Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AR3445

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-10-2004
Datum publicatie
07-10-2004
Zaaknummer
BK 587/03 Inkomstenbelasting
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BC9550, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

3.1. In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

a. Dienen de door de belanghebbende met haar in het Landhuis verrichte werkzaamheden behaalde inkomsten in het kader van de inkomstenbelasting als winst uit onderneming, belastbaar loon, of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden beschouwd te worden?

b. Heeft de inspecteur de door de belanghebbende opgevoerde kosten ter zake van kleding en persoonlijke verzorging terecht niet in aanmerking genomen?

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001 3.4
Wet inkomstenbelasting 2001 3.16
Wet inkomstenbelasting 2001 3.80
Wet inkomstenbelasting 2001 3.81
Wet inkomstenbelasting 2001 3.94
Wet inkomstenbelasting 2001 3.95
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/6.1.4
FutD 2004-1851
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 587/03 1 oktober 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Noord (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (: IB/PV) voor het jaar 2001.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan de belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag IB/PV opgelegd naar een verzamelinkomen van € 12.475,--.

1.2. Op het tijdig ingediende bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 10 juni 2003 de aanslag gehandhaafd.

1.3. De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlage), dat op 9 juli 2003 bij het gerechtshof is ingekomen. Bij brief (met bijlagen), ingekomen op 21 augustus 2003, heeft de belanghebbende zijn beroepschrift aangevuld met de gronden van het beroep.

1.4. De inspecteur heeft op 16 december 2003 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend bij het gerechtshof.

1.5. Op 3 maart 2004 heeft de belanghebbende een conclusie van repliek (met bijlagen) ingediend bij het gerechtshof.

1.6. Van de inspecteur is op 5 april 2004 een conclusie van dupliek (met bijlagen) ingekomen bij het gerechtshof.

1.7. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 19 augustus 2004, gehouden te Groningen, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende vergezeld van de belanghebbende en de heer A, alsmede de inspecteur.

1.8. Ter voormelde zitting hebben de gemachtigde van de belanghebbende en de inspecteur beiden een pleitnota voorgedragen en overgelegd

1.9. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1. De belanghebbende, geboren op .. september 19.. en ongehuwd, is sinds begin 1999 als prostituee werkzaam in Landhuis B te L (hierna: het Landhuis). Overigens verricht de belanghebbende geen werkzaamheden.

2.2. De heer C is exploitant van het Landhuis. De belanghebbende is door middel van haar reactie op een door de heer C (hierna: de exploitant) geplaatste advertentie met de exploitant in contact gekomen. Bij aanvang van haar werkzaamheden bij het Landhuis heeft de belanghebbende haar identiteitskaart moeten tonen.

2.3. De belanghebbende beschikt zelf niet over een vergunning ten behoeve van het (van haar huis uit) verrichten van werkzaamheden als prostituee. Het Landhuis is daarentegen wel in het bezit van een dergelijke vergunning.

2.4. De belanghebbende heeft zich niet ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.

2.5. De belanghebbende en de exploitant hebben geen schriftelijke overeenkomst opgesteld. Er is tussen hen wel sprake van een mondelinge “samenwerkingsovereenkomst”.

2.6. De exploitant en de in het Landhuis werkzame prostituees – waaronder de belanghebbende – stellen in gezamenlijk overleg een rooster op. Dit rooster strekt ertoe een evenwichtige bezetting in het Landhuis te waarborgen. De belanghebbende stond in het onderhavige jaar ingeroosterd op de maandag van 12.00 tot 24.00 uur, op de donderdag van 18.00 tot 24.00 uur en op de vrijdag van 12.00 tot 24.00 uur.

2.7. De exploitant heeft algemene huisregels vastgesteld, waaraan de klanten en de prostituees zich moeten houden.

2.8. In het Landhuis en in advertenties wordt vermeld dat sprake is van “zelfstandige gastvrouwen”.

2.9. De prijzen voor de consumpties in het cafédeel van het Landhuis worden door de exploitant vastgesteld. Voor de persoonlijke dienstverlening door de prostituees worden in het Landhuis vaste prijzen gehanteerd. Het vastgestelde basistarief – dat voor alle in het Landhuis werkzame prostituees gelijk is – omvat de relaxkamerhuur, basisverrichting door de prostituee, gebruik van sanitaire middelen en linnengoed. Louter om commerciële redenen wordt in de barruimte en de relaxkamers van het Landhuis het basistarief gepubliceerd.

2.10. De belanghebbende gaat met de klanten, zijnde de bezoekers van het Landhuis, zelf een overeenkomst ter zake van persoonlijke dienstverlening aan. Het inkomen van de belanghebbende is afhankelijk van het aantal klanten. Er is geen sprake van enige garantie wat inkomen of omzet betreft. De belanghebbende heeft geen recht op inkomen als zij ten gevolge van ziekte of anderszins niet in staat is haar werkzaamheden te verrichten.

2.11. De in het Landhuis werkzame prostituees rekenen vooraf in de relaxkamer af met de betreffende klant. Nadat de persoonlijke dienstverlening heeft plaatsgevonden geven de prostituees het ontvangen bedrag af bij de bar. Van het door de prostituees ontvangen basistarief komt 50% ten goede aan de exploitant ten behoeve van het gebruik van de relaxkamer, het linnengoed en de sanitaire voorzieningen en gemaakte advertentie- en publiciteitskosten. Na afloop van de werkdag rekent de exploitant of diens vervanger contant af met de prostituees. De exploitant houdt daarvan een kasboek bij. De prostituees ontvangen dan de door hen bij de bar afgegeven bedragen verminderd met het deel dat aan de exploitant ten goede komt. De belanghebbende houdt deze (netto-)inkomsten bij in een aan haar de door de exploitant verstrekt kasboek. Uitgaven worden in dit kasboek niet vermeld.

2.12. De prostituees mogen het Landhuis niet met een klant verlaten.

2.13. De kosten van condooms en massageolie komen voor rekening van de exploitant. Maaltijden en drankjes worden (niet gratis) door de exploitant aan de prostituees verstrekt.

2.14. In de door de heer A, verbonden aan D B.V., opgestelde jaarrekening is het deel van de door de belanghebbende ter zake van haar werkzaamheden ontvangen bedragen dat ten goede komt aan de exploitant (50% van het basistarief), niet opgenomen. Slechts het aan de belanghebbende toekomende deel van de ontvangsten is als omzet aangegeven.

2.15. De belanghebbende draagt zelf de uitgaven voor de reiskosten, persoonlijke verzorging en kleding. In de jaarrekening is een bedrag van ƒ 325,-- opgevoerd ter zake van de uitgaven voor de kapper en make-up. Ter zake van kleding die de belanghebbende draagt tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden, is een bedrag van ƒ 1.065,-- opgevoerd. In de jaarrekening is als autokosten een bedrag van ƒ 13.613,-- in aanmerking genomen.

2.16. De Belastingdienst/Amsterdam heeft behandelprogramma’s ontwikkeld voor de branche, waarin de belanghebbende werkzaam is. Met deze gegevens is de Belastingdienst/Noord/kantoor Groningen, evenals de Belastingdienst/Oost-Brabant/kantoor Eindhoven en kantoor ’s-Hertogenbosch, bezig (geweest) de fiscale probleempunten in deze branche te onderzoeken. Nadat de problemen in kaart zijn gebracht, wil men onderzoeken of het mogelijk is de behandelingswijze voor deze branche te uniformeren en de ervaringen binnen de gehele belastingdienst uit te zetten.

2.17. Naar aanleiding van het onder punt 2.16 vermelde heeft de inspecteur bij het beoordelen van de aangifte IB/PV voor het jaar 2001 vragen gesteld over de aangifte van de belanghebbende. Vervolgens is er op 29 januari 2003 een bespreking geweest tussen de inspecteur en de belanghebbende, in het bijzijn van de exploitant en diens echtgenote. Daarbij heeft de inspecteur een standaard vragenlijst (behandelmodule) gehanteerd. Deze behandelmodule diende slechts ter vaststelling van de feiten.

2.18. In het onderhavige jaar waren in het Landhuis zes prostituees werkzaam. Vier van deze prostituees zijn in het kader van de IB/PV aangemerkt als ondernemer. Deze personen, woonachtig in M, N, O en P, vielen buiten het ambtsgebied van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Groningen. De belanghebbende, daarentegen, ressorteerde wel onder deze (vóór 1 januari 2003 bestaande) eenheid. Van één van de prostituees is niet bekend of zij al dan niet als ondernemer is beschouwd.

2.19. De inspecteur heeft aan de belanghebbende een aanslag IB/PV opgelegd naar een verzamelinkomen van € 12.475,--. Daarbij heeft hij de door de belanghebbende met haar in het Landhuis verrichte werkzaamheden behaalde inkomsten aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden, in plaats van – zoals de belanghebbende in haar aangifte had aangegeven – winst uit onderneming. In verband met deze correctie heeft de inspecteur aan de belanghebbende geen zelfstandigenaftrek ad € 7.858,-- verleend. Verder heeft de inspecteur – naast een andere thans niet relevante correctie inzake reiskosten – de door de belanghebbende opgevoerde kosten ter zake van kleding en persoonlijke verzorging (in totaal € 630,--) niet in aanmerking genomen.

2.20. Op het bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak de aanslag gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1. In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

a. Dienen de door de belanghebbende met haar in het Landhuis verrichte werkzaamheden behaalde inkomsten in het kader van de inkomstenbelasting als winst uit onderneming, belastbaar loon, of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden beschouwd te worden?

b. Heeft de inspecteur de door de belanghebbende opgevoerde kosten ter zake van kleding en persoonlijke verzorging terecht niet in aanmerking genomen?

3.2. De belanghebbende stelt zich – kort weergegeven – op de volgende standpunten:

a. Primair: De belanghebbende dient voor de inkomstenbelasting als zelfstandig beroepsbeoefenaar aangemerkt te worden. De met haar werkzaamheden behaalde inkomsten dienen alsdan te worden gerekend tot winst uit onderneming, zodat de belanghebbende recht op zelfstandigenaftrek heeft.

b. Subsidiair: De door de belanghebbende genoten inkomsten dienen als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking te worden genomen. De belanghebbende heeft dan geen recht op zelfstandigenaftrek.

c. De kosten ter zake van kleding en persoonlijke verzorging dienen zowel bij het primair als het subsidiaire standpunt in aftrek te worden toegelaten.

3.3. De inspecteur stelt zich – kort weergegeven – op de volgende standpunten:

a. Primair: Ten aanzien van de door de belanghebbende genoten inkomsten is sprake van loon uit dienstbetrekking. Hierom heeft de belanghebbende geen recht op zelfstandigenaftrek en aftrek van kosten ter zake van kleding en persoonlijke verzorging.

b. Subsidiair: De door de belanghebbende genoten inkomsten dienen als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking te worden genomen. Hierom heeft de belanghebbende geen recht op zelfstandigenaftrek. De kosten voor kleding en persoonlijke verzorging kunnen niet in aftrek worden toegelaten.

c. Meer subsidiair: Indien met betrekking tot de belanghebbendes inkomsten sprake is van winst uit onderneming, heeft de belanghebbende recht op zelfstandigenaftrek. Aftrek van kosten ter zake van kleding en persoonlijk verzorging is niet mogelijk.

3.4. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die door hen in de van hen afkomstige stukken alsmede mondeling ter zitting zijn aangevoerd.

3.5. Ter zitting heeft de gemachtigde van de belanghebbende zijn beroep voor zover dit is gericht tegen de aan de belanghebbende opgelegde aanslag Ziekenfondswet voor het jaar 2001, ingetrokken.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1. Ingevolge artikel 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (: de Wet) wordt verstaan onder ondernemer: de belastingplichtige voor rekening van wie een onderneming wordt gedreven en die rechtstreeks wordt verbonden voor verbintenissen betreffende die onderneming. Artikel 3.5 van de Wet bepaalt dat mede wordt verstaan onder onderneming: het zelfstandig uitgeoefende beroep. Onder ondernemer wordt mede verstaan: de beoefenaar van een zelfstandig beroep.

4.2. Naar het oordeel van het gerechtshof kan de belanghebbende ten aanzien van de door haar in het Landhuis verrichte werkzaamheden in het onderhavige jaar niet als ondernemer (zelfstandige beroepsbeoefenaar) in de zin van de Wet (zie het onder punt 4.1 overwogene) worden beschouwd. Hierbij heeft het gerechtshof het volgende – in onderling verband en samenhang bezien – in ogenschouw genomen:

- De belanghebbende stond niet ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en zij beschikte zelf niet over een vergunning ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden als prostituee (zie de punten 2.3 en 2.4)

- Uit de omstandigheid dat een deel van het basistarief aan de exploitant ten goede komt ten behoeve van onder meer de door hem gemaakte advertentie- en publiciteitskosten (zie punt 2.11), leidt het gerechtshof af dat de werving van klanten slechts door de exploitant geschied. Ook draagt de exploitant, naar het gerechtshof opmaakt uit het onder punt 2.2 vermelde, zorg voor de werving van nieuwe prostituees. Gesteld noch gebleken is dat de belanghebbende met deze zaken enige bemoeienis heeft gehad. Naar het oordeel van het gerechtshof heeft de belanghebbende tegenover de gemotiveerde weerspreking van de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de in het Landhuis gehanteerde tarieven in gezamenlijk overleg tussen de prostituees onderling en de exploitant worden vastgesteld. Het gerechtshof gaat er dan ook vanuit – naar de inspecteur heeft gesteld – dat de tarieven (en de verhogingen daarvan) door de exploitant worden vastgesteld. De algemene huisregels zijn eveneens door de exploitant bepaald (zie punt 2.7). De belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in het Landhuis andere diensten heeft verricht dan die tot het basistarief behoren, nu zij ten aanzien van deze andere diensten geen omzet heeft aangegeven. Verder mag de belanghebbende het Landhuis niet met een klant verlaten (zie punt 2.12). Al met al komt het gerechtshof dan ook tot de conclusie dat de belanghebbende in het Landhuis van de exploitant tegen een door de exploitant vastgesteld tarief slechts werkzaamheden heeft verricht betreffende de onder het basistarief vallende persoonlijke dienstverlening, waarbij zij bij de uitoefening van deze werkzaamheden gebruik heeft gemaakt van de in het Landhuis aanwezige en door de exploitant verstrekte faciliteiten (zie punt 2.9 en 2.13). Niet aannemelijk is geworden dat de belanghebbende enige invloed van betekenis, behoudens het gezamenlijk opstellen van het rooster (zie punt 2.6), heeft gehad op de gang van zaken binnen het Landhuis.

- Het risico van negatieve voordelen bestond enkel – naar de belanghebbende zelf heeft gesteld – uit een bedrag aan reiskosten ingeval de belanghebbende wel in het Landhuis aanwezig was, maar er niet van haar diensten gebruik werd gemaakt.

- De belanghebbende heeft in het aan haar door de exploitant verstrekte kasboek geen melding gemaakt van het aan de exploitant ten goede gekomen deel van de bedragen die zij van de klanten heeft ontvangen. In dit kasboek alsmede in de jaarrekening werden slechts de door haar in het Landhuis verworven inkomsten, verminderd met het (niet vermelde) deel dat aan de exploitant ten goede komt, als omzet aangegeven (zie punt 2.11 en 2.14). Dit impliceert naar het oordeel van het gerechtshof dat de belanghebbende het aan de exploitant toekomende deel van de ontvangsten van de klanten niet als ondernemerskosten heeft beschouwd. Ook overigens heeft de belanghebbende naar het oordeel van het gerechtshof geen specifieke bedrijfskosten gemaakt (zie ook het hierna onder de punten 4.8 tot en met 4.11 overwogene).

In dit geding staan naar het oordeel van het gerechtshof geen feiten vast (zie de punten 2.1 tot en met 2.14) die dienen te leiden tot een andersluidend oordeel. De omstandigheid bijvoorbeeld dat in het Landhuis en in advertenties wordt vermeld dat sprake is van “zelfstandig gastvrouwen” houdt naar het oordeel van het gerechtshof niet per definitie in dat kan worden gesproken van zelfstandige beroepsbeoefenaars in de zin van de Wet. Ook de omstandigheid dat de belanghebbende met de klanten zelf een overeenkomst ter zake van persoonlijke dienstverlening aangaat, kan op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat sprake is van ondernemerschap. Ook overigens heeft de belanghebbende geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die afdoen aan voormeld oordeel.

4.3. Nu de belanghebbende niet als ondernemer kan worden beschouwd, kunnen de met haar werkzaamheden behaalde inkomsten niet als winst uit onderneming in aanmerking worden gehouden. Dit houdt is dat de belanghebbende geen recht op zelfstandigenaftrek heeft.

4.4. Ingevolge artikel 3.81 juncto artikel 2 van de Wet op de loonbelasting 1964 is – voor zover hier van belang – werknemer de natuurlijke persoon die tot een inhoudingsplichtige in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.

4.5. Uit hetgeen onder punt 2.10 is vermeld, maakt het gerechtshof op dat de exploitant niet gehouden was loon dan wel enige andere vergoeding te betalen voor de door de belanghebbende in het Landhuis verrichte werkzaamheden. De belanghebbende sloot immers zelf – naar het gerechtshof aanneemt op eigen naam en voor eigen rekening – met de klanten (de bezoekers van het Landhuis) overeenkomsten, waarbij – naar het gerechtshof veronderstelt – de belanghebbende zich verplichtte de onder het basistarief begrepen diensten te verrichten en de klanten zich daartegenover verplichtten een geldelijke vergoeding voor deze diensten aan de belanghebbende te betalen. Weliswaar rekende de exploitant aan het einde van de werkdag af met de belanghebbende, maar dit hield – naar het gerechtshof opmaakt uit het onder punt 2.11 vermelde – niet meer in dan dat de exploitant de door de belanghebbende aan de bar van afgegeven bedragen onder inhouding van het aan de exploitant ten goede gekomen deel teruggaf. Nu op de exploitant geen verplichting rustte tot het betalen van loon dan wel enige andere vergoeding of verstrekking aan de belanghebbende, kan niet worden gezegd dat tussen de belanghebbende en de exploitant sprake was van een dienstbetrekking. De inspecteur heeft geen feiten aannemelijk gemaakt die nopen tot een andersluidend oordeel.

4.6. Het onder punt 4.5 overwogene leidt tot het oordeel dat de door de belanghebbende genoten inkomsten niet als loon in de zin van artikel 3.80 van de Wet in aanmerking kunnen worden genomen.

4.7. Nu ten aanzien van de door de belanghebbende genoten inkomsten terzake van haar werkzaamheden in het Landhuis geen sprake is van winst uit onderneming dan wel loon uit dienstbetrekking, moeten deze inkomsten naar het oordeel van het gerechtshof worden aangemerkt als resultaat uit een werkzaamheid in de zin van artikel 3.94 van de Wet.

4.8. Ingevolge artikel 3.95 van de Wet juncto artikel 3.16, tweede lid, onderdeel c en vijfde lid, onderdeel a, van de Wet komen bij het bepalen van de winst mede niet in aftrek kosten en lasten ten behoeve van de belastingplichtige zelf die verband houden met kleding, met uitzondering van werkkleding. Kleding wordt als werkkleding aangemerkt indien zij uitsluitend of nagenoeg uitsluitend geschikt is om in het kader van de onderneming te worden gedragen. Lid 7 van artikel 3.16 van de Wet bepaalt dat het tweede lid, onderdeel c, niet van toepassing is ten aanzien van de belastingplichtige die optreedt als artiest of als presentator of die als beroep een tak van sport beoefent.

4.9. De belanghebbende heeft gesteld dat zij speciaal ondergoed heeft aangeschaft, dat (nagenoeg) uitsluitend geschikt is om in het kader van haar werkzaamheden als prostituee te worden gedragen. Tegenover de gemotiveerde weerspreking van de inspecteur heeft zij deze stelling evenwel niet aannemelijk gemaakt, zodat zij – gelet op het onder punt 4.8 overwogene – naar het oordeel van het gerechtshof geen recht heeft op aftrek van de kosten van deze kleding. Belanghebbende heeft verder ten aanzien van een deel van haar overige aangeschafte kleding, die zij naar zij stelt uitsluitend zakelijk heeft gebruikt, een beroep gedaan op de uitzonderingsregel van artikel 3.16, zevende lid, van de Wet. De belanghebbende behoort evenwel niet tot de in dat artikel genoemde beroepsgroepen, zodat deze uitzonderingsregel naar het oordeel van het gerechtshof in casu niet van toepassing is.

4.10. Ingevolge artikel 3.16, tweede lid, onderdeel d, komen bij het bepalen van de winst mede niet in aftrek kosten en lasten ten behoeve van de belastingplichtige zelf die verband houden met persoonlijke verzorging. Deze bepaling is, ingevolge lid 7 van genoemd artikel, niet van toepassing ten aanzien van de belastingplichtige die optreedt als artiest, presentator of sporter.

4.11. Gelet op het onder punt 4.9, slotzin, en 4.10 overwogene, kunnen de door de belanghebbende gemaakte kosten ter zake van persoonlijke verzorging niet in aftrek worden toegelaten. Aan dit oordeel doet niet af dat – naar de belanghebbende heeft gesteld en de inspecteur ter zitting heeft bevestigd – een goede persoonlijke verzorging een positieve invloed heeft op het financiële resultaat uit belanghebbendes werkzaamheden. Het gerechtshof gaat dan ook voorbij aan het door de belanghebbende ter zake van deze stelling gedane getuigenaanbod.

4.12. De belanghebbende heeft een beroep op het gelijkheidsbeginsel gedaan door te stellen dat vier andere in het Landhuis werkzame prostituees voor de inkomstenbelasting wel als ondernemer zijn aangemerkt (zie punt 2.18). Voor zover de belanghebbende in dit verband heeft bedoeld te stellen dat, gezien de door de inspecteur gehanteerde behandelmodule (zie de punten 2.16 en 2.17) sprake is van begunstigend (landelijk gecoördineerd) beleid ten aanzien van het ondernemerschap van met de belanghebbende vergelijkbare prostituees, overweegt het gerechtshof dat – naar vaststaat – deze behandelmodule slechts diende ter vaststelling van de feiten en dat – naar de inspecteur ter zitting onweersproken heeft verklaard – de aftrek van beroepskosten voor prostituees nooit landelijk is geaccepteerd. Dat deze behandelmodule desondanks als (landelijk gecoördineerd) (pseudo-)beleid kan worden gezien, acht het gerechtshof niet aannemelijk. Evenmin acht het gerechtshof aannemelijk dat de kosten van (werk)kleding en persoonlijke verzorging landelijk beleidsmatig in aftrek is toegelaten, waarbij het gerechtshof opmerkt dat gesteld noch gebleken is dat in de door de belanghebbende aangedragen gevallen dezelfde kosten als in casu in aftrek zijn toegestaan. De belanghebbende heeft in dit verband verder gesteld dat in casu de zogenoemde meerderheidsregel dient te worden toegepast. Deze stelling kan het gerechtshof evenwel niet volgen, nu de door de belanghebbende aangedragen vier gevallen (waarin naar het gerechtshof aanneemt de betreffende aanslag IB/PV vóór 1 januari 2003 onherroepelijk is vastgesteld) tot 1 januari 2003 – anders dan in het geval van de belanghebbende – niet onder de bevoegdheid van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Groningen vielen. Ook de (huidige) inspecteur, die aan de belanghebbende met dagtekening 25 april 2003 de onderhavige aanslag heeft opgelegd, was tot 1 januari 2003 niet bevoegd in die gevallen. Gesteld noch gebleken is dat de (huidige) inspecteur na 1 januari 2003 enige invloed heeft kunnen uitoefenen dan wel thans nog kan uitoefenen (door bijvoorbeeld het opleggen van een navorderingsaanslag) op de aanslagregeling van de door de belanghebbende aangedragen gevallen. Er kan dan ook niet worden gezegd dat de (huidige) inspecteur heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door in de meerderheid van de met het geval van de belanghebbende vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege te laten. Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel kan haar, nu de belanghebbende hieromtrent overigens niets heeft gesteld, derhalve niet baten. Ook overigens heeft de belanghebbende geen feiten en omstandigheden gesteld die tot het oordeel zouden moeten leiden dat de inspecteur enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden.

4.13. Al het voorgaande leidt tot de slotsom dat belanghebbendes beroep geen doel treft.

5. De proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 1 oktober 2004 door mr. G.M. van der Meer, raadsheer, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde raadsheer en voornoemde griffier.

Op 6 oktober 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.