die bezig is om snelheid te maken. De meeste invoegstroken zijn lang genoeg om zonder problemen te kunnen invoegen. En als er een file staat blijken de meeste bestuurders bereid er anderen tussen te laten. Volledigheidshalve is vermeld dat het berijden van de vluchtstrook in noodgevallen is toegestaan (artikel 43, derde lid, RVV 1990). Men kan daarbij denken aan een invoegende automobilist die plotseling geconfronteerd wordt met iemand die op de hoofdrijbaan snelheid maakt.".

Het gebruik van de vluchtstrook als uitvoegstrook is evenmin als het benutten van de vluchtstrook als verlengde invoegstrook te brengen onder een noodgeval in de zin van deze bepaling. Immers, ook in die omstandigheden wordt de vluchtstrook onttrokken aan de bestemming, zoals hierboven weergegeven. Derhalve staat vast dat de gedraging is verricht.

3.4. Bij de beoordeling van de vraag of de omstandigheden van het geval het opleggen van een sanctie niet billijken dan wel dat deze aanleiding zouden moeten geven tot matiging van de sanctie stelt het hof het volgende voorop.

3.5. Bij de invoering van het RVV 1990 is in vergelijking met het RVV 1966 als uitgangspunt gekozen, dat niet voor iedere denkbare situaties concrete voorschriften worden beoogd, maar dat de wetgeving moet worden beperkt tot de basisregels. De nota van toelichting op het RVV 1990 houdt in dit verband onder meer in: "Bij het opstellen van het RVV 1990 is geprobeerd een evenwicht te vinden tussen wat voorgeschreven moet worden en wat aan het inzicht van de verkeersdeelnemers overgelaten dient te worden. De optelsom moet zijn: een veilig en ordelijk verloop van het verkeer. Zo is er een aantal basisregels uit de bus gekomen waaraan in beginsel onder alle omstandigheden moet worden voldaan". De wetgever heeft bij het streven naar een veilig en ordelijk verloop van het verkeer dus een duidelijke afweging gemaakt tussen enerzijds hetgeen aan het eigen inzicht van de verkeersdeelnemers kan worden overgelaten en anderzijds datgene dat in een aantal basisregels wordt vastgelegd, die niet voor nadere interpretatie door de verkeersdeelnemer vatbaar zijn. Dat brengt mee, dat de opvatting, dat een veilig en ordelijk verloop van het verkeer ter plaatse beter gediend zou zijn met het gebruik van de vluchtstrook als uitvoegstrook niet kan leiden tot het terzijde schuiven van het in art. 43, derde lid, RVV 1990 geformuleerde verbod.

3.6. Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel, dat niet kan worden gezegd dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden het opleggen van een sanctie niet billijken.

3.7. In aanmerking nemende dat de gemachtigde een principieel verweer heeft gevoerd, dat de gemachtigde vanaf 2 april 2002 in verband met woon-werkverkeer ter plaatse van de gedraging de afrit van de A9 diende te nemen en dat aan hem in korte tijd, te weten op 5 en op 9 april 2002 ter zake van dezelfde gedraging een sanctie is opgelegd, ziet het hof aanleiding om de sanctie te halveren.

3.8. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter, de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking wijzigen in die zin dat de sanctie wordt vastgesteld op een bedrag van Euro 72,-. Aangezien de betrokkene deels in het gelijk wordt gesteld, ziet het hof aanleiding om de advocaat-generaal te veroordelen in de proceskosten. Voor vergoeding komen in aanmerking de kosten die verband houden met het verschijnen van mr. De Groot ter zitting van het hof. Aan het verschijnen ter zitting van mr. De Groot dient één punt te worden toegekend. Blijkens de Bijlage bij het Besluit is de waarde per punt Euro 322,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Voorts is het hof van oordeel, dat in casu sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in art. 3 van het Besluit, nu namens de betrokkene gelijktijdig tegen twee beslissingen van de kantonrechter op vergelijkbare gronden beroep is ingesteld. Een en ander betekent dat de onderhavige zaak en de zaak met registratienummer WAHV 03/01239 voor de toepassing van (art. 2 van) het Besluit als één zaak worden beschouwd. Derhalve kan ter zake een bedrag van Euro 80,50 (= Euro 161,- :2) worden vergoed. Gelet op het bepaalde in art. 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen ook de reiskosten die de gemachtigde heeft gemaakt in verband met het bijwonen van de zitting van de kantonrechter en het hof voor vergoeding in aanmerking. Ingevolge art. 2, eerste lid, aanhef en onder c, van voormeld Besluit jo art. 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 worden reiskosten berekend naar het tarief per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Het hof zal daarom ter zake van reiskosten (Zeist-Amsterdam vv en Zeist-Leeuwarden vv) aan de gemachtigde een bedrag toekennen van Euro 47,80.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

wijzigt de beslissing van de kantonrechter, de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking in die zin dat de sanctie wordt vastgesteld op een bedrag van Euro 72,-;

bepaalt dat de helft van hetgeen door de gemachtigde van de betrokkene op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van Euro 72,-, door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, begroot op Euro 128,30, over te maken naar de bankrekening van de gemachtigde van de betrokkene.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Dijk, als voorzitter, Dijkstra en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.