Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AR3987

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-10-2004
Datum publicatie
15-10-2004
Zaaknummer
BK 225/01 Verontreinigingsheffing
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vragen of de Verordening verbindende kracht mist omdat:

a) de stijging van het tarief ontoelaatbaar is;

b) de Verordening met terugwerkende kracht is vastgesteld;

c) niet aan de wettelijk gestelde publicatieplicht is voldaan.

Wetsverwijzingen
Grondwet 104
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2004/1332
V-N 2005/6.1.16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

BELASTINGKAMER UITSPRAAK

Nr.: 225/01 8 oktober 2004

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Z

(: belanghebbende), tegen de uitspraak van de ambtenaar belast met de heffing van het waterschap Velt en Vecht te Coevorden (: de heffingsambtenaar), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde voorlopige aanslag verontreinigingsheffing voor het jaar 2000.

1. Het ontstaan en de loop van het geding.

1.1. Met de dagtekening 30 juni 2000 heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende op grond van de Verordening verontreinigingsheffing van het waterschap Velt en Vecht, zoals deze verordening in het onderhavige jaar gold (: de Verordening), een voorlopige aanslag verontreinigingsheffing voor het jaar 2000 ten bedrage van f 424.270,- (berekend naar 3.500 vervuilingseenheden) opgelegd.

1.2. Nadat door belanghebbende bij de heffingsambtenaar tijdig een bezwaarschrift was ingediend, heeft laatstgenoemde bij de bestreden uitspraak van 9 februari 2001 de voorlopige aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij beroepschrift (met bijlage) dat ter griffie van het hof is ingekomen op 23 maart 2001 en dat werd aangevuld bij brief van 2 juli 2001.

1.4. Op 2 augustus 2001 is het verweerschrift (met bijlagen) van de heffingsambtenaar ter griffie ingekomen.

1.5. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof op 23 april 2003 te Leeuwarden. Op de zitting zijn verschenen de gemachtigde van belanghebbende, alsmede namens de heffingsambtenaar de heren A en B. Namens zowel belanghebbende als de heffingsambtenaar is ter zitting een pleitnotitie voorgelezen en overgelegd. Het onderzoek is vervolgens geschorst om de heffingsambtenaar de gelegenheid te geven te reageren op een nieuw door belanghebbende ter zitting ingebracht geschilpunt.

1.6. Bij brief van 15 mei 2003 heeft de heffingsambtenaar zijn reactie ingezonden. In de brief van 15 juni 2003 heeft belanghebbende vervolgens gereageerd. Partijen hebben beiden aangegeven dat ze afzien van een nadere mondelinge behandeling van de zaak ter zitting van het hof.

1.7. Van alle genoemde en nog te noemen stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Tussen partijen staat het volgende als niet, althans onvoldoende, weersproken vast:

2.1. Het waterschap Velt en Vecht is opgericht per 1 januari 2000 en is ontstaan uit de waterschappen De Vechtlanden, ’t Suydevelt en (ten dele) Groot Salland, Meppelerdiep en het Zuiveringsschap Drenthe. De dagelijkse besturen van de op te heffen waterschappen waren vóór die datum op basis van het overgangsreglement voor het waterschap Velt en Vecht gezamenlijk belast met de voorbereidingen van de besluitvorming van het algemeen bestuur van het aankomende waterschap Velt en Vecht. De dagelijkse besturen van de op te heffen waterschappen hebben de voorbereidingen van de besluitvorming van het algemeen bestuur van het waterschap Velt en Vecht gemandateerd aan de stuurgroep Velt en Vecht in oprichting. De stuurgroep heeft onder meer de voorbereiding van de Verordening ter hand genomen.

2.2. In de plaatselijke dagbladen van 21/22 december 1999 en 25/26 januari 2000 zijn vanwege het waterschap (in oprichting) berichten geplaatst waarin, naast algemene informatie over het per 1 januari 2005 op te richten waterschap Velt en Vecht, wordt aangegeven - zakelijk weergegeven -dat het tarief voor de verontreinigingsheffing hoger is dan voorheen.

2.3. Het in het onderhavige jaar in de Verordening gehanteerde tarief voor de verontreinigingsheffing vloeit voort uit de begroting van het waterschap. De ontwerpbegroting heeft van 29 november 1999 tot en met 27 december 1999 ter inzage gelegen en het ter inzage leggen is bekendgemaakt in de Drentse Courant en Zwolse Courant van 27 november 1999.

2.4. Op 5 januari 2000 heeft de eerste vergadering van het voorlopig algemeen bestuur van het waterschap Velt en Vecht plaatsgevonden. De begroting en de Verordening zijn op 5 januari 2000 door het voorlopig algemeen bestuur van het waterschap Velt en Vecht vastgesteld.

2.5. Op 13 januari 2000 is in de Drentse Courant en de Zwolse Courant de vaststelling van de begroting en de Verordening bekend gemaakt.

In die bekendmaking wordt, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Het algemeen bestuur heeft in zijn vergadering van 5 januari verder vastgesteld: de begroting 2000, de Omslagverordening, de Verordening Verontreinigingsheffing en de Kwijtscheldingsregeling waterschap Velt en Vecht. In de Omslagverordening staan de tarieven voor de waterkwaliteitsomslagen, terwijl de Verordening Verontreinigingsheffing het tarief voor de verontreinigingsheffing bevat.

……

Alle hiervoor genoemde verordeningen, besluiten en beleidsregels liggen vanaf heden tijdens kantooruren ter inzage in het waterschapshuis. Voor meer informatie kunt u contact opnemen met dhr. C, telefoon ….”

2.6. De originele Verordening is voorzien van een individueel kenmerk en wordt geordend bewaard in het waterschapshuis, waar deze verordening voor het publiek ter inzage ligt.

2.7. Op 5 januari 2000 heeft het dagelijks bestuur van het onderhavige waterschap een brief gestuurd naar onder meer belanghebbende persoonlijk, waarin onder andere wordt aangegeven dat het tarief van de verontreinigingsheffing ten opzichte van 1999 is gestegen met 30% en wordt als verklaring van de stijging de toegenomen kapitaallasten genoemd. Deze toename wordt volgens die brief veroorzaakt doordat de meeste rioolwaterzuiveringsinstallaties nieuw gebouwd of gerenoveerd zijn.

2.8. Met dagtekening 30 juni 2000 is belanghebbende de onderhavige voorlopige aanslag verontreinigingsheffing opgelegd. Na bezwaar heeft de heffingsambtenaar de voorlopige aanslag onverkort gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 In geschil is het antwoord op de vragen of de Verordening verbindende kracht mist omdat:

a) de stijging van het tarief ontoelaatbaar is;

b) de Verordening met terugwerkende kracht is vastgesteld;

c) niet aan de wettelijk gestelde publicatieplicht is voldaan.

3.2. Belanghebbende beantwoordt de vragen bevestigend en de heffingsambtenaar ontkennend.

Belanghebbende voert aan – kort samengevat – dat sprake is van terugwerkende kracht van de Verordening, hetgeen tot gevolg heeft dat de verordening onverbindend dient te worden verklaard. Daarnaast meent hij dat het tarief per vervuilingseenheid zodanig is gestegen (van f 85,32 voor 1999 naar f 121,22 voor 2000, terwijl in de belastingjaren 1998 en 1997 dat tarief f 78,96 en f 73,08 per vervuilingseenheid bedroeg), dat dit op dit punt tot onverbindendheid van de Verordening moet leiden. Tenslotte meent hij dat het waterschap niet heeft voldaan aan de wettelijke vereisten van bekendmaking ter zake van de Verordening, zodat ook om die reden de Verordening onverbindend is.

De heffingsambtenaar stelt – kort weergegeven – dat geen van de door belanghebbende aangevoerde argumenten leiden tot onverbindendheid van de Verordening, zodat de voorlopige aanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd.

3.3. Voor een uitgebreidere weergave van de wederzijdse standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1. Voorop dient te worden gesteld dat tussen partijen niet (meer) in geding is dat de onderhavige voorlopige aanslag overeenkomstig het bepaalde in de Verordening is vastgesteld. Nu het hof niet is gebleken dat partijen daarmee uitgaan van een onjuiste rechtsopvatting zal het hof hen daarin volgen.

Ten aanzien van het tarief

4.2. Nu er naar het oordeel van het hof geen gebrek kleeft aan de wijze waarop de (tariefstelling in de) Verordening en de daaraan ten grondslag liggende begroting zijn vastgesteld, kan het in de Verordening opgenomen tarief als vrucht van wetgevende arbeid van het algemeen bestuur van het waterschap niet aan de toetsing door de belastingrechter worden onderworpen. Daarbij merkt het hof op dat geen feiten aannemelijk zijn geworden die tot gevolg hebben dat sprake is van willekeurige of onredelijke regelgeving die de formele wetgever niet op het oog heeft gehad.

4.3. Dat er, zoals belanghebbende stelt, sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel omdat zij zich op de onderhavige tariefstijging ten opzichte van voorgaande jaren niet heeft kunnen voorbereiden, kan het hof niet volgen. Het waterschap (in oprichting) heeft immers ruim vóór het opleggen van de onderhavige aanslag meerdere keren uitgebreid informatie verschaft over de hoogte van het in 2000 bij het vaststellen van de aanslag verontreinigingsheffing toe te passen tarief en over de stijging van dat tarief ten opzichte van voorgaande jaren en de reden van die stijging. Evenmin is het hof gebleken dat de heffingsambtenaar bij het opleggen van de aanslag heeft gehandeld in strijd met enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Ten aanzien van de terugwerkende kracht

4.4. Artikel 19, lid 2 van de Verordening bepaalt dat de verordening in werking treedt op de eerste dag na haar bekendmaking en dat de Verordening terugwerkt tot en met 1 januari 2000. Lid 3 van dat artikel bepaalt dat de heffing van de verontreinigingsheffing ingevolge de Verordening plaatsvindt met ingang van 1 januari 2000.

4.5. Vaststaat dat de Verordening is vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van het waterschap Velt en Vecht van 5 januari 2000 en dat er bekendmaking heeft plaatsgevonden op 13 januari 2000. De Verordening is derhalve op 14 januari 2000 in werking getreden. Op grond van de Verordening wordt de verontreinigingsheffing voor het jaar 2000 alsdan met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2000 geheven.

4.6. Het rechtszekerheidsbeginsel brengt mee dat wetgevende maatregelen in beginsel alleen voor de toekomst gelden. Bijzondere omstandigheden kunnen evenwel terugwerkende kracht rechtvaardigen.

4.7. Met de heffingsambtenaar is het hof van oordeel dat, nu het waterschap Velt en Vecht is opgericht per 1 januari 2000 en het algemeen bestuur van dat waterschap derhalve pas vanaf dat tijdstip de bevoegdheid heeft gekregen om verordeningen als de onderhavige vast te stellen, het onvermijdelijk is dat er bij de inwerkingtreding van de Verordening voor het belastingjaar 2000 bij de heffing van verontreinigingsheffing sprake is van terugwerkende kracht. De materiële belastingschuld ten aanzien van de verontreinigingsheffing ontstaat immers reeds per 1 januari 2000 en het vaststellen van de Verordening door het algemeen bestuur is vóór 1 januari 2000 niet mogelijk. Het (algemeen bestuur van het) waterschap Velt en Vecht heeft naar het oordeel van het hof bewerkstelligd dat de terugwerkende kracht slechts een beperkte periode bestrijkt. Na het verkrijgen van genoemde bevoegdheid is de Verordening op zeer korte termijn van kracht geworden na vaststelling van die Verordening op 5 januari 2000 en bekendmaking daarvan op 13 januari 2000. Daarnaast heeft het waterschap (in oprichting) in de publieksadvertentie van 21 / 22 december 1999 al aangegeven dat er voor het belastingjaar 2000 door het - per 1 januari 2000 op te richten – waterschap Velt en Vecht een aanslag verontreinigingsheffing zal worden opgelegd, zodat belastingplichtigen reeds vóór het onderhavige belastingjaar kennis hebben kunnen nemen van de komende heffing verontreinigingsheffing en zich rekenschap hebben kunnen geven van het hogere tarief ten opzichte van voorgaande jaren in de komende Verordening. Onder de gegeven omstandigheden is het hof van oordeel dat het waterschap niet heeft gehandeld in strijd met het beginsel van rechtszekerheid door in de Verordening met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2000 de onderhavige heffing te laten plaatsvinden.

Ten aanzien van de bekendmaking

4.8. Het geschilpunt ter zake van de bekendmaking is pas op de zitting van het hof door belanghebbende opgeworpen. Nu het hof de heffingsambtenaar in de gelegenheid heeft gesteld hierop nader te reageren, kan niet worden gezegd dat hij in zijn procesbelangen is geschaad door het late opwerpen van dit geschilpunt door belanghebbende en dient ook dit geschilpunt in de beoordeling van het hof te worden betrokken.

4.9. Op grond van artikel 73, lid 2 van de Waterschapswet geschiedt bekendmaking van besluiten van het waterschapsbestuur die algemeen verbindende regels inhouden door plaatsing in een vanwege het waterschapsbestuur tegen betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gestelde publicatie en door het doen van mededeling daarvan in een plaatselijk verschijnend dag- of nieuwsblad. Ingevolge lid 1 van dat artikel verbinden deze regels niet dan wanneer ze zijn bekendgemaakt.

4.10. De bedoeling van laatstgenoemde artikelleden is dat het waterschap het publiek op de hoogte stelt van het bestaan van een verordening van het waterschap en het publiek wijst op de mogelijkheid om van deze verordening kennis te nemen. Gelet op de feiten onder 2.5 en 2.6, in onderling verband en samenhang bezien, voldoet het waterschap Velt en Vecht aan deze doelstelling. Dat in de mededeling (in de kranten) niet is vermeld dat de Verordening is geplaatst in een vanwege het waterschapsbestuur tegen betaling van kosten verkrijgbaar gestelde publicatie en dat de Verordening niet is geplaatst in een vanwege het waterschapsbestuur tegen betaling van kosten verkrijgbaar gestelde publicatie, leidt er onder de gegeven omstandigheden niet toe dat de Verordening verbindende kracht moet worden ontzegd.

5. De conclusie

De conclusie luidt derhalve dat het gelijk aan de kant van de heffingsambtenaar ligt.

6. De proceskosten

Er is geen aanleiding te komen tot een proceskostenveroordeling.

7. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond.

Gedaan op 8 oktober 2004 door prof mr E. Aardema, vice - president als voorzitter, mrs J. Huiskes en H.H.A. Fransen, beiden raadsheer, en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde voorzitter in tegenwoordigheid van mw mr K. De Jong – Braaksma, als griffier, en ondertekend door voornoemde voorzitter en griffier.

Op 13 oktober 2004 afschrift aangetekend aan beide partijen gezonden.

De griffier van het gerechtshof te Leeuwarden.