Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AR5159

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
29-10-2004
Datum publicatie
04-11-2004
Zaaknummer
BK 86/04 Parkeerbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of aan belanghebbende terecht een naheffingsaanslag parkeerbelasting is opgelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 20
Gemeentewet 225
Gemeentewet 234
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2005/272
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK-04/00086 29 oktober 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, derde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van

X wonende te Z (: de belanghebbende)

tegen de uitspraak van

de algemeen directeur van de Dienst Informatie en Administratie van de gemeente Groningen (: de directeur),

gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde naheffingsaan-slag parkeerbelasting.

1. Het procesverloop

1.1. Aan belanghebbende is op 21 november 2003 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

1.2. Tegen deze naheffingsaanslag heeft belanghebbende bij een op 18 december 2003 bij de directeur binnengekomen bezwaarschrift bezwaar gemaakt.

1.3. Bij uitspraak van 22 december 2003 heeft de directeur het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

1.4. Van deze uitspraak is belanghebbende bij een op 30 januari 2004 het hof binnengekomen beroepschrift in beroep gekomen.

1.5. Het verweerschrift van de directeur is op 18 mei 2004 bij het hof binnengekomen.

1.6. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 27 augustus 2004, gehouden te Groningen, alwaar aanwezig waren de belanghebbende en de gemachtigde van de directeur.

1.7. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1. Op 21 november 2003 stond om 13.21 uur een voertuig met het kenteken 00-TT-YY geparkeerd aan de Hereweg te Groningen.

2.2. De Hereweg is gelegen in de Herewegbuurt, welke buurt op grond van de Verordening parkeerbelasting 1991 van de gemeente Groningen is aangewezen als zone waar tegen betaling kan worden geparkeerd.

2.3. Aan het begin van alle toegangswegen naar de zone zijn verkeersborden geplaatst met de aanduiding dat een parkeerzone wordt binnen gereden.

2.4. Omdat niet kon worden geconstateerd dat parkeerbelasting was voldaan is aan het voertuig een naheffingsaanslag parkeerbelasting

achtergelaten.

2.5. De naheffingsaanslag heeft belanghebbende onder een ruitenwisser van haar auto aangetroffen.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of aan belanghebbende terecht een naheffingsaanslag parkeerbelasting is opgelegd.

3.2. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend.

3.3. De directeur beantwoordt deze vraag bevestigend.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1. Naar het oordeel van het hof wordt gelet op de feiten een automobilist door middel van bebording voldoende duidelijk gemaakt dat hij een zone binnenrijdt waar betaald parkeren van kracht is. De Hereweg is gelegen in een zodanige zone.

4.2. Volgens de belanghebbende heeft zij geen borden kunnen waarnemen met een aanduiding van de aanwezigheid van een parkeermeter.

4.3. Nu uit een door de directeur overgelegde plattegrond van de buurt waarin de Hereweg is gelegen blijk geeft van de plaats van de door de gemeente geplaatste aanduidingsborden en van een tweetal parkeermeters, op grond waarvan belanghebbende op de hoogte had kunnen zijn van het geldende parkeerregime, faalt vorengenoemde grief van belanghebbende.

De bestreden naheffingsaanslag is naar het oordeel van het hof dan ook niet ten onrechte opgelegd.

4.4. Het beroep is gelet op het voorgaande ongegrond.

5. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het hof:

verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan door mr Drion, raadsheer als voorzitter, lid van de derde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de heer Haarsma als griffier en in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden op 29 oktober 2004 door de voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier.

Afschrift per aangetekende post

aan partijen verzonden op: 3 november 2004