Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AR4753

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
20-10-2004
Datum publicatie
29-10-2004
Zaaknummer
Rekestnummer 0400061
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag over minderjarigen, omgansgregeling, verstoorde verhoudingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 20 oktober 2004

Rekestnummer 0400061

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Beschikking in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats appelant],

appellant,

hierna te noemen: de man,

procureur mr V.M.J. Both,

advocaat mr H.M.J. Offermans,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats geintimeerde],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr N.H.M. Poort.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 26 november 2003 heeft de rechtbank te Leeuwarden

- afgewezen het verzoek van de man om te bepalen dat hij voortaan alleen belast zal zijn met het gezag over de minderjarigen [de oudste dochter], geboren op [geboortedatum], en [de jongste dochter], geboren op [geboortedatum];

- afgewezen het verzoek van de man de hoofdverblijfplaats van voornoemde minderjarigen te wijzigen en voortaan bij hem te bepalen;

- toegewezen het verzoek van de vrouw in die zin dat de omgangsregeling tussen de man en voormelde minderjarigen voorlopig, dat wil zeggen tot de rechter een nadere beslissing zal hebben genomen, zal worden opgeschort;

- verstaan dat de beslissingen tot zover genomen eindbeslissingen zijn in de zin van artikel 358 Rv waarvan afzonderlijk hoger beroep open staat;

- en de zaak, in afwachting van de uitkomsten van nader overleg tussen partijen en een nadere standpuntbepaling ten aanzien van de omgang, verwezen naar de terechtzitting van 6 mei 2004 en iedere verdere beslissing aangehouden.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 25 februari 2004, heeft de man verzocht de beschikking van 26 november 2003 te vernietigen en opnieuw beslissende

- primair, onder wijziging van de beschikking van 30 oktober 2002 van de rechtbank te Leeuwarden, de man, met uitsluiting van de vrouw, alleen te belasten met het gezag over de minderjarigen [de oudste dochter] en [de jongste dochter], het hoofdverblijf van deze minderjarigen te bepalen bij de man en een omgangsregeling vast te stellen tussen de beide minderjarigen en de vrouw in die zin dat de vrouw en de kinderen omgang zullen hebben, éénmaal per veertien dagen vanaf vrijdagmiddag 18.00 uur tot zondagmiddag 18.00 uur, alsmede gedurende de helft van de vakanties en de feestdagen waarbij de man de kinderen voor de omgangsregeling op vrijdag zal brengen naar en op zondag zal halen uit [plaats] en de vrouw de kinderen op vrijdag zal halen uit en op zondag zal brengen naar [plaats];

- althans thans (en voorheen meer) subsidiair de vrouw te bevelen mee te werken aan de omgangsregeling zoals deze door de rechtbank bij beschikking van 30 oktober 2002 is opgelegd, op straffe van verbeurte van een dwangsom van Euro 1.000,- per overtreding;

- en af te wijzen het zelfstandig verzoek van de vrouw tot schorsing van de omgangsregeling tussen de man en de beide minderjarigen;

- althans een zodanige beslissing te nemen als het hof zal vermenen te behoren;

- kosten rechtens.

De vrouw heeft ter zitting verweer gevoerd tegen het door de man in hoger beroep verzochte.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een fax-bericht van 14 juni 2004 van mr Poort met bijlagen.

Van de minderjarige [de oudste dochter] is op 25 mei 2004 een brief ingekomen ter griffie van het hof.

Ter zitting van 15 juni 2004 is de zaak behandeld.

De beoordeling

* het verweer ter zitting

1. Anders dan de man kennelijk ingang wil doen vinden, acht het hof de omstandigheid dat de vrouw er voor heeft gekozen mondeling ter zitting -aan de hand van een pleitnota- verweer te voeren, niet in strijd met een goede procesorde. De (procedurele) gang van zaken in een verzoekschriftprocedure laat toe dat een in het beroepschrift genoemde belanghebbende die wordt opgeroepen voor de mondelinge behandeling in hoger beroep en ter zitting verschijnt, alsdan door de rechter in de gelegenheid wordt gesteld zijn verweer mondeling naar voren te brengen. Het hof heeft daarbij voorts in aanmerking genomen dat het standpunt van de vrouw in hoger beroep niet afwijkt van het standpunt zoals door de vrouw in eerste aanleg verwoord.

* het fax-bericht van 14 juni 2004

2. De man heeft ter zitting in hoger beroep bezwaar gemaakt tegen het door de vrouw in het geding gebrachte fax-bericht van 14 juni 2004 met bijlagen nu dit fax-bericht een dag voor de behandeling ter zitting in hoger beroep is overgelegd. Hij acht het in strijd met een goede procesorde dat het hof van dit fax-bericht en de daarbij behorende bijlagen kennisneemt.

3. Het hof is van oordeel dat op de inhoud van het fax-bericht van 14 juni 2004 met bijlagen acht kan worden geslagen, nu deze stukken een dag voor de behandeling ter zitting aan (de procureur van) de man zijn gezonden en de aard en de omvang van die stukken voor de man geen beletsel vormen om van de inhoud daarvan kennis te nemen en daarop tijdens de behandeling ter zitting in hoger beroep te reageren.

* vaststaande feiten

4. Partijen zijn op [datum] in het huwelijk getreden. Uit dit huwelijk zijn geboren de minderjarigen [de oudste dochter] (hierna [de oudste dochter]) op [geboortedatum] en [de jongste dochter] (hierna [de jongste dochter]) op [geboortedatum]. In augustus 1998 heeft de vrouw met de minderjarigen [de oudste dochter] en [de jongste dochter] de echtelijke woning verlaten. Bij beschikking van 30 december 1998 zijn de minderjarigen -in het kader van de voorlopige voorzieningen- toevertrouwd aan de vrouw.

5. Bij beschikking van 10 februari 1999 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

6. Bij voormelde beschikking van 10 februari 1999 is de beslissing betreffende het gezag over de minderjarigen en de omgangsregeling aangehouden, waarna de rechtbank bij beschikking van 24 maart 1999 aan de raad voor de kinderbescherming heeft opgedragen onderzoek te doen naar het gezag en de omgang.

7. Bij beschikking van 30 oktober 2002 heeft de rechtbank te Leeuwarden -na onderzoek van en advisering door de raad voor de kinderbescherming en na bemiddeling door een deskundige- verstaan dat partijen gezamenlijk het gezag over de beide minderjarigen [de oudste dochter] en [de jongste dochter] blijven uitoefenen en bepaald dat de beide minderjarigen hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben. Daarnaast heeft de rechtbank in die beschikking van 30 oktober 2002 een omgangsregeling tussen de man en de beide minderjarigen vastgesteld in die zin dat de minderjarigen een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag tot en met zondagmiddag bij de man zullen verblijven alsmede de helft van de schoolvakanties en de feestdagen.

8. Bij inleidend verzoekschrift heeft de man verzocht de beschikking van 30 oktober 2002 van de rechtbank te Leeuwarden te wijzigen en hem voortaan alleen te belasten met het gezag over de minderjarigen [de oudste dochter] en [de jongste dochter] en het hoofdverblijf van de beide minderjarigen voortaan te bepalen bij hem en een omgangsregeling vast te stellen tussen de vrouw en de beide minderjarigen.

9. De vrouw heeft in eerste aanleg bij haar verweerschrift een zelfstandig verzoek gedaan strekkende tot opschorting van de bij de beschikking van 30 oktober 2002 vastgestelde omgangsregeling tussen de man en de beide minderjarigen in afwachting van een nader onderzoek van de raad voor de kinderbescherming naar de mogelijkheden tot voortzetting van een omgangsregeling tussen de man en minderjarigen.

10. De rechtbank heeft bij haar beschikking van 26 november 2003 afgewezen de inleidende verzoeken van de man om hem alleen te belasten met het gezag over de beide minderjarigen [de oudste dochter] en [de jongste dochter] en de hoofdverblijfplaats van deze beide minderjarigen te bepalen bij hem. De rechtbank heeft bij voormelde beschikking van 26 november 2003 voorts ten aanzien van de bij beschikking van 30 oktober 2002 vastgestelde omgangsregeling tussen de man en voormelde minderjarigen bepaald dat deze omgangsregeling voorlopig, dat wil zeggen tot de rechter een nadere beslissing zal hebben genomen, zal worden opgeschort en iedere verdere beslissing op dit punt aangehouden in afwachting van de uitkomsten van nader overleg tussen partijen en een nadere standpuntbepaling ten aanzien van de omgang.

* met betrekking tot het gezag over de minderjarigen en het hoofdverblijf van de minderjarigen

inleiding

11. In zijn inleidend verzoek -welk verzoek de man in hoger beroep heeft herhaald- heeft de man verzocht de beschikking van 30 oktober 2002 van de rechtbank te Leeuwarden te wijzigen en hem voortaan alleen te belasten met het gezag over de minderjarigen [de oudste dochter] en [de jongste dochter] en het hoofdverblijf van de beide minderjarigen voortaan te bepalen bij hem.

12. Ingeval het hof mocht beslissen het gezamenlijk gezag van partijen te wijzigen en het gezag over de minderjarigen [de oudste dochter] en [de jongste dochter] alleen aan de man toe te kennen, heeft de man uit hoofde van dit eenhoofdig gezag de bevoegdheid te bepalen dat de beide kinderen bij hem hun hoofdverblijf zullen hebben. In dat geval heeft de man geen belang bij zijn -als nevenschikkend gepresenteerd- verzoek om voorts het hoofdverblijf van de minderjarigen bij hem te bepalen. Het verzoek van de man om het hoofdverblijf van de minderjarigen bij hem te bepalen is in juridische zin slechts relevant wanneer het hof mocht oordelen dat er geen reden is om het gezamenlijk gezag van partijen over de minderjarigen te wijzigen in het eenhoofdig gezag van de man.

13. In het licht van het vorenstaande, begrijpt het hof het inleidend verzoek van de man aldus, dat hij -in zoverre onder wijziging van de beschikking van 30 oktober 2002- verzoekt:

- primair -op de voet van artikel 1:253n BW- om hem alleen te belasten met het gezag over de beide minderjarige kinderen [de oudste dochter] en [de jongste dochter];

- en subsidiair, voor zover het hof mocht afwijzen het (primaire) verzoek van de man om het gezag over de beide minderjarigen aan hem alleen toe te kennen, -op de voet van artikel 1:253a BW- het hoofdverblijf van de minderjarigen te bepalen bij hem.

de standpunten

14. De man stelt dat er voldoende redenen zijn om het gezag over de kinderen aan hem alleen op te dragen dan wel het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen. De man voert hiertoe aan dat de vrouw de omgangsregeling tussen hem en de kinderen zoals deze is vastgelegd in de beschikking van de rechtbank van 30 oktober 2002 -welke omgangsregeling is tot stand gekomen na uitgebreid onderzoek van de raad voor de kinderbescherming en na langdurige bemiddeling door een deskundige- reeds drie maanden na die beschikking heeft stopgezet. De man wijst er op dat de vrouw ook tijdens het raadsonderzoek en de bemiddeling een aantal malen de -vaak moeizaam weer op gang gekomen- omgang heeft stopgezet op de momenten waarop zij meende zich dat te kunnen/mogen permitteren. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw als ouder die verantwoordelijk is voor de (dagelijkse) verzorging en opvoeding van de kinderen, ook verantwoordelijk is voor een goede omgangsregeling tussen de kinderen en hun vader. De vrouw is daartoe, naar de mening van de man, kennelijk niet in staat. De man meent dat het weigeren mee te werken aan c.q. het frustreren van een loyale omgang van de kinderen met de andere ouder het reële gevaar meebrengt dat er (in de toekomst) psychische en/of psychiatrische problemen bij de kinderen kunnen ontstaan. Dit zou, in de visie van de man, reden moeten zijn om het gezag toe te kennen aan de ouder die daartoe wel in staat zal zijn. De man verklaart dat hij bereid is een goede omgang tussen de vrouw en de kinderen te waarborgen. De man is dan ook van mening dat het gezag over de kinderen aan hem alleen dient toe te komen. Hij heeft zijn werk aan huis en kan, samen met zijn nieuwe partner, de verzorging en opvoeding van de kinderen ter hand nemen. Hij geeft hierbij aan dat hij nog in de voormalige echtelijke woning woont en dat de kinderen in deze omgeving nog steeds hun vriendinnen hebben.

15. De vrouw voert hiertegen aan dat de houding en het gedrag van de man jegens haar de redenen zijn geweest om de omgangsregeling tussen de man en de beide minderjarigen (een aantal malen) stop te zetten. De man is, aldus de vrouw, niet in staat op een juiste wijze met de vrouw te communiceren over de aangelegenheden die de kinderen betreffen. De man betrekt de kinderen in zijn strijd met de vrouw. In de visie van de vrouw onderkent de man onvoldoende dat zijn houding en gedragingen jegens haar en de wijze waarop hij over haar tegen de kinderen spreekt, confronterend en belastend zijn voor de kinderen. De vrouw wijst er voorts op dat de beide minderjarigen inmiddels bijna zes jaar bij haar verblijven en geworteld en gehecht zijn in hun huidige woonomgeving. De vrouw heeft haar werk en de zorg voor de kinderen goed geregeld. Zij beschikt over voldoende pedagogische kwaliteiten en geeft de kinderen de nodige zorg en aandacht. De vrouw betwijfelt of de man, gezien zijn boosheid ten opzichte van haar en de wijze waarop hij daaraan ook tegenover de kinderen uiting geeft, beter dan de vrouw in staat is de verzorging en opvoeding van de kinderen op zich te nemen. De vrouw acht onvoldoende reden aanwezig om het gezag over de kinderen aan de man alleen toe te kennen althans om de woon- en verblijfplaats van de kinderen voortaan te bepalen bij de man.

de overwegingen

16. Vast staat dat de vrouw de minderjarigen [de oudste dochter] en [de jongste dochter] -na het feitelijk uiteengaan van partijen in augustus 1998- verzorgt en opvoedt. De vrouw heeft haar werkzaamheden en de zorg voor de kinderen op elkaar afgestemd waarbij de kinderen buiten de schooltijden, indien dit gelet op het werk van de vrouw nodig is, worden opgevangen.

17. Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat de vrouw in haar verzorgende en opvoedende taken jegens de kinderen tekort is geschoten dan wel tekort schiet.

18. Naar het oordeel van het hof zal de met de door de man -primair- verzochte wijzing van het gezag over de kinderen gepaard gaande wijziging van het gewone verblijf van de kinderen bij de vrouw in dat bij de man, voorts een ingrijpende verandering van de leefsituatie van de minderjarigen meebrengen. De minderjarigen zullen van hun huidige woonplaats [woonplaats geintimeerde] naar [woonplaats appelant] verhuizen en daarmee hun eigen vertrouwde -sociale- omgeving waaronder school, vriendjes en vriendinnetjes en (sport)verenigingen moeten verlaten. De omstandigheid dat de man nog steeds in [woonplaats appelant] woont in de voormalige echtelijke woning en dat de kinderen ook daar nog vriendjes en vriendinnetjes hebben, doet aan het vorenstaande niet af

19. Het hof onderkent dat tot de elementen van een goede gezagsuitoefening van de ouder die de dagelijkse verzorging en opvoeding van het kind draagt in beginsel ook kan worden gerekend het loyaal meewerken aan de uitvoering van een omgangsregeling en het stimuleren van het kind tot instandhouding van de contacten met de andere (gezags)ouder. In een uiterst geval zou een stelselmatige boycot van de uitvoering van een omgangsregeling waardoor de (jongere) kinderen in feite worden afgehouden van contact met de andere ouder -in welk geval kan worden geoordeeld dat de ouder die belast is met de dagelijkse verzorging en opvoeding van de kinderen, niet optreedt in het belang van de kinderen- reden kunnen zijn voor gezagswijziging (dan wel voor een wijziging in het hoofdverblijf van de kinderen).

20. Bezien in het licht van hetgeen hierna in rechtsoverweging 27 is overwogen met betrekking tot de slechte communicatie en de verstoorde verhoudingen tussen de ouders en hun daaruit voortvloeiende jarenlange strijd, ziet het hof in de omstandigheid dat de omgang tussen de man en de beide minderjarige kinderen in het verleden niet regelmatig is verlopen en sedert februari 2003 niet meer plaatsvindt, geen aanleiding het gezag over de kinderen voortaan toe te kennen aan de man alleen dan wel het hoofdverblijf van de kinderen voortaan te bepalen bij de man.

21. Hierbij merkt het hof nog op dat op voorhand niet aannemelijk is dat een wijziging van het gezag over de kinderen in die zin dat het gezag over de kinderen wordt toegekend aan de man alleen dan wel een wijziging van het hoofdverblijf van de kinderen in die zin dat het hoofdverblijf van de kinderen wordt bepaald bij de man, zal leiden tot een blijvende verbetering in de communicatie en verstandhouding tussen partijen.

22. Gelet op al het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat het niet in het belang van de minderjarigen is om de man -zoals door hem primair is verzocht- met het gezag over de minderjarigen te belasten dan wel -zoals door de man subsidiair is verzocht- het hoofdverblijf van de minderjarigen voortaan te bepalen bij de man.

* de schorsing van de omgangsregeling

de standpunten

23. De man stelt dat een slechte verstandhouding tussen de ouders na scheiding niet ongebruikelijk is en dat dit op zich onvoldoende is om de omgangsregeling tussen hem en de beide kinderen (zij het dan ook voorlopig) te schorsen. De man is van mening dat hij mag verwachten dat de vrouw zich aan een door de rechter vastgestelde omgangsregeling zal houden. Hij ziet problemen tussen partijen ontstaan omdat de vrouw zich niet aan deze omgangsregeling houdt. De vrouw gedraagt zich -aldus de man - ten onrechte als degene die feitelijk kan en mag bepalen of er wel of geen omgang tussen hem en de kinderen zal zijn. De man geeft aan dat zijn verhouding met de kinderen goed is en dat het in het belang van de kinderen is om omgang met hun vader te hebben. Een schorsing van deze omgang, schaadt -aldus de man- hun belangen

24. De vrouw voert hiertegen aan dat de voorwaarden voor een behoorlijke uitvoering van een omgangsregeling niet aanwezig zijn. Zij stelt dat de man geen enkel respect (meer) voor haar heeft en dat zij daardoor op dit moment niet (meer) in staat is tot een positieve houding ten opzichte van de man. Zij geeft aan dat zij telkens haar uiterste best heeft gedaan om de omgang tussen de man en de kinderen in stand te houden. Zij is van mening dat van haar op dat punt niet meer mag en kan worden gevergd. De man maakt de omgang zelf onmogelijk door zijn gedragingen. De vrouw acht de opschorting van de omgangsregeling dan ook gerechtvaardigd.

25. De medewerker van de raad voor de kinderbescherming heeft ter zitting in hoger beroep medegedeeld dat in de huidige situatie, gelet op de houding van partijen en de verwijten die zij elkaar over en weer maken, een voorlopige schorsing van de omgangsregeling tussen de man en de beide minderjarigen gerechtvaardigd is. De raad acht het voorts niet uitgesloten dat de rechtbank in een volgende beslissing de raad zal verzoeken een nader onderzoek te verrichten naar en te adviseren omtrent de (on)mogelijkheden van een voortzetting van een omgangsregeling tussen de man en de beide minderjarigen.

26. De minderjarige [de oudste dochter] heeft bij brief, ingekomen ter griffie op 25 mei 2004, aangegeven dat zij haar vader niet wil zien zolang hij nog boos is op haar moeder.

de overwegingen

27. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting in hoger beroep is gebleken dat er, ook ten aanzien van aangelegenheden die de minderjarigen betreffen, nauwelijks communicatie tussen de ouders is en dat de verhoudingen tussen de ouders ernstig verstoord zijn. Mede gelet op de inhoud van het raadsrapport van 17 oktober 2000 en op de inhoud van de stukken uit de eerste aanleg moet worden aangenomen dat er reeds sinds 1998 sprake is van een slechte communicatie en verstandhouding tussen de ouders en dat de ouders er, ook met deskundige hulp ten aanzien van de omgangsregeling, niet in geslaagd zijn daarin sedertdien blijvend verandering te brengen.

28. Het hof acht aannemelijk dat de strijd tussen partijen in ieder geval sedert februari 2003 -na de stopzetting van de omgangsregeling door de vrouw en de daarop volgende stroom van (negatieve) uitlatingen van de man jegens de vrouw, zoals daarvan onder meer blijkt uit de door de vrouw bij fax-bericht van 14 juni 2004 in het geding gebrachte afdrukken van e-mailberichten- opnieuw verhevigd is. De stelling van (de raadsman van) de man dat vorenbedoelde e-mailberichten niet van de man afkomstig zijn, acht het hof, mede gelet op de houding en de uitlatingen van de man op dit punt ter zitting in hoger beroep, niet geloofwaardig. In dit verband overweegt het hof dat ter zitting in hoger beroep naar voren is gekomen dat -naar aanleiding van de aangifte van de vrouw- een strafrechtelijk onderzoek plaatsvindt naar mogelijke bedreigingen van de man jegens de vrouw, in welk onderzoek ook de door de vrouw bij fax-bericht van 14 juni 2004 overgelegde afdrukken van e-mailberichten zijn c.q. zullen worden betrokken.

29. Het hof stelt voorop dat (ernstig) verstoorde verhoudingen en slechte communicatie tussen de ouders kunnen meebrengen dat een omgangsregeling tussen de kinderen en de niet met de (dagelijkse) verzorging en opvoeding van de kinderen belaste (gezags)ouder gepaard gaat met aanzienlijke onrust en spanningen bij de verzorgende ouder. Aannemelijk is dat de kinderen van voornoemde onrust en spanningen de schadelijke weerslag kunnen ondervinden. Dit geldt naar het oordeel van het hof in het bijzonder wanneer -zoals in het onderhavige geval- sprake is van (het voortduren van) een langdurige strijd tussen de ouders.

30. Het hof deelt in het licht van het vorenstaande daarom niet de visie van de man dat de wijze waarop hij herhaaldelijk en bij voortduring uiting geeft aan zijn negatieve gevoelens ten opzichte van de vrouw uitsluitend de relatie tussen hem en de vrouw raakt en in geen geval reden kan zijn voor de vrouw om haar medewerking aan de omgangsregeling tussen hem en de beide minderjarigen op te schorten dan wel stop te zetten. Ook wanneer de man in staat zou zijn de kinderen volledig buiten de strijd met de vrouw te laten -zoals de man stelt en de vrouw overigens gemotiveerd betwist- kan sprake zijn van een schadelijke weerslag als in rechtsoverweging 29 omschreven.

31. Het hof is van oordeel dat voor het instandhouden en behoorlijk functioneren van een omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen van belang is dat de vrouw bereid en in staat is de minderjarigen -die door haar worden verzorgd en opgevoed en loyaal zijn aan haar- ook in emotioneel opzicht, ruimte te laten voor contacten met de man en dat de vrouw bereid en in staat is de minderjarigen hierbij de nodige begeleiding te geven. Hiervoor acht het hof een minimaal vertrouwen van de ouders in elkaar en een minimale mogelijkheid tot communicatie tussen hen noodzakelijk.

32. De man dient te onderkennen dat zijn (negatieve) houding en gedragingen ten opzichte van de vrouw haar vertrouwen in hem aantasten en daardoor de emotionele mogelijkheden van de vrouw om de minderjarigen de hiervoor omschreven ruimte en begeleiding te geven -in negatieve zin- beïnvloeden. De man dient te beseffen dat hij door zijn (negatieve) houding en gedragingen ten opzichte van de vrouw onvermijdelijk ook de loyaliteit van de kinderen raakt die in beginsel loyaal aan beide ouders willen zijn. In zoverre schaadt de man met zijn vorenomschreven houding en gedragingen het belang van de kinderen.

33. Gelet op hetgeen het hof in rechtsoverweging 27 heeft overwogen met betrekking tot de slechte communicatie en de verstoorde verhoudingen tussen de ouders en hun daaruit voortvloeiende jarenlange strijd en in aanmerking nemende het (verhevigd) voortzetten van de strijd zoals overwogen in rechtsoverweging 28 sedert februari 2003, is het hof van oordeel dat thans omgang tussen de man en de beide minderjarigen niet in het belang van de minderjarigen is. Het hof acht daarom een (voorlopige) schorsing van de door de rechtbank bij beschikking van 30 oktober 2002 vastgestelde omgangsregeling tussen de man en de beide minderjarigen gerechtvaardigd.

34. Het hof is van oordeel dat thans een periode van rust, bezinning en overleg tussen de ouders omtrent de voorwaarden waaronder, gelet op de belangen van de minderjarigen, tot een (mogelijke) hervatting van de omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen kan worden overgegaan, aangewezen is. Elk van partijen dient hierin, in het belang van de kinderen, haar respectievelijk zijn verantwoordelijkheid als ouder van de kinderen te nemen.

35. In dit verband merkt het hof op dat, anders dan de man kennelijk veronderstelt, het recht op bescherming van het gezinsleven, zoals dat is vastgelegd in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, niet meebrengt dat een ouder die niet is belast met de dagelijkse verzorging en opvoeding van de kinderen ook aanspraak kan maken op omgang met de kinderen wanneer deze omgang -bijvoorbeeld in verband met de aanmerkelijke onrust en spanningen die deze omgang in het gezinsleven van de kinderen zou veroorzaken- kennelijk in strijd is met zwaarwegende belangen van de kinderen. Wanneer aan de ouder die niet is belast met de dagelijkse verzorging en opvoeding met de kinderen in een dergelijke situatie een aanspraak op omgang zou worden toegekend, zou deze aanspraak in strijd komen met de rechten die de kinderen -en de ouder die met de dagelijkse verzorging en opvoeding van de kinderen is belast- aan artikel 8 van het verdrag kunnen ontlenen.

* het bevel mee te werken aan de vastgestelde omgangsregeling op straffe van verbeurte van een dwangsom

de standpunten

36. De man stelt dat de vrouw niet bereid is vrijwillig mee te werken aan de vastgestelde omgangsregeling tussen hem en de beide minderjarigen. Hij acht het noodzakelijk dat er maatregelen worden getroffen om de naleving van de omgangsregeling te verzekeren. De man acht het aangewezen dat de vrouw wordt bevolen mee te werken aan de bij beschikking van 30 oktober 2002 vastgestelde omgangsregeling tussen de man en de beide minderjarigen op straffe van verbeurte van een dwangsom.

37. De vrouw voert hiertegen aan dat er geen reden is voor het opheffen van de schorsing van de omgangsregeling. De man heeft in haar visie dan ook geen belang bij zijn verzoek tot het opleggen van een dwangsom te minder nu zij op korte termijn een (nadere) definitieve beslissing van de rechtbank omtrent de omgangsregeling tussen de man en de kinderen verwacht.

de overwegingen

38. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 33 is overwogen, zal het hof de beslissing van de rechtbank voor wat betreft de (voorlopige) schorsing van de bij de beschikking van 30 oktober 2002 vastgestelde omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen [de oudste dochter] en [de jongste dochter] bekrachtigen. Gelet op deze bekrachtiging heeft de man geen belang bij behandeling van zijn verzoek in hoger beroep de vrouw op straffe van verbeurte van een dwangsom te bevelen mee te werken aan de uitvoering van de omgangsregeling.

* de slotsom

39. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

40. In aanmerking nemende dat partijen gewezen echtgenoten zijn en het geschil in hoger beroep betrekking heeft op de beide minderjarige kinderen van partijen, zal het hof de kosten van het geding in hoger beroep compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van het geding in hoger beroep draagt.

Aldus gewezen door mrs Wachter, voorzitter, Melssen en Vermeer, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 20 oktober 2004.