Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AR3447

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-10-2004
Datum publicatie
07-10-2004
Zaaknummer
BK 752/03 Omzetbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur bij het vaststellen van de teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak van 22 maart 1994 tot en met 29 mei 2002 terecht rekening heeft gehouden met het bepaalde in artikel 29, tweede lid, van de Wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/7.19 met annotatie van Redactie
FutD 2004-1862
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 752/03 1 oktober 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Z tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Noord (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de aan haar in het kader van de omzetbelasting afgegeven teruggaafbeschikkingen over het tijdvak van 22 maart 1994 tot en met 29 mei 2002.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij beschikking van 27 januari 2003 heeft de inspecteur beslist op belanghebbendes verzoek om teruggaaf van omzetbelasting. Bij deze beschikking heeft de inspecteur aan de belanghebbende over het tijdvak van 22 maart 1994 tot en met 29 mei 2002 een teruggaaf verleend van € 300,--. Bij een hierop aanvullende beschikking van 7 februari 2003 heeft de inspecteur beslist aan de belanghebbende over genoemd tijdvak een (aanvullende) teruggaaf te verlenen van

€ 153,--.

1.2. Op het tijdig ingediende bezwaar van de belanghebbende tegen deze beschikkingen heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 7 augustus 2003 de beschikkingen gehandhaafd.

1.3. De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), dat op 16 september 2003 bij het gerechtshof is ingekomen.

1.4. Op 22 december 2003 heeft de inspecteur een verweerschrift (met bijlagen) bij het gerechtshof ingediend.

1.5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 19 augustus 2004, gehouden te Groningen, alwaar aanwezig waren mr. A namens de belanghebbende alsmede de inspecteur, vergezeld van een collega.

1.6. Ter voormelde zitting heeft de gemachtigde van de belanghebbende de door hem ter zitting voorgedragen pleitnota overgelegd.

1.7. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

1.1. Op .. maart 19.. is het faillissement van de belanghebbende uitgesproken.

2.2. Op .. mei 20.. heeft de rechtbank te Groningen de opheffing van het faillissement van de belanghebbende bevolen. Daarbij heeft de rechtbank het salaris van de curator vastgesteld op € 10.630,28 (exclusief omzetbelasting), verminderd met het voorschot van

€ 1.905,88 (exclusief omzetbelasting) en verschotten op € 706,16 (exclusief omzetbelasting).

2.3. Op 9 augustus 2002 heeft de belanghebbende de boedelaangifte omzetbelasting ingediend bij de inspecteur. Bij deze aangifte heeft de belanghebbende verzocht om teruggaaf van omzetbelasting tot een bedrag van € 2.142,--. De inspecteur heeft het tijdvak waarop deze aangifte betrekking heeft, vastgesteld op de periode van 22 maart 1994 tot en met 29 mei 2002.

2.4. In genoemde aangifte is een bedrag van € 2.154,-- in aftrek gebracht ter zake van de prestatie die de curator aan de belanghebbende heeft verricht.

2.5. Uit het financiële eindverslag aangaande het faillissement van de belanghebbende blijkt dat het saldo dat in de boedel aanwezig is, niet toereikend is om het door de rechtbank vastgestelde salaris van de curator te voldoen.

2.6. Bij de beschikkingen van 27 januari 2003 en 7 februari 2003 heeft de inspecteur aan de belanghebbende over het tijdvak van 22 maart 1994 tot en met 29 mei 2002 een teruggaaf van omzetbelasting verleend van in totaal een bedrag van € 453,--. Hierbij heeft de inspecteur rekening gehouden met het hiervoor onder punt 2.5 vermelde en heeft daarom bij het vaststellen van de teruggaaf toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 29, tweede lid, van de Wet op omzetbelasting 1968 (: de Wet).

2.7. Op het bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak de beschikkingen gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de inspecteur bij het vaststellen van de teruggaaf van omzetbelasting over het tijdvak van 22 maart 1994 tot en met 29 mei 2002 terecht rekening heeft gehouden met het bepaalde in artikel 29, tweede lid, van de Wet.

3.2. De belanghebbende is – kort weergegeven – van mening dat het volledige door de rechtbank vastgestelde salaris van de curator aan de boedel in rekening kan worden gebracht. De daarbij door de curator aan de belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting ad € 2.154,-- kan dan volledig als voorbelasting in aftrek worden gebracht. De vaststelling door de rechtbank van het salaris van de curator gaat vooraf aan de vereffening. Een eventuele vordering ex artikel 29, tweede lid, van de Wet ontstaat pas na de vereffening. De inspecteur had bij de onderhavige beschikkingen dan – rekening houden met de verschuldigde omzetbelasting over de door de belanghebbende verrichte prestaties en de overige door derden aan de belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting van per saldo € 11,-- – een teruggaaf moeten verlenen van (afgerond) € 2.142,--.

3.3. De inspecteur stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat op hetzelfde moment als het moment (.. mei 20..) waarop de rechtbank het salaris van de curator heeft vastgesteld, door vergelijking met het beschikbare saldo van de boedel vaststond dat het door de rechtbank vastgestelde salaris niet geheel door de belanghebbende zou worden voldaan. Dat moment, in het uiterste geval een moment later dan de vaststelling van het salaris, is ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Wet het tijdstip waarop de omzetbelasting over dat deel van het salaris dat niet door de belanghebbende zal worden voldaan, is verschuldigd. Dit tijdstip is gelegen binnen het tijdvak van 22 maart 1994 tot en met 29 mei 2002, zodat bij de vaststelling van de teruggaaf over dit tijdvak rekening moet worden gehouden met de door de belanghebbende over een deel van het salaris verschuldigd geworden omzetbelasting. Er is derhalve bij de onderhavige beschikkingen terecht teruggaaf van omzetbelasting verleend tot een bedrag van € 453,--.

3.4. Partijen hebben ter zitting desgevraagd aangegeven dat zij zich kunnen verenigen met de door de wederpartij overeenkomstig het desbetreffende juridische standpunt gemaakte berekening van de teruggaaf omzetbelasting, zoals vermeld onder de punten 3.2 en 3.3.

3.5. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Zij hebben daaraan ter zitting geen argumenten toegevoegd.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1. Ingevolge artikel 14 van de Wet moet de in een tijdvak verschuldigd geworden belasting op aangifte worden voldaan.

4.2. Artikel 25 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 bepaalt dat de inspecteur in bijzondere gevallen een ander tijdvak dan een kwartaal of een maand kan aanwijzen als tijdvak waarover omzetbelasting moet worden betaald.

4.3. Ingeval de voor aftrek in aanmerking komende belasting meer bedraagt dan de in het tijdvak verschuldigd geworden belasting, wordt het verschil aan de ondernemer op zijn verzoek terugbetaald, aldus artikel 17 van de Wet.

4.4. Een verzoek om teruggaaf van belasting geschiedt, ingevolge artikel 33, eerste lid, van de Wet, bij de aangifte over het tijdvak waarin het recht op teruggaaf is ontstaan.

4.5. Artikel 29, tweede lid, van de Wet bepaalt het volgende. De ondernemer die ingevolge artikel 15 belasting in aftrek heeft gebracht terzake van de aan hem verrichte leveringen van goederen en diensten, wordt het afgetrokken bedrag naar evenredigheid als belasting verschuldigd op het tijdstip waarop en voor zover redelijkerwijs moet worden aangenomen dat hij de vergoeding waarop dat bedrag betrekking heeft, niet of niet geheel zal betalen dan wel heeft terugontvangen. De belasting wordt in ieder geval verschuldigd twee jaren na de opeisbaarheid van de vergoeding, voor zover deze op dat tijdstip nog niet is betaald. De verschuldigd geworden belasting wordt op de voet van artikel 14 voldaan.

4.6. Vaststaat de inspecteur in casu het onder de punt 4.1 en 4.2 bedoelde tijdvak heeft vastgesteld op de periode van 22 maart 1994 tot en met 29 mei 2002. De juistheid van dit vastgestelde tijdvak heeft de belanghebbende niet betwist en van een onjuiste rechtsopvatting is naar het oordeel van het gerechtshof in dit verband geen sprake. Voorts staat vast dat de rechtbank te Groningen op .. mei 20.. – welke datum binnen voormeld tijdvak valt – de opheffing van het faillissement van de belanghebbende heeft bevolen en daarbij het salaris van de curator heeft vastgesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat de over dit salaris door de curator aan de belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting bij de aangifte over voormeld tijdvak volledig als voorbelasting in aftrek kan worden gebracht, hetgeen het gerechtshof juist voorkomt. Op het moment (.. mei 20..) waarop de rechtbank de opheffing van het faillissement heeft bevolen en het salaris van de curator heeft vastgesteld, dan wel een moment later, moet naar het oordeel van het gerechtshof door vergelijking met het beschikbare saldo van de boedel worden aangenomen dat de belanghebbende een deel van het salaris van de curator niet zal betalen. Aldus is de belanghebbende, ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Wet, op het tijdstip van deze aanname de in aftrek gebrachte voorbelasting over dit deel van het salaris als omzetbelasting verschuldigd. Dit tijdstip is naar het oordeel van het gerechtshof gelegen binnen het onderhavige tijdvak, dat eindigt op 29 mei 2002. Gelet op hetgeen onder de punten 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, dient de verschuldigd geworden belasting over het deel van het salaris dat niet zal worden voldaan, naast de voorbelasting over het gehele vastgestelde salaris van de curator, naar het oordeel van het gerechtshof in de aangifte over het tijdvak van 22 maart 1994 tot en met 29 mei 2002 te worden begrepen. Bij de beslissing(en) op het bij deze aangifte gedane verzoek om teruggaaf van omzetbelasting heeft de inspecteur naar het oordeel van het gerechtshof bij het vaststellen van het bedrag van de teruggaaf terecht de op grond van het bepaalde in artikel 29, tweede lid, van de Wet verschuldigd geworden omzetbelasting in aanmerking genomen. Het gerechtshof merkt hierbij op dat indien, zoals in casu, op enig moment bij een ondernemer ter zake van een aan hem verleende dienst recht op aftrek van voorbelasting ontstaat, het betreffende bedrag aan voorbelasting eerst bij de aangifte over het tijdvak waarin dit recht op aftrek is ontstaan, op de in het desbetreffende tijdvak verschuldigde belasting in aftrek kan worden gebracht. Ter zake van een in aftrek te brengen bedrag aan voorbelasting, zoals de over het vastgestelde salaris van de curator aan de belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting, bestaat dus geen afzonderlijk recht op teruggaaf van omzetbelasting. Belanghebbendes stelling (zie de punten 4 en 5 op bladzijde 2 van zijn beroepschrift) inhoudende dat – naar het gerechtshof begrijpt – de volledige voorbelasting ter zake van het salaris van de curator (afzonderlijk) aan de belanghebbende dient te worden gerestitueerd, zodat dit – doordat hierdoor de omvang van de boedel wordt vergroot – uiteindelijk aan de curator kan worden uitgekeerd, berust naar het oordeel van het gerechtshof dan ook op een onjuiste interpretatie van de systematiek van de Wet alsmede het door de belanghebbende in casu aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 6 mei 1983 (V-N 1983/1057). Het gerechtshof merkt voorts op dat de preferentierangorde bij het bepalen van de hoogte van de teruggaaf van omzetbelasting geen rol speelt.

4.7. De belanghebbende heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel door – kort gezegd – te stellen dat de inspecteur in een ander geval de volledige omzetbelasting over het door de rechtbank vastgestelde salaris heeft gerestitueerd. De inspecteur heeft evenwel gemotiveerd aangegeven dat met betrekking tot het door de belanghebbende aangedragen geval geen sprake is geweest van een door hem ten aanzien van een bepaalde groep van gevallen gevoerd begunstigend beleid dat afwijkt van de juiste wetstoepassing. Er was in het betreffende geval slechts sprake van een eenmalige incidentele fout. Nu in het geval van de belanghebbende de wet op de juiste wijze is toegepast, kan niet worden gezegd dat in de meerderheid van gelijke gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven, aldus de inspecteur. Naar het oordeel van het gerechtshof heeft de belanghebbende tegenover deze gemotiveerde betwisting van de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat inspecteur ten aanzien van een bepaalde groep van vergelijkbare gevallen een begunstigend beleid heeft gevoerd dat afwijkt van de juiste wetstoepassing, ter zake van het aangedragen geval het oogmerk van begunstiging heeft gehad dan wel in de meerderheid van gelijke gevallen een juiste wetstoepassing achterwege heeft gelaten. Het hof acht aannemelijk dat sprake was van een incidentele fout. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve. Voorzover de belanghebbende een beroep heeft gedaan op het vertrouwensbeginsel door te verwijzen naar een in het zojuist bedoelde andere geval gezonden brief van 25 oktober 2002 (productie 11 bij het beroepschrift), overweegt het gerechtshof dat ook dit beroep haar niet kan baten. Deze brief is immers niet aan de belanghebbende gericht. Voorts is gesteld noch bleken dat de inspecteur aan de belanghebbende heeft toegezegd dat hij het onderhavige verzoek om teruggaaf op dezelfde wijze zou behandelen als hij bij genoemde brief heeft gedaan.

4.8. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat belanghebbendes beroep geen doel treft.

5. De proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 1 oktober 2004 door mr. Van der Meer, raadsheer, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier mr. Hiemstra en ondertekend door voornoemde raadsheer en voornoemde griffier.

Op 6 oktober 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.