Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AR3959

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-10-2004
Datum publicatie
15-10-2004
Zaaknummer
BK 2172/02 Vennootschapsbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de voormelde bedragen van f. 12.000,-- en f. 7.000,-- voor belanghebbende kunnen worden aangemerkt als ten laste van haar winst in aanmerking komende kosten, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 27e
Algemene wet inzake rijksbelastingen 47
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/6.15 met annotatie van Redactie
FutD 2004-1925
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 2172/02 8 oktober 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X BV te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Emmen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 2000.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Belanghebbende werd in de vennootschapsbelasting voor het jaar 2000 door de inspecteur aangeslagen naar een belastbaar bedrag van f. 39.022,--.

Op de als tijdig bezwaar van belangebbende aangemerkte verbeterde aangifte heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 28 november 2002 de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 23 december 2002 is ingekomen.

Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) had ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 4 maart 2004, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig was de inspecteur. Belanghebbendes gemachtigde, opgeroepen bij aangetekende brief die op 14 januari 2004 door A op het adres a-straat 18A te Z in ontvangst is genomen, is niet verschenen.

Van alle genoemde en hierna nog te noemen stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

Sinds 21 september 2001 is B enig aandeelhouder en tevens bestuurder van belanghebbende. Hij heeft het gehele aandelenpakket in belanghebbende in 2001 van C verworven voor f. 7.000,--, die de aandelen op zijn beurt voor hetzelfde bedrag heeft verworven op 4 september 2000 (belanghebbende was toen nog genaamd D B.V.).

Door belanghebbende werd voor 2000 een aangifte voor de vennootschapsbelasting ingediend naar een belastbaar bedrag van f. 39.022,--, naar welk bedrag door de inspecteur de onderwerpelijke aanslag werd opgelegd.

Nader heeft belanghebbende een verbeterde aangifte ingediend, welke door de inspecteur als tijdig bezwaarschrift werd aangemerkt.

In deze verbeterde aangifte heeft belanghebbende het belastbaar bedrag verminderd met f. 12.000,-- ter zake van een vergoeding voor de directie voor autokosten op basis van een declaratie van 20.000 kilometer tegen f. 0,60 per kilometer.

Vervolgens heeft belanghebbende wederom een verbeterde aangifte ingediend, waarbij zij het belastbaar bedrag verminderde met f. 7.000,--, te weten een door haar gedane betaling van f. 7.000,-- voor de verwerving van de aandelen door – naar het hof begrijpt - C.

Op het bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak de aanslag gehandhaafd.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of de voormelde bedragen van f. 12.000,-- en f. 7.000,-- voor belanghebbende kunnen worden aangemerkt als ten laste van haar winst in aanmerking komende kosten, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

4. Het standpunt van belanghebbende.

Door belanghebbende is – voor zover te dezen van belang, kort samengevat – gesteld in het beroepschrift en mondeling ter zitting:

De autokosten hebben betrekking op de door de directeur ingediende declaratie.

De betaling van f. 7.000,-- is, bij wijze van stichtingskosten, aan te merken als algemene kosten.

Zij concludeert tot vermindering van de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van f. 20.022,--.

5. Het standpunt van de inspecteur.

De inspecteur heeft daartegenover – voor zover te dezen van belang, kort samengevat – aangevoerd in het verweerschrift en mondeling ter zitting:

Het bedrag van f. 12.000,-- is op geen enkele wijze aangetoond, bijvoorbeeld door een rittenadministratie of onderliggende bescheiden.

Op herhaalde verzoeken heeft belanghebbende niet voldaan aan de wettelijk op haar rustende verplichtingen om de gevraagde inlichtingen (bewijsstukken) te verstrekken, zodat deze kosten, die waarschijnlijk wel door belanghebbende zijn betaald, terecht niet zijn geaccepteerd.

De aankoopkosten van f. 7.000,-- voor de aandelen in belanghebbende kunnen niet als kosten voor belanghebbende worden geaccepteerd.

Hij concludeert tot het bevestigen van de uitspraak op het bezwaarschrift.

6. De overwegingen omtrent het geschil.

Vaststaat, dat belanghebbende f. 12.000,-- aan haar directeur-groot aandeelhouder is schuldig gebleven ter zake van door deze als directeur bij belanghebbende gedeclareerde autokosten.

Nu door de inspecteur niet is gesteld – en zulks ook overigens niet aannemelijk is geworden – dat deze door belanghebbende betaalde vergoeding, indien en voor zover bovenmatig, door belanghebbende aan haar aandeelhouder is gegeven met het oogmerk hem dusdoende in zijn hoedanigheid van aandeelhouder te bevoordelen, is deze vergoeding in zoverre niet aan te merken als bij belanghebbende niet aftrekbare verkapte winstuitdeling.

Voor dat geval moet worden aangenomen, dat belanghebbende C deze vergoeding heeft doen toekomen in zijn hoedanigheid van directeur, voor welk geval die vergoeding – wat er ook overigens zij van een eventuele bovenmatigheid daarvan – voor belanghebbende als kostenpost in aanmerking is te nemen.

Het beroep is in zoverre derhalve gegrond.

De inspecteur heeft nog gesteld, dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de op haar rustende wettelijke verplichting hem de gevraagde inlichtingen (bewijsstukken) te verstrekken, daarmee kennelijk betogend, dat de bewijslast te dezen op grond van artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op belanghebbende is komen te rusten.

Belanghebbende heeft evenwel gesteld, dat de vergoeding is gebaseerd op de door de directie ingediende declaratie van 20.000 kilometer tegen f. 0,60 per kilometer, terwijl aan het hof vervolgens niet aannemelijk is geworden dat belanghebbende daarnaast over de door de inspecteur gevraagde bewijsstukken, zoals een rittenadministratie en onderliggende bescheiden, de beschikking zou hebben.

Het hof gaat dan ook aan de hiervoor bedoelde stelling van de inspecteur voorbij.

Belanghebbende bepleit voorts, dat de door haar gedane betaling van f. 7.000,-- voor de aandelen in belanghebbende bij haar bij wijze van stichtingskosten in aftrek kunnen komen.

Bedoelde uitgaaf kan evenwel reeds daarom niet ten laste van de winst van belanghebbende komen, nu deze naar haar aard is gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van haar aandeelhouder en daarmee het zakelijke karakter voor belanghebbende ontbeert.

Het beroep is in zoverre ongegrond.

Gelet op hetgeen hiervoor werd overwogen is het beroep gegrond en moet de aanslag nader worden bepaald op een aanslag naar een belastbaar bedrag van f. 27.022,-- (€ 12.262,--).

In de omstandigheden van het geval vindt het hof aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht de inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten het hof op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt op € 483,--.

7. De beslissing.

Het hof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak van de inspecteur;

vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van f. 27.022,-- (€ 12.262,--);

bepaalt dat het betaalde griffierecht ad € 218,-- aan belanghebbende wordt vergoed door de inspecteur;

veroordeelt de inspecteur tot een vergoeding in de kosten van de procedure ad € 483,--, te betalen door de Staat der Nederlanden.

Gedaan op 8 oktober 2004 door prof. mr. Aardema, vice-president en voorzitter, mr. Van der Meer, raadsheer en mr. Van Westen, raadsheer-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de griffier mr. De Jong-Braaksma en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde voorzitter, in tegenwoordigheid van voornoemde griffier en door dezen ondertekend.

Op 13 oktober 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.

.