Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AR3942

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
14-10-2004
Zaaknummer
Rolnummer 9900250
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij tussenarrest van 3 maart 2004 heeft het hof [geïntimeerden] opgedragen bij akte nadere informatie in het geding te brengen met betrekking tot feiten en omstandigheden waaruit volgt dát, alsmede op welke tijdstippen, [appellante] in de periode na 17 januari 1996 de in het dictum van de kort gedingvonnissen van 17 januari en 15 maart 1996 neergelegde verboden heeft overtreden, waardoor zij voor een totaal bedrag van f 100.000,-- en van f 200.000,-- dwangsommen heeft verbeurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 13 oktober 2004

Rolnummer 9900250

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: [appellante],

procureur: mr aanvankelijk mr P.E. Mazel, thans mr J.V. van Ophem,

tegen

1. de besloten vennootschap [geïntimeerde 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats],

4. [geïntimeerde 4],

wonende te [woonplaats],

5. [geïntimeerde 5],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

procureur: aanvankelijk mr J. Winnips thans mr R.A. Schütz.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 3 maart 2004 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Ter voldoening aan het tussenarrest hebben [geïntimeerden] een akte met produkties genomen en [appellante] een antwoordakte.

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest.

De verdere beoordeling

1. Bij tussenarrest van 3 maart 2004 heeft het hof [geïntimeerden] opgedragen bij akte nadere informatie in het geding te brengen met betrekking tot feiten en omstandigheden waaruit volgt dát, alsmede op welke tijdstippen, [appellante] in de periode na 17 januari 1996 de in het dictum van de kort gedingvonnissen van 17 januari en 15 maart 1996 neergelegde verboden heeft overtreden, waardoor zij voor een totaal bedrag van f 100.000,-- en van f 200.000,-- dwangsommen heeft verbeurd.

2. Het hof heeft in r.o 16 van genoemd tussenarrest overwogen als volgt:

"[geïntimeerden] dienen als executanten nauwkeurig aan te geven op welk tijdstip welke overtreding door [appellante] heeft plaats gevonden, als gevolg waarvan voor [appellante] en voor het hof duidelijk is dat en wanneer dwangsommen zijn verbeurd; zulks blijkt immers niet voldoende exact uit het exploit van 21 maart 1996. [...].

Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een akte, zodat [geïntimeerden] gegevens/producties in het geding kunnen brengen waaruit duidelijk blijkt op welke data [appellante] welke verboden heeft overtreden. Een enkele verwijzing naar een eerder genomen conclusie of akte is daartoe onvoldoende. [geïntimeerden] dienen de akte vergezeld te doen gaan van bijvoorkeur schriftelijke stukken ter staving van de gestelde overtredingen en het eventuele ontbreken daarvan dienen zij gemotiveerd aan te geven op welke wijze zij de overtredingen denken te kunnen bewijzen."

3. Ter voldoening aan dit arrest hebben [geïntimeerden] een akte genomen, waarin zij nog eens herhalen hetgeen zij reeds vele malen in deze procedure hebben aangevoerd en wel dat namens [appellante] contact is opgenomen met relaties, leveranciers, afnemers en werknemers van [betrokken BV] met als gevolg dat zij zowel het kort gedingvonnis van 17 januari 1996 als van 15 maart 1996 heeft overtreden.

4. [appellante] heeft, als blijkend uit het kort gedingarrest van dit hof van 3 december 1997, toegegeven wel contact te hebben gezocht met de in dat arrest genoemde leveranciers, terwijl dat haar verboden was. In de onderhavige procedure komt zij thans gedeeltelijk terug op die stelling waar zij aanvoert dat niet zíj, doch haar advocaat contact heeft gezocht met de volgende (8) bedrijven met de vraag of er een exclusieve relatie tussen dat bedrijf en [betrokken BV] bestond, door aanschrijving van:

- Frimar d.d. 29 januari 1996

- OTC d.d. 29 januari 1996

- AGA GAS BV d.d. 24 januari 1996

- Klöckner d.d. 22 januari 1996

- Indugas d.d. 22 januari 1996

- [mogelijke zakenpartner 6] d.d. 22 januari 1996

- [mogelijke zakenpartner 7] d.d. 7 maart 1996

- Mechafin d.d. 7 maart 1996.

5. Nu er geen grond is om aan te nemen dat de advocaat van [appellante] deze aanschrijvingen pro se deed, moet er van uit worden gegaan dat hij een en ander deed in het belang van [appellante] en kan hij niet anders worden gezien dan als hulppersoon van [appellante] te dezer zake, zodat de gevolgen van het handelen van de advocaat voor rekening van [appellante] dienen te komen.

6. Waar het hof in zijn reeds genoemde arrest van 3 december 1997 tussen de zelfde partijen gewezen, in r.o. 5 heeft overwogen dat "nu [appellante] zelf heeft toegegeven wel contact te hebben gezocht met bedoelde leveranciers was daarmee voorshands gegeven dat zij het verbod, waartegen zij overigens geen appel had ingesteld had overtreden.", ziet hij in het licht van het voorgaande in de onderhavige procedure geen grond om tot een andere uitspraak te komen dan hij reeds op 3 december 1997 heeft gegeven. Daarmee staat vast dat [appellante] acht maal het vonnis van 17 januari 1996 heeft overtreden à f 5.000,- per overtreding, dus voor een bedrag aan verbeurde dwangsommen van in totaal

f 40.000,-- (Euro 18.151,20).

7. Ten aanzien van de overige 12 overtredingen van de in totaal 20 overtredingen waarvoor dwangsommen worden gevorderd, hebben [geïntimeerden] niet aan hun stelplicht voldaan door aan te geven op welke tijdstippen welke overtredingen door [appellante] hebben plaatsgevonden, zoals hiervoor is overwogen.

[geïntimeerden] hebben nog wel namen van allerlei getuigen genoemd die iets zouden kunnen verklaren over (een) overtreding(en), maar, onder de geschetste omstandigheden (het niet voldoen aan hun stelplicht) zal het hof dit getuigenbewijsaanbod passeren.

8. Hetzelfde geldt ten aanzien van de gepretendeerde overtredingen van het vonnis van 15 maart 1996. Ook hier geldt dat [geïntimeerden] niet aan hun stelplicht hebben voldaan, zodat het hof ook op dit punt het getuigenbewijsaanbod niet zal honoreren.

9. In hoger beroep heeft [appellante] haar vordering in zoverre gewijzigd dat zij onder II vordert voor recht te verklaren dat [geïntimeerden] geen (rechtstreeks) belang hebben bij het opleggen aan [appellante] van enig verbod met betrekking tot haar bedrijf. Het hof zal deze vordering afwijzen nu [appellante] onvoldoende heeft aangegeven wat het belang van deze vordering is, nu toch vaststaat dat het [appellante] vanaf 25 maart 1996 (de datum van het faillissement van [betrokken BV]) vrij stond haar bedrijf uit te oefenen, zoals het hof reeds overwoog in zijn tussenarrest in deze zaak van 3 maart 2004.

De slotsom

10. De grieven zijn ten dele terecht voorgedragen. Dit leidt er toe dat [appellante] voor een maximaal bedrag van f 40.000,- (Euro 18.151,20) dwangsommen heeft verbeurd, gebaseerd op het kort gedingvonnis van 17 januari 1996.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigen voor wat betreft het in hoger beroep gevorderde sub I onder 1, 2 en 3 van de inleidende dagvaarding, echter met dien verstande dat het hof hierbij 25 maart 1996 als ingangsdatum zal nemen, de datum van het faillissement van [betrokken BV], zoals door het hof reeds is overwogen in zijn tussenarrest in deze zaak van 3 maart 2004 en door de rechtbank in haar vonnis ook is beslist.

Nu met betrekking tot het onder I sub 5 gevorderde, n.l. te bepalen en te verstaan dat het op 21 maart 1996 gelegde beslag ten onrechte is gelegd, geldt dat daarvoor in de plaats een depot van f 100.000,-- is gekomen, behoeft het hof geen beslissing meer te nemen op dit punt.

Het hof zal het onder II gevorderde afwijzen.

De IIIe vordering in hoger beroep van [appellante], het bevel om mee te werken aan de vrijgave van het depot ten bedrage van f 100.000,- (Euro 45.378,02), zal het hof toewijzen zoals gevorderd, echter met dien verstande dat op voormeld bedrag het totaal bedrag van de verbeurde dwangsommen ad f 40.000 (Euro 18.151,20) in mindering zal worden gebracht, zodat een bedrag van f 60.000,- (Euro 27.226,82) zal dienen te worden vrijgegeven.

11. Met betrekking tot de kosten van de procedure (de IVe vordering) geldt dat nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, de kosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep zullen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

Het gerechtshof:

a) bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover het onder 1, 2 en 3 in het dictum van dat vonnis is bepaald;

b) vernietigt het vonnis voor het overige het bepaalde onder 4, 5, en 6 in het dictum en (in zoverre) opnieuw rechtdoende:

c) beveelt [geïntimeerden] om binnen 8 dagen na de betekening van dit arrest aan [geïntimeerden] mee te werken aan de vrijgave ten gunste van [appellante] van een deel van het onder berusting van de notarissen mrs Dijkhuizen & Nielsen te Groningen gestelde depotbedrag ad Euro 27.226,82 (f 60.000,--) op verbeurte van een dwangsom van Euro 453,78 per dag met een maximum van Euro 34.033,50 voor elke dag of gedeelte van een dag dat niet aan dit bevel wordt voldaan door ieder van de geïntimeerden die met de voldoening aan dit bevel in gebreke blijft;

d) wijst af het meer of anders (in hoger beroep) gevorderde;

e) compenseert de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep aldus

dat iedere partij de eigen kosten draagt;

f) verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Knijp, voorzitter, Bax-Stegenga en de Bock, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Mellink als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 13 oktober 2004.