Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AR4245

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-10-2004
Datum publicatie
20-10-2004
Zaaknummer
BK 209/04 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de berekening van de waarde van het woongenot van de ambtswoning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-1957
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 209/04 15 oktober 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z (:belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Noord/kantoor Emmen (: de inspecteur) op het bezwaarschrift namens belanghebbende ingediend tegen de aan hem over het jaar 2000 op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (zoals die wet voor het onderhavige jaar luidde; nader: de wet) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekering.

1. Procesgang.

Gedagtekend 14 november 2003 werd aan belanghebbende een aanslag in de inkomstenbelasting/premieheffing volksverzekering 2000 opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 78.168,-.

Op het tegen die aanslag ingediende bezwaarschrift heeft de inspecteur bij beschikking van 11 februari 2004 uitspraak gedaan, waarbij het bezwaar werd afgewezen en de aanslag werd gehandhaafd.

Tegen die uitspraak is namens belanghebbende een beroepschrift (met 7 bijlagen) ingediend, ter griffie ingekomen op 3 maart 2004.

Nadat de inspecteur een verweerschrift (met 7 bijlagen) had ingediend, zijn partijen opgeroepen voor de mondelinge behandeling van de zaak op 2 augustus 2004.

Bij faxbericht van 10 juli 2004 respectievelijk brief van 12 juli 2004 hebben partijen aan het hof bericht af te zien van hun recht op een mondelinge behandeling van de zaak, en in te stemmen met een uitsluitend schriftelijke behandeling.

De inhoud van alle voormelde (en hierna nog te noemen) stukken geldt als hier herhaald en ingelast.

2. De feiten.

Op grond van de inhoud van de gedingstukken staat voor dit geding tussen partijen het navolgende vast:

2.1 Belanghebbende, geboren op .. december 19.. was in het onderhavige jaar als predikant verbonden aan A te L. Zijn traktement uit dien hoofde bedroeg f 70.104,-.

2.2 Aan hem en zijn gezin was door de kerkelijke gemeente een ambtswoning (pastorie) ter beschikking gesteld. Er is sprake van zogeheten vrij wonen.

2.3 In het jaar 2000 was belanghebbende wegens chronische ziekte niet in staat zijn werkzaamheden als predikant te verrichten. Hij mocht echter om niet met zijn gezin in de ambtswoning blijven wonen totdat op 8 september 2001 aan hem emeritaat werd verleend.

2.4 In zijn aangifte stelt belanghebbende het voordeel uit vrij wonen op het bedrag van het huurwaardeforfait ex artikel 42a van de wet, zijnde f 2.762,-, passend bij een waarde van de ambtswoning van f 221.000,-.

2.5 Bij het regelen van de onderhavige aanslag heeft de inspecteur zich op het standpunt gesteld dat het voordeel uit vrij wonen in het geval van belanghebbende dient te worden gesteld op het bedrag van de besparing, welk bedrag hij bepaalt op f 14.040,-, zijnde het bedrag dat het “aanhangsel bij de generale regeling voor de predikantstraktementen van de Nederlandse Hervormde Kerk” noemt als maximale vergoeding voor het gemis van een ambtswoning voor predikanten wier traktement hen in groep I plaatst.

2.6 In verband daarmee is het aangegeven belastbaar inkomen, naast enige andere thans niet in geschil zijnde correcties, verhoogd met f 14.040,- minus het aangegeven huurwaardeforfait van f 2.762,-, ofwel met f 11.278,-.

2.7 In het tegen de aldus vastgestelde aanslag ingediende bezwaarschrift heeft de gemachtigde van belanghebbende gesteld dat, gelet op de medische onmogelijkheid werkzaamheden als predikant te verrichten, er in feite geen sprake van een besparing was, aangezien belanghebbende zelf niet voor deze relatief dure ambtswoning zou hebben gekozen. Ook voert de gemachtigde aan dat belanghebbende in het jaar 2000 meer in ziekenhuizen en verpleeginrichtingen verbleef dan thuis in de ambtswoning.

2.8 Bij de uitspraak op het bezwaarschrift heeft de inspecteur volhard in zijn hiervoor weergegeven standpunt.

2.9 In beroep voert de gemachtigde aan het bevreemdend te vinden dat bij aanslagregeling 2001 met betrekking tot de waarde vrij wonen wèl is ingestemd met het in aanmerking nemen van het huurwaardeforfait, waardoor naar zijn mening sprake is van opgewekt vertrouwen. Hij verzoekt daarom verlaging van het belastbaar inkomen met € 5.118,- tot € 30.353,-.

3. Geschil en standpunten van partijen.

3.1 In geschil is de berekening van de waarde van het woongenot

van de ambtswoning.

3.2 Belanghebbende is van mening dat, alle hem betreffende omstandigheden in aanmerking genomen, geen sprake is geweest van een besparing hoger dan het bedrag van het aangegeven huurwaardeforfait.

3.3 De inspecteur handhaaft zijn stelling dat in de regeling voor predikantstraktementen van de Nederlands Hervormde Kerk een objectieve maatstaf kan worden gevonden voor het vaststellen van de besparing ingeval van een predikant die vrij wonen geniet.

3.4 Voor een meer uitvoerige weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de stukken van het geding.

4. De rechtsoverwegingen.

4.1 De predikant die naast zijn traktement in het genot van vrij

wonen is gesteld, geniet deswege ex artikel 34, eerste lid, van

de wet, inkomsten in natura.

4.2 De waarde van dat vrije woongenot dient daarom tot de

inkomsten uit arbeid ex artikel 22, eerste lid, letter b, van de

wet te worden gerekend.

4.3 Die waarde dient, nu het niet mogelijk of gebruikelijk is die

inkomsten in natura te gelde te maken, te worden gesteld op ten hoogste het bedrag van de besparing, dat wil zeggen het bedrag dat belanghebbende objectief bezien niet aan huisvesting van hemzelf en zijn gezin heeft hoeven uitgeven.

4.4 De inspecteur stelt dat bedrag van de besparing op f 14.040,- door uit te gaan van de groep van predikanten die naar de normering van de Generale Regeling voor de predikantstraktementen van de Nederlands Hervormde Kerk in groep I thuishoren. Niet bestreden is dat belanghebbende een traktement genoot dat hem in voormelde generale regeling in groep I plaatst, zij het dat hij zijn ambt uitoefende in het verband van de Christelijk Gereformeerde Kerken in Nederland en niet in de Nederlands Hervormde Kerk.

4.5 De inspecteur heeft in zijn verweerschrift verwezen naar de uitspraak van het Haagse hof van 7 juni 2000 (Vakstudienieuws 2001, nummer 6.17). Daarin is sprake van een advies aan de kerkeraden van de Christelijk Gereformeerde Kerken van 22 december 1995 inzake de fiscale waardering van vrij wonen voor predikanten. Blijkens dat advies wordt aangesloten bij voormeld aanhangsel bij de Generale Regeling voor de predikantstraktementen. Daaruit moet naar het oordeel van dit hof de conclusie worden getrokken dat ook in Christelijk Gereformeerde kring de opvatting leeft dat de bedragen genoemd in dat aanhangsel een objectieve maatstaf vormen voor de waardering van het genot van vrij wonen als besparing bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de wet.

4.6 Opmerking verdient in dit verband voorts dat belanghebbende niet stelt, en dat ook anderszins niet blijkt dat de positie en het traktement van een predikant die is verbonden aan de Christelijk Gereformeerde Kerken niet vergelijkbaar zouden zijn met die van aan de Nederlands Hervormde Kerk verbonden predikanten.

4.7 Het vorenoverwogene, in onderling verband en samenhang beschouwd, voert tot de slotsom dat de inspecteur in het onderhavige geval de waarde van de besparing, door uit te gaan van meergenoemd aanhangsel bij de Generale Regeling, niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. De aanslag is in zoverre dan ook niet tot een te hoog bedrag opgelegd.

4.8 Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan belanghebbende niet baten: de aangifte inkomstenbelasting 2000 is gedaan op 10 augustus 2001, terwijl de aanslag 2001 waarop belanghebbende zich in dit verband beroept, is gedagtekend op 13 augustus 2003, zodat een standpunt van de inspecteur over het jaar 2001 inzake deze materie, indien die materie al nadrukkelijk en gemotiveerd aan de orde was gesteld (quod non), niet achteraf een rechtens te honoreren vertrouwen voor het jaar 2000 in het leven kan roepen.

4.9 Ook de overigens daartoe aangevoerde omstandigheden (chronische ziekte en langdurig verblijf in ziekenhuis en verpleeginrichting) doen aan de hoogte van de besparing niet af. Daarbij heeft te gelden niet alleen dat de berekening van het voordeel ex artikel 22 juncto artikel 34 van de wet een objectieve maatstaf vergt, maar ook dat bij het inroepen van die omstandigheden uit het oog lijkt te worden verloren dat de ambtswoning in 2000 permanent aan het gezin van belanghebbende ter beschikking heeft gestaan. Het voordeel is daarmee onbelemmerd aan belanghebbende toegevloeid.

4.10 Nu ook overigens geen gronden zijn gevonden die steun kunnen bieden aan het door belanghebbende ingenomen standpunt, dient het beroep als in al zijn onderdelen ongegrond te worden verworpen.

5. De proceskosten.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoel in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht

6. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 15 oktober 2004 door mr. G.M. Van der Meer, raadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. De Jong, en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Op 20 oktober 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.