Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AR3991

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
15-10-2004
Datum publicatie
15-10-2004
Zaaknummer
24-000348-04
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGRO:2004:AO5488
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AU8912
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2006:AU8912
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft opzettelijk een 14-jarig meisje van het leven beroofd. Hij is de woning van het slachtoffer binnengegaan, terwijl hij wist dat de overige familieleden niet thuis waren. Verdachte heeft de keel van het meisje dichtgedrukt, water in het bad laten lopen en haar naakte lichaam in bad gelegd. Het slachtoffer is als gevolg van uitwendig mechanisch, samendrukkend geweld op de hals door verstikking om het leven gekomen. Daarbij is niet uitgesloten, dat het slachtoffer in de terminale fase te water is geraakt en verdrinking een bevorderende factor is geweest.

Het hof tilt zwaar aan dit door verdachte gepleegde feit. Verdachte heeft het leven aan een jong meisje - dat in de bloei van haar leven was en nog bijna een heel leven voor zich had - ontnomen. Dit getuigt van grove minachting voor het leven van een ander. Daar komt bij dat dit op gruwelijke wijze is gebeurd. Daarnaast heeft verdachte door zijn handelen de nabestaanden van het slachtoffer veel leed berokkend. De leegte die het slachtoffer achterlaat is voor het gezin ondraaglijk. Daarnaast heeft het hof bij de straftoemeting in aanmerking genomen, dat het slachtoffer in haar eigen leefomgeving om het leven is gebracht. Daar komt nog bij, dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de vertrouwensrelatie die hij had als "vriend" van de familie. Voorts heeft de dood van het slachtoffer grote maatschappelijke onrust veroorzaakt. Het hof houdt tenslotte rekening met het feit dat het bewezenverklaarde de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000348-04

Arrest d.d. 15 oktober 2004 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Groningen d.d. 12 maart 2004 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren [in] 1966 in [geboorteplaats],

thans verblijvende in P.I. Noord - De Grittenborgh, Kinholtsweg 7,

7909 CA, Hoogeveen,

verschenen in persoon, bijgestaan door mrs. J. Klopstra en C. Wiggers, beiden advocaat te STADSKANAAL.

Het vonnis waarvan beroep.

De rechtbank te Groningen heeft de verdachte bij voormeld vonnis op tegenspraak wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en heeft voorts een maatregel opgelegd, één en ander als in het vonnis nader omschreven.

Aanwending van het rechtsmiddel.

De officier van justitie en de verdachte zijn d.d. 25 maart 2004 respectievelijk d.d. 12 maart 2004 op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft gelet op het onderzoek ter 's hofs terechtzittingen van 23 juni 2004, 30 september 2004 en 1 oktober 2004 en op het onderzoek in eerste aanleg als voorgeschreven bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering.

De beslissing op het hoger beroep.

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging.

Het hof neemt uit het beroepen vonnis over de daar vermelde inhoud van de inleidende dagvaarding, zoals door de eerste rechter gewijzigd.

Het hof heeft ter terechtzitting op de vordering van de advocaat-generaal de tenlastelegging gewijzigd overeenkomstig die vordering, die er toe leidt dat de tenlastelegging komt te luiden als blijkt uit de fotokopie die aan dit arrest is gehecht.

Beslissing op het verzoek een deskundige als getuige te horen.

Primair heeft de verdediging verzocht verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de behandeling van de zaak aan te houden en professor dr. W.A. Wagenaar of een andere deskundige met overeenkomstige kwalificaties/bekwaamheden opdracht te geven nader onderzoek te doen naar de waarde van de door de verdachte afgelegde verklaringen in het licht van de gevolgde onderzoeksmethodiek en voorts om commentaar te geven op de wisselingen in de door de verdachte afgelegde verklaringen met inachtneming van hetgeen blijkt omtrent zijn karakter.

Het hof heeft de beslissing op dit verzoek aangehouden tot na de behandeling ter terechtzitting, van oordeel zijnde dat die beslissing in beginsel sterk verweven is met het oordeel van het hof omtrent de bewezenverklaring op zichzelf en de waarde van de door verdachte afgelegde verklaringen in het licht van andere bewijsmiddelen en de bruikbaarheid daarvan.

Het hof stelt voorop, dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen, hetwelk hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht.

Nu het verzoek van de verdediging valt binnen deze competentie van de feitenrechter, is het hof van oordeel dat door het afwijzen van vorenbedoeld verzoek redelijkerwijs niet valt aan te nemen dat verdachte in zijn verdediging wordt geschaad. Een verklaring van professor Wagenaar of een andere deskundige kan weliswaar inzicht geven - vanuit psychologisch perspectief - in de redenen waarom verdachte bepaalde verklaringen af heeft gelegd en de fluctuaties daarin, niet echter kan deze bijdragen aan de beoordeling van de betrouwbaarheid van de door verdachte afgelegde verklaringen in het licht van andere bewijsmiddelen. De door de verdediging aldus gevraagde verklaring van een deskundige kan derhalve niet van belang zijn voor enige in deze strafzaak te nemen beslissing.

Gelet op na te melden beslissing volgt het hof de verdediging niet in het primaire verzoek tot vrijspraak. Het subsidiaire verzoek wordt op grond van het bovenstaande afgewezen.

De verklaringen van verdachte afgelegd op 8 april 2003 en daarna.

De verdediging heeft betoogd, dat de verklaring van verdachte van 8 april 2003 afgelegd ten overstaan van de officier van justitie en de verklaringen van verdachte nadien, waarin hij de inhoud daarvan heeft gehandhaafd, terzijde gesteld moeten worden, nu deze verklaringen niet geacht kunnen worden in vrijheid te zijn afgelegd.

Hij voert hiertoe aan, dat verdachte op 8 april 2003 anders is gaan verklaren over hetgeen zich heeft afgespeeld op 23 september 2002, omdat hij zich tijdens het verhoor op 7 april 2003 - onder meer door een door een verbalisant aangebrachte kras op zijn hand - zo fysiek geïntimideerd heeft gevoeld, dat hij uit pure onmacht en angst voor politie en justitie een verhaal heeft verzonnen, waarin hij - geconfronteerd met van hem afkomstig DNA gevonden onder de nagel van [slachtoffer] - probeert in te vullen wat er gebeurd zou kunnen zijn op 23 september 2002.

De volgende feiten en omstandigheden zijn bij de beoordeling hiervan van belang.

- Naar het oordeel van het hof is - door het bekijken ter terechtzitting van de videobanden van het verhoor van 7 april 2003 waarop de verdediging doelt - niet aannemelijk geworden dat verdachte op 7 april 2003 zodanig onder druk is gezet, respectievelijk zich redelijkerwijs zodanig onder druk gezet heeft kunnen voelen, dat hij werd gedwongen tot het afleggen van de verklaring op 8 april 2003.

De door de verbalisanten aangebrachte kras op de hand van verdachte had slechts ten doel verdachte te demonstreren op welke wijze DNA-sporen konden zijn overgedragen.

Veeleer ligt het voor de hand dat verdachte's verklaring van 8 april 2003 is ingegeven door de confrontatie met gevonden sporen. Verdachte was immers tijdens zijn verhoor door de rechter-commissaris op 23 maart 2003 door de officier van justitie geïnformeerd over het vinden van een DNA-spoor van hem op de badmengkraan, terwijl verdachte tijdens het verhoor op 7 april 2003 door de verbalisanten is verteld dat er ook een DNA-spoor van hem in het nagelvuil van de rechterhand van [slachtoffer] is aangetroffen.

- Op 8 april 2003 heeft verdachte op eigen initiatief ten overstaan van de officier van justitie in het bijzijn van zijn raadsman een andere verklaring afgelegd dan tot dan toe.

- Hetgeen verdachte op 8 april 2003 heeft verklaard tegenover de officier van justitie, heeft hij herhaald tegenover de politie op 8 en 9 april 2003 en op 11 juni 2003 en ook tegenover de medewerkers van het Pieter Baan Centrum. Pas na verloop van 8 maanden heeft verdachte deze verklaring ter terechtzitting van de rechtbank op 8 december 2003 ingetrokken.

Het hof is derhalve, anders dan de verdediging, van oordeel dat de verklaring van verdachte afgelegd ten overstaan van de officier van justitie op 8 april 2003, als resultaat van het onderzoek kan bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit.

Vrijspraak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aldus primair en subsidiair aan verdachte is tenlastegelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring.

Ten aanzien van verdachte acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 23 september 2002, in de gemeente Veendam, opzettelijk een meisje, genaamd [slachtoffer], van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet de keel van die

[slachtoffer] dicht gedrukt en dicht gedrukt gehouden, en het hoofd van die [slachtoffer]

(langdurig) onder water gehouden, tengevolge van welk één en ander voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer subsidiair meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Bewijsmiddelen:

Het hof bezigt met betrekking tot hetgeen aldus aan verdachte is tenlastegelegd de navolgende bewijsmiddelen.

1. Een proces-verbaal, nr. PL016A/02-673372, d.d. 25 september 2002, op ambtseed opgemaakt door H. Huizing, hoofdagent van Regiopolitie Groningen en W. Van der Veen, brigadier van Regiopolitie Groningen, beiden werkzaam in District Midden/Oost (dossierpagina's A1 t/m A3 van een dossier nr. Pl016A/03-000228 d.d. 14 mei 2003), zakelijk weergegeven - inhoudende:

Als verklaring van Huizing en van der Veen voornoemd:

Op 23 september 2002 omstreeks 12.41 uur kregen wij de melding van de meldkamer van de Regiopolitie Groningen om te gaan naar het adres [adres]. Aldaar zou een meisje in bad liggen dat volgens de melding dood zou zijn. Wij zijn direct de woning in gegaan. In het bad lag het levenloze lichaam van een meisje.

2. Een proces-verbaal, nr. PL016A/02-673372, d.d. 30 september 2002, op ambtseed opgemaakt door L.M. Mooi en F.H. Gibcus, beiden brigadier, technisch rechercheur van Regiopolitie Groningen, Divisie Regionale Recherche (onderdeel van bijlage Aa - betreffende het onderzoek van de Technische recherche op de plaats delict d.d. 23 september 2002- van het onder 1. vermelde dossierproces-verbaal), zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van Van Mooi en Gibcus voornoemd:

Op 23 september 2002, omstreeks 14.00 uur is door de GGD arts T. Noujocks in het bijzijn van mij, verbalisant Mooi, het stoffelijk overschot geschouwd op het bed in de slaapkamer waarop het slachtoffer was gelegd. De arts verklaarde dat het lichaam verschillende verwondingen vertoonde in de hals- en borststreek en onderkaak. Gelet op de verwondingen vermoedde de arts een onnatuurlijke dood.

3. Een proces-verbaal, nr. PL014A/02-673372, d.d. 23 januari 2003, op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte opgemaakt door P. van Huis en G. Visser, beiden brigadier van Regiopolitie Groningen, District Groningen/Haren (dossierpagina D1 van het onder 1. vermelde dossierproces-verbaal), inhoudende - zakelijk weergegeven -

als verklaring van Van Huis en Visser voornoemd:

Op 25 september 2002 werd door ons het stoffelijk overschot van [slachtoffer], geboren [in] 1988 te [geboorteplaats], getoond aan haar moeder en haar oom. Beiden herkenden afzonderlijk van elkaar, het stoffelijk overschot als zijnde dochter en nichtje [slachtoffer], geboren [in] 1988 te [geboorteplaats], gewoond hebbende [adres].

4. Een schriftelijk stuk, opgemaakt door dr. R. Visser, vast gerechtelijk deskundige en verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie te Rijswijk, d.d. 28 november 2002, nr. S 02-47OR110, - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Op 24 september 2002 heeft ondergetekende, dr. R. Visser, arts en patholoog, residentie houdende te Rijswijk, ingevolge mondelinge

opdracht van de Officier van Justitie te Groningen, als beëdigd deskundige, in het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk de uit- en inwendige schouwing verricht van het lijk van [slachtoffer]. Bij het onderzoek van het lijk is het volgende gebleken:

A. Het was een lijk van een vrouw met:

B. Bloedstuwing in het hoofdgebied (zwelling, donkere verkleuring, talrijke kleine bloedinkjes van de hoofdhuid en stipvormige bloedinkjes in de bindvliezen van beide ogen)

C. Kleine huidbeschadigingen in het gebied van de kin; onderhuidse bloeduitstorting rond het linker oog; oppervlakkige verscheuring van het lip- en mondslijmvlies, met ondergelegen bloeduitstorting en achter het rechteroor. In de mond bloederig vocht; vanuit de rechter mondhoek verliep een drietal naar achterhoofdwaarts verlopende ingedroogde bloedsporen(...)

H. Massale bloeduitstortingen in de weke delen van de hals; vlekkig- rode slijmvliesverandering van de luchtpijp, juist onder de stembanden

I. Oppervlakkige breuk van de halswervelkolom ( de tussenwervelschijf tussen de 6e en 7e halswervel, met omgevende bloeduitstorting, ook rond het ruggenmerg ter plaatse).

Bij sectie werden diverse bevindingen gedaan:

De bevindingen sub B wijst op sterke bloedstuwing in het hoofdgebied. De oorzaak hiervan is gelegen in inwerking van uitwendig mechanisch, samendrukkend geweld op de hals. Gelet op de massaliteit van de gebleken bevindingen (sub H en I) is dit met zeer fors geweld gepaard gegaan. De gebleken bevindingen kunnen het intreden van de dood door verstikking als gevolg van (massaal) samendrukkend geweld ter plaatse van de hals zonder meer verklaren.

Niet uitgesloten is, dat het slachtoffer in de terminale fase te water is geraakt, waarbij verdrinking een bevorderende factor is geweest.

De letsels sub C werden opgeleverd door (meerdere malen inwerking van) uitwendig mechanisch, botsend geweld zoals door slaan, stoten (badrand?) of vallen kan zijn opgeleverd.

Conclusie: Bij [slachtoffer] wezen de sectiebevindingen op verstikking als oorzaak van het intreden van de dood.

5. Een proces-verbaal, nr. 02-673372 op ambtseed opgemaakt door Mooi voornoemd(opgenomen in map 3 in de bijlage "toestemming afname DNA" van het onder 1. vermelde dossierproces-verbaal) d.d. 19 december 2002, - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van Mooi voornoemd:

Ik verklaar dat in mijn aanwezigheid met schriftelijke toestemming van de verdachte [verdachte] wangslijmvlies is afgenomen door de arts P.G. de Groot. Ik verbalisant heb het afgenomen celmateriaal op de voorgeschreven wijze verpakt en voorzien van een identiteitszegel. Op dit identiteitszegel is de naam van betrokkene aangebracht. Ik verbalisant heb dit proces-verbaal voorzien van een identiteitszegel dat gelijk is aan het identiteitszegel van de verpakking waarin het betrokken materiaal is gebracht. Ik zorg ervoor dat het zo spoedig mogelijk naar het NFI wordt gestuurd.

RDC520 Voornaam: [voornaam verdachte]

Achternaam: [achternaam verdachte]

6. Een schriftelijk stuk, opgemaakt door dr. R. Visser voornoemd, d.d. 24 september 2002, nr. S 2002-470, - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van dr. R. Visser voornoemd:

Voorlopige bevindingen van de sectie op het lichaam van:

Naam: [slachtoffer]

Bewaarde vloeistof voor later (eventueel) te verrichten, uitgebreid onderzoek:

Bloed.

7. Een proces-verbaal nr. PL016A/02-673372, d.d. 27 september 2002 op ambtseed opgemaakt door F. Doorn, inspecteur van Regiopolitie Groningen, Divisie Regionale Recherche (onderdeel van bijlage Aa - betreffende het technisch sporenonderzoek verricht aan het stoffelijk overschot van [slachtoffer] - van het onder 1. vermelde dossierproces-verbaal), - zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende:

als verklaring van Doorn voornoemd:

Op dinsdag 24 september 2002 heb ik, nadat het slachtoffer onder mijn toezicht was overgebracht naar het Forensisch Instituut te Rijswijk, in samenwerking met M. van der Scheer en Z. Schieveld, beiden werkzaam bij de afdeling biologie van het Nederlands Forensisch Instituut, een technisch sporenonderzoek verricht aan het stoffelijk overschot van [slachtoffer].

Bij dit onderzoek werd het volgende spoor op de daartoe geeigende wijze en volgens de geldende Forensisch-Technische normen veilig gesteld:

Bemonstering rechterhand nagels bovenkant;

Identiteitszegel: AFK802.

8. Een schriftelijk stuk, d.d. 24 september 2002, opgemaakt door M. van der Scheer en S. Schieveld voornoemd, - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van Scheer en Schieveld voornoemd:

Biologisch sporenonderzoek op slachtoffer [slachtoffer] d.d 24 september 2002 op het NFI. Onderzoekers M. van der Scheer en S. Schieveld.

De bovenzijde en de randen van de nagels van de rechterhand werd bemonsterd en veilig gesteld(AFK 802).

9. Een proces-verbaal nr. PL016A/02-673372, d.d. 1 oktober 2002 op ambtseed opgemaakt door L.P. Mooi en H. Gibcus voornoemd(onderdeel van bijlage Aa - betreffende het onderzoek van de Technische recherche op de plaats delict d.d. 23 september 2002- van het onder 1. vermelde dossierproces-verbaal),

- zakelijk weergegeven - onder meer inhoudende:

als verklaring van Mooi en Gibcus voornoemd:

Naar aanleiding van het aantreffen van een stoffelijk overschot van een meisje in het bad van de woning werd door ons een technisch sporenonderzoek ingesteld.

Pleegdatum: 23 september 2002

Lokatie: [adres], gemeente Veendam.

De thermosstatische badmengkraan werd door ons met een wattenstaafje bemonsterd. Vervolgens hebben wij het navolgende celmateriaal voor vergelijking van DNA-profielen inbeslaggenomen.

Object: bemonstering badmengkraan;

Identiteitszegel: ADW563.

Het zal op de voorgeschreven wijze naar het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk worden verzonden.

10. Een schriftelijk stuk, opgemaakt door dr. A.D. Kloosterman, gerechtelijk deskundige en verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut te Rijswijk, d.d. 29 april 2003, nr. 02.09.23.027, - zakelijk weergegeven - inhoudende:

Ontvangen van Afdeling Pathologie van het Nederlands Forensisch

Instituut via R. Visser van het slachtoffer [slachtoffer]:

Sectienummer Identiteitszegel Omschrijving

2002-470 ACG443 een referentiemonster bloed

Van de referentiemonsters wangslijmvlies van verdachte [verdachte] [RDC520] en van het referentiemonster bloed van het slachtoffer [slachtoffer] [ACG443] zijn DNA-profielen geanalyseerd.

a) Het onderzochte celmateriaal in de bemonstering van de bovenzijde van de nagels van de rechterhand [AFK802]#1 van het slachtoffer bestaat uit een mengsel van celmateriaal van twee personen. Het DNA-profiel van het slachtoffer kon in dit mengprofiel worden geïdentificeerd. Bovendien is het profiel van de tweede celdonor uit het mengprofiel afgeleid. Dit afgeleide profiel komt overeen met het DNA-profiel van verdachte [verdachte] [RDC520]. De kans dat een willekeurig gekozen individu hetzelfde DNA-profiel bezit als die van het afgeleide DNA-profiel van het celmateriaal in de bemonstering [AFK802]#1 bedraagt circa één op 844 miljoen.

b) Het onderzochte celmateriaal in de bemonstering van de mengkraan [ADW563#1] bestaat uit een mengsel van celmateriaal van twee personen. Het DNA-profiel van het slachtoffer kon in dit mengprofiel worden geïdentificeerd. Bovendien kon het profiel van de tweede celdonor uit het mengprofiel worden afgeleid. Het afgeleide profiel komt overeen met het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] [RDC520]. De kans dat een willekeurig gekozen individu hetzelfde DNA-profiel bezit als die van het afgeleide DNA-profiel van het celmateriaal op de mengkraan bedraagt circa één op de één miljoen.

11. Een proces-verbaal, nr. PL016A/02-673372, d.d. 23 september 2002, op ambsteed respectievelijk ambtsbelofte op opgemaakt door B.P. van der Veen en A.D. Haveman, beiden brigadier van Regiopolitie Groningen, District Midden/Oost(dossierpagina's BM1 t/m BM4 van het onder 1. vermelde dossierproces-verbaal), zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verdachte:

Iedereen kent mij als [roepnaam verdachte]. Dat is mijn roepnaam.

12. Een proces-verbaal, nr. PL016A/02-673372, d.d. 10 december 2002, respectievelijk op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakt door J.C. Kalverla, brigadier van Regiopolitie Groningen, Divisie Regionale Recherche en G. Visser, voornoemd (dossierpagina's AZ1 en AZ2 van het onder 1. vermelde dossierproces-verbaal), zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van [broer verdachte]:

Op 23 september 2002, de dag waarop [slachtoffer] dood in haar woning is aangetroffen werd ik gebeld door mijn broer [roepnaam verdachte] of door mijn zus. Ik denk dat het mijn broer [roepnaam verdachte] was. Ik herinner mij niet precies wat hij heeft gezegd. Ik meende dat hij iets zei over zelfmoord van [slachtoffer] of in bad gevallen.... zoiets.

13. Een proces-verbaal, nr. PL016A/02-673372, d.d. 1 april 2003, op ambtseed opgemaakt door J. Westerhof, hoofdagent van Regiopolitie Groningen, District Midden/Oost en Kalverla voornoemd,(dossierpagina AZ8 van het onder 1. vermelde dossierproces-verbaal), zakelijk weergegeven - inhoudende:

Als verklaring van [broer verdachte]:

Op de 23e september 2002 heb ik omstreeks 14.00 uur gebeld naar mijn broer [verdachte]. Ik belde met mijn vaste telefoonaansluiting in mijn woning. U vraagt mij of ik buiten het contact dat ik de 23e september 2002 telefonisch s'middags omstreeks 14.00 uur met [roepnaam verdachte] heb gehad nog meer contact heb gehad met [roepnaam verdachte] die dag. Ik kan mij dat niet herinneren.

14. Een proces-verbaal, nr. PL016A/02-673372, d.d. 17 december 2002, op ambtseed opgemaakt door J. van Houten, voornoemd, op ambtsbelofte opgemaakt door G. Visser, brigadier van regiopolitie Groningen, District Groningen/Haren en op ambtseed opgemaakt door H. Koenen, brigadier van Regiopolitie Groningen, Divisie Regionale Recherche(dossierpagina's BM18 en BM19 van het onder 1. vermelde dossierproces-verbaal), zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van verdachte:

Op 23 september 2002 belde mijn broer mij om 14.00 uur. Ik was boven. Ik heb wel een nummermelder, maar als er wordt gebeld en ik neem boven op kun je niet zien wie belt. Op de vaste huislijn zijn 3 toestellen aangesloten. De nummermelder staat beneden.

15. Een proces-verbaal, nr. PL016A/02-673372, d.d. 8 april 2003, opgemaakt door Severs, officier van justitie in het arrondissement Groningen, (dossierpagina's BM184 t/m BM189 het onder 1. vermelde dossierproces-verbaal), zakelijk weergegeven - inhoudende:

het verhoor van verdachte door de officier van justitie Severs, in bijzijn van raadsman Klopstra:

Inleiding: Officier van justitie=OVJ

Verdachte =V

a. V: Ik ben daar die ochtend (het hof leest: 23 september 2002) geweest. Eerst om twintig over zeven. Later ben ik weer teruggegaan tegen vijf voor half negen of half negen. Ik hoorde muziek en ik heb geschreeuwd. Toen heeft [slachtoffer] de deur voor mij open gemaakt. Ze zei: "Kom maar binnen." Ik ben toen naar binnen gegaan. Ik heb in de keuken gepraat met haar. Ze zei toen: "Oom [roepnaam verdachte], je moet straks weggaan, want ik krijg om tien uur bezoek." Ze wilde niet zeggen wie er zou komen. Ik zei: "Nou dan blijf ik."

b. Ze rende toen weg en kwam bij de trap te vallen. Toen zag ik haar niet meer bewegen. Ik heb haar opgetild, haar boven gebracht en haar op bed gelegd. Ik heb haar met mijn mond ook beademd en haar ook bij haar borsten gedrukt. Toen zag ik niks. Ik heb haar naar beneden (griffier: op de vloer) getild en haar weer bij haar borst gedrukt. Toen zag ik bloed uit haar mond komen en heb ik haar in .uh. het bad gedaan.

OVJ: Waar is ze op de trap gevallen?

V: Op de eerste of op tweede trap. Ze lag zo...Opmerking verbalisant: verdachte maakte een buiging voorover.

OVJ: Voorover?

V: Ja. Want ze is gegleden.

OVJ: Vanaf de eerste of de tweede trap?

V: Eerste.

OVJ: Hoe lag ze toen?

V: Ze lag op de eerste tree met haar hoofd voorover. Toen heb ik haar opgetild.

16. Een schriftelijk stuk, opgemaakt door dr. R. Visser voornoemd, d.d. 16 februari 2004, - zakelijk weergegeven - inhoudende:

als verklaring van Visser voornoemd:

Geachte heer Severs,

In reactie op uw brief van 4 februari 2004 stuur ik de beantwoording van de vragen:

* Passen de verwondingen van de schedelhuid en de verwondingen van het gelaat bij een val van het slachtoffer waarbij het hoofd op de onderste tree van de trap terecht is gekomen?

Ik ga ervan uit dat het slachtoffer op de vloer stond en - bij een val - met het hoofd eenmaal tegen de onderste tree van de trap viel. De genoemde letsels passen hier niet bij.

* Kunnen de overige letsels die u heeft aangetroffen het gevolg zijn geweest van de door de verdachte beschreven valpartij onder aan de trap?

Nee.

* Kunnen de letsels die u heeft aangetroffen, met name die in het borst- en halsgebied het gevolg zijn geweest van de door verdachte beschreven reanimatiepogingen?

Indien de reanimatiepogingen zijn uitgevoerd zoals men zich dat voorstelt kunnen de letsels hier niet door zijn veroorzaakt.

17. De verklaring van dr. R. Visser voornoemd - als toelichting op het sectieverslag van [slachtoffer] - ter terechtzitting van het hof als deskundige gehoord - zakelijk weergegeven - inhoudende:

De letsels van het slachtoffer zijn aangebracht door mechanisch, uitwendig, samendrukkend, hevig geweld. De letsels kunnen niet zijn veroorzaakt door een arm om de nek. Het slachtoffer is niet gewurgd. De letsels zijn veroorzaakt door een langwerpig voorwerp met massa, iets vlaks met een stevig oppervlak, bijvoorbeeld een badrand. Dit soort letsels kunnen niet onstaan zijn door een val van- of op de trap.

Nadere bewijsoverweging:

Het hof bezigt de onder 15. opgenomen verklaring van verdachte, voor zover weergegeven onder a. en inhoudende met name dat hij gedurende de ochtend van 23 september 2002 voor de tweede keer naar de woning is toegegaan en [slachtoffer] daar aantrof rechtstreeks voor het bewijs. De onder 15. opgenomen verklaring van verdachte voor zover weergegeven onder b. (inhoudende dat [slachtoffer] op de ochtend van 23 september 2002 van- of op de onderste trede van de trap is gevallen en dat zij door die val het leven zou hebben gelaten) bezigt het hof niet rechtstreeks voor het bewijs, maar slechts de leugenachtigheid daarvan.

Immers, gelet op de inhoud van de onder 4., 16. en 17. opgenomen verklaringen van dr. Visser, is naar het oordeel van het hof duidelijk, dat verstikking als gevolg van massaal samendrukkend geweld ter plaatse van de hals ofwel op zichzelf ofwel in combinatie met het onder water houden van het hoofd de oorzaak is geweest van het intreden van de dood van [slachtoffer]. Het hof is van oordeel dat verdachte met de verklaring over de val van of op de trap heeft beoogd de waarheid te verdoezelen, namelijk dat hij [slachtoffer] om het leven heeft gebracht en daarbij massaal samendrukkend geweld heeft toegepast. Het hof leidt dat ook af uit het navolgende.

Het hof acht de onder 12., 13. en 14. weergegeven verklaringen redengevend voor het bewijs, omdat hieruit blijkt dat verdachte op 23 september 2002 reeds rond 14.00 beschikte over zogenaamde daderinformatie. Zowel verdachte als zijn broer, [broer verdachte], verklaren dat zij op 23 september 2002 rond twee uur 's middags met elkaar hebben gebeld via de vaste telefoon. De broer van verdachte verklaart zich niet te kunnen herinneren dat hij verdachte die dag nogmaals heeft gesproken en voorts blijkt dit ook niet uit de opgevraagde printgegevens of overigens uit het dossier.

Het telefoongesprek waar beiden over verklaren moet begonnen zijn om 13.57, nu uit de opgevraagde printgegevens blijkt, dat alleen op dat tijdstip op 23 september 2002 met de vaste telefoon van [broer verdachte] naar de vaste telefoon van verdachte is gebeld. In dat gesprek heeft verdachte volgens zijn broer iets gezegd over "de zelfmoord van [slachtoffer] of in bad gevallen.... zoiets". Hieruit blijkt dat verdachte op dat tijdstip beschikte over informatie, waarover hij volgens zijn eigen verklaring en de overige stukken van het dossier op dat tijdstip niet via derden kon beschikken.

Het hof acht de leugenachtigheid van de onder 15b. weergegeven verklaring van verdachte derhalve mede redengevend voor de bewezenverklaring van het meer subsidiair ten laste gelegde.

Het hof verstaat onder "onder water houden" ook het geval dat de verdachte - zoals in casu - iemand in (respectievelijk op de rand van het bad en met het hoofd naar beneden) een ongevuld bad legt en vervolgens het bad zodanig laat vol lopen dat het hoofd onder water komt en verder niets doet om dit te verhinderen.

Kwalificatie.

Hetgeen het hof als bewezen heeft aangenomen levert op het misdrijf:

meer subsidiair: doodslag.

Strafbaarheid.

Door J.M.J.F. Offermans, psychiater en A.T. Spangenberg, psycholoog, beiden gerechtelijk deskundige en verbonden aan het Pieter Baan Centrum(PBC) te Utrecht, is een onderzoek ingesteld naar de geestvermogens van verdachte. Hun bevindingen, alsmede de daaruit getrokken conclusies, zijn neergelegd in hun PBC-rapport van 28 november 2003. Offermans voornoemd vermeldt onder meer het volgende in zijn in dit rapport opgenomen beschouwing:

"Uit het psychiatrisch onderzoek komt duidelijk naar voren dat betrokkene niet in het minst wil (laten)tornen aan het door hem opgebouwde positieve zelfbeeld, maar ook alle negatieve gevoelens (agressie, boosheid, frustratie en verdriet) door hem ontkend of geloochend worden, waardoor betrokkene een afgevlakte indruk maakt. Gevoelens van boosheid zijn ook niet aanwezig, wanneer ze wel op hun plaats zouden zijn. Betrokkene's agressiehuishouding is dan ook gestoord. Doordat hij zoveel agressie moet weghouden op momenten dat het uiten hiervan legitiem zou zijn, uit de agressie zich op andere momenten om vervolgens door betrokkene weer ontkend of geloochend te worden."

Het PBC-rapport houdt onder meer als conclusie in:

"Wij zijn van mening dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid - overeenkomstig een dergelijk besef - te bepalen.

Wij concluderen dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat dit feit - indien bewezen - hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend."

Gelet op de inhoud van het voornoemd PBC-rapport en de indruk die het hof op de terechtzitting van (de persoon) van verdachte heeft gekregen, kan het hof zich verenigen met deze conclusies, neemt die over en maakt die tot de zijne. Het hof is derhalve van oordeel, dat het bewezen verklaarde feit de verdachte slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

Het hof acht verdachte te dezer zake strafbaar, nu ten opzichte van hem geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering.

De rechtbank heeft verdachte ter zake van "doodslag" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren en heeft voorts de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd. Zowel de verdachte als de officier van justitie zijn tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen. Ter terechtzitting van het hof heeft de advocaat-generaal gevorderd dat verdachte ter zake van het meer subsidiair ten laste gelegde "doodslag" zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren en dat hem daarnaast voornoemde maatregel wordt opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep - met een bewezenverklaring ter zake van "doodslag" - de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 23 september 2002 in de gemeente Veendam de 14-jarige [slachtoffer] opzettelijk van het leven beroofd.

Op de ochtend van 23 september 2002 is verdachte - al dan niet met behulp van een sleutel - de woning van het slachtoffer binnengegaan, terwijl hij wist dat de overige familieleden niet thuis waren. Op enig moment heeft verdachte - vermoedelijk omdat hij na een woordenwisseling boos werd -de keel van [slachtoffer] dicht gedrukt, water in het bad laten lopen en haar naakte lichaam in bad gelegd. Het genoemde sectieverslag, opgemaakt door dr. R. Visser, voornoemd, houdt in dat het slachtoffer, blijkens de bevindingen uit het onderzoek van haar lichaam(bloedstuwing in het hoofdgebied, massale bloeduitstortingen in de weke delen van de hals; vlekkig-rode slijmvliesverandering van de luchtpijp, juist onder de stembanden, oppervlakkige breuk van de halswervelkolom) als gevolg van uitwendig mechanisch, samendrukkend geweld op de hals door verstikking om het leven is gekomen. Daarbij is niet uitgesloten, dat het slachtoffer in de terminale fase te water is geraakt en verdrinking een bevorderende factor is geweest.

Naar wat zich tijdens de laatste momenten van het leven van [slachtoffer] precies heeft afgespeeld kan - zolang verdachte niet daaromtrent verklaart - slechts gegist worden.

Het hof tilt zwaar aan dit door verdachte gepleegde feit. Hij heeft het leven aan een jong meisje - dat in de bloei van haar leven was en nog bijna een heel leven voor zich had - ontnomen. Dit getuigt van grove minachting voor het leven van een ander. Daar komt bij dat dit op gruwelijke wijze is gebeurd. Dr. Visser, de patholoog die de uit - en inwendige schouwing heeft verricht van het stoffelijk overschot van het slachtoffer heeft ter terechtzitting van het hof verklaard, dat het op het lichaam toegepaste geweld - gelet op de verwondingen - zeer indrukwekkend en buitengewoon ernstig moet zijn geweest. Hij voegde eraan toe dat hij zelden een lichaam heeft onderzocht waarop zoveel geweld is uitgeoefend.

Het slachtoffer moet vreselijk veel pijn en angst hebben gevoeld gedurende de laatste momenten van haar leven.

Daarnaast heeft verdachte door zijn handelen de nabestaanden van [slachtoffer] veel leed berokkend. In de slachtofferverklaring d.d. 29 september 2004 heeft de familie blijk gegeven van de gevolgen die de dood van [slachtoffer] voor het gezin heeft gehad. De leegte die [slachtoffer] achter laat is voor het gezin ondraaglijk. Niemand in het gezin is sinds haar dood in staat om goed te functioneren. Bij de ouders overheerst angst, pijn en verdriet en ze voelen zich niet meer thuis in hun eigen huis. [zusje slachtoffer], het zusje van [slachtoffer], heeft haar zusje gevonden in de badkuip. Ze hoopt nog steeds dat het een nachtmerrie is en dat ze hieruit zal ontwaken. Ze heeft hierdoor een trauma opgelopen en heeft een zeer lage prikkelgrens. Zij mist haar zus heel erg en leeft teruggetrokken. Het broertje van [slachtoffer], [broertje slachtoffer], is sinds de dood van zijn zus erg verdrietig en boos. Hij maakt alleen nog tekeningen over boos zijn, vechten en geweld. Het hele gezin komt niet toe aan de verwerking en is sindsdien nog steeds bezig met overleven. Ook tijdens de behandeling ter terechtzitting van het hof, heeft het hof deze heftige gevoelens bij het gezin waargenomen.

Naast hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, heeft het hof bij de straftoemeting voorts in aanmerking genomen, dat het slachtoffer in haar eigen leefomgeving om het leven is gebracht. Elk individu moet van de veiligheid in de eigen woning uit kunnen gaan.

Dit maakt het voor het gezin des te erger. Geen van de gezinsleden voelt zich nog thuis in de woning waar [slachtoffer] om het leven is gebracht. De badkamer is de meest traumatische plek van het huis. De woorden van de moeder spreken voor zich: "Mijn man heeft vrijwel direct de badkuip verwijderd. Nog altijd slapen we op één kamer."

Daar komt nog bij, dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de vertrouwensrelatie die hij had als "vriend" van de familie. Hij deed zich voor als iemand die bezorgd was om de kinderen van de familie [familie slachtoffer].

Hij stelt dat hij op de ochtend van 23 september 2002 uit bezorgdheid wilde kijken of de kinderen wel naar school waren.

Voorts heeft de dood van [slachtoffer] grote maatschappelijke onrust veroorzaakt.

Het hof houdt er tenslotte rekening mee, dat het bewezenverklaarde feit verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Gelet op het voorgaande in onderling samenhang beschouwd is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf van zeer lange duur een passende straf is, mede gelet op het opleggen van hierna te noemen maatregel.

Terbeschikkingstelling.

Het PBC-rapport d.d. 28 november 2003, opgemaakt door Offermans en Spangenberg voornoemd, houdt als advies in:

"Bij betrokkene is sprake van een ernstige persoonlijkheidsstoornis met ontwijkende, afhankelijke en vooral narcistische kenmerken. Deze laatste hebben met name een rol gespeeld bij het ten laste gelegde - indien bewezen - in die zin dat betrokkene zich door het slachtoffer, dat hij als een dochter beschouwde en ten aanzien van wie hij een vaderrol meende te moeten vervullen, sterk afgewezen en gekrenkt heeft gevoeld. Hierbij zijn grote hoeveelheden woede en agressie vrijgekomen die betrokkene doorgaans op krampachtige wijze onder controle poogt te houden.

Doordat het betrokkene volledig ontbreekt aan besef van en inzicht in zijn agressieregulatie en hij voordurend een (zelf)beeld van goedheid en hulpvaardigheid overeind tracht te houden, valt niet te verwachten dat betrokkene - mocht hij eenmaal in een vergelijkbare situatie terecht komen - hier op een andere manier mee kan omgaan, terwijl de situatie ten tijde van het ten laste gelegde evenmin als specifiek kan worden beschouwd. Betrokkene blijft - vanuit zijn overwegend narcistische persoonlijkheidsstoornis - een zeer krenkbare man, bij wie zijn kinderloosheid en zijn behoefte om voor andere kinderen een vaderfiguur te vormen, min of meer zijn achilleshiel vormen. Waar hij al slecht afwijzing door volwassenen verdraagt, zal dit des te meer gelden in het geval hij voor kinderen als vader wil functioneren en deze - zoals bij kinderen uiteraard van tijd tot tijd gebruikelijk is - hem niet als zodanig zullen accepteren. Gezien betrokkene's eerder vermelde krenkbaarheid en het niet specifieke karakter van een situatie als ten tijde van het ten laste gelegde ziet het onderzoekend team een aanzienlijk recidivegevaar voor een feit als het ten laste gelegde of soortgelijk.

Betrokkene komt - even afgezien van de eventuele strafmaat - niet in aanmerking voor een behandeling in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden, daar hij volstrekt onvoldoende inzicht heeft in zijn eigen functioneren en eventueel te behandelen problematiek volledig ontkend of gebagatalliseerd wordt. De duur van een eventuele behandeling zal ook de tijdspanne van een terbeschikkingstelling met voorwaarden verre te boven gaan, niet in het laatste vanwege betrokkenes massieve ontkenning van zijn stoornis.

Derhalve adviseert het onderzoekend Team Uw College om betrokkene een terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging van overheidswege op te leggen. Binnen een dergelijke behandeling zal ruimschoots aandacht geschonken dienen te worden aan betrokkene's infertiliteit en aan de wijze waarop hij hiermee omgaat, aan zijn krenkbaarheid en aan zijn gestoorde agressie huishouding."

Gelet op de indruk die het hof van verdachte heeft gekregen alsmede diens persoon voor zover daarvan uit de stukken blijkt, kan het hof zich met de in voormeld rapport opgenomen conclusies en adviezen verenigen, zodat het hof deze overneemt en tot de zijne maakt.

Nu gebleken is dat bij verdachte ten tijde van het plegen van het hiervoor bewezenverklaarde feit een zodanige ontwikkeling van zijn geestvermogens bestond dat dit feit hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend, het bewezenverklaarde feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, en er ook naar s' hofs oordeel groot recidivegevaar aanwezig is, is het hof - met de advocaat-generaal van oordeel - dat de veiligheid van anderen en/of de algemene veiligheid van personen, het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging eist.

Het hof zal derhalve naast voormelde gevangenisstraf de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen, nu de veiligheid van anderen en/of de algemene veiligheid het opleggen van die maatregel eist en bevelen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, nu de veiligheid van anderen en/of de algemene veiligheid van personen die verpleging eist.

Het hof is zich bewust van de nadelen die verbonden zijn aan het opleggen van deze langdurige gevangenisstraf in combinatie met het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging, zeker nu het het hof ambtshalve bekend is dat een verpleging in het kader van een TBS niet eerder pleegt aan te vangen, dan nadat (het grootste deel van) de gevangenisstraf is ondergaan.

De buitengewone ernst van het gepleegde feit echter maakt dat alleen oplegging van een zeer lange gevangenisstraf een duidelijke genoegdoening kan bieden aan de maatschappij en de direct betrokkenen. Het hof merkt hierbij nog op, dat het hof het zeer wenselijk acht - vanuit behandelingsperspectief - dat de behandeling van verdachte reeds op korte termijn zal plaatsvinden.

Toepassing van wetsartikelen.

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak.

HET HOF,

RECHTDOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

verklaart het verdachte als voormeld primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte als voormeld meer subsidiair ten laste gelegde bewezen en te kwalificeren als voormeld en verklaart dit feit en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van tien jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd:

gelast de teruggave aan verdachte van de navolgende inbeslaggenomen voorwerpen:

broek, t-shirt, shirt, schrijfblok, horloge(merk Claudio Calli Quartz), horloge(merk Rolex), horloge(merk Nike), styling gel, leren jas met inhoud(twee handschoenen, aansteker, twee formulieren Alfa ì Collega, boekje met telefoonnummers, diverse visitekaartjes, transactiebon ì ABN-AMRO jaar 2000, agenda 2001, agenda 2002, twee schrijfblokjes, agenda ì Environmental & Industrial, agenda Avebe), Soapy Balsem, luchtverfrisser, blok met notitieblaadjes, muts, een paar leren handschoenen, schrijfblok, horloge(merk Giovanni), horloge (merk Casio), horloge (merk Hema), horloge (merk Breitling), gouden ring, krantenknipsels over moord [slachtoffer], agenda Rabobank 2001, schrijfpapier, creditcardbonnen, rekeningoverzicht creditcard ANWB-Visa, parkeerticket d.d. 23 september 2002, plakstrips i.v.m. vezelonderzoek, creditcardhouder met diverse pasjes, bankpas SNS-Bank en bankpas ABN-AMRO, schuldbekentenissen, mobiele telefoon, brief, twee zeepblokjes, tijdschrift, twee sleutels, notitieboekje, twee delen van een notitieboek;

gelast de teruggave aan de familie [familie slachtoffer] van de navolgende inbeslaggenomen voorwerpen:

stiletto, zwart adresboekje, computer, mobiele telefoon, rood adresboekje, twee witte agenda's, telefoontoestel, reisdocument, paspoort, mes, blauw boekje, twee papieren, wit adresboekje, boekje gebruiksaanwijzing Panasonic, dagboek, foto, goudkleurige sieraden;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer subsidiair meer of anders is telastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

- Dit arrest -

Dit arrest is aldus gewezen door mrs. Huisman, voorzitter, Zwerwer en Van Zant, in tegenwoordigheid van mr. Bennen als griffier.