Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AR3442

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-10-2004
Datum publicatie
07-10-2004
Zaaknummer
BK 466/03 WOZ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de ambtenaar de waarde van de onroerende zaak niet hoger heeft vastgesteld dan de waarde in het economische verkeer per peildatum 1 januari 1999.

Wetsverwijzingen
Wet waardering onroerende zaken 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

BK-03/00466 1 oktober 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van

X te Z (: de belanghebbende)

tegen de uitspraak van

de heffingsambtenaar van de gemeente Loppersum (: de ambtenaar)

gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan haar uitgereikte waardebeschikking van nagenoemde onroerende zaak.

1. Het procesverloop

1.1. In het kader van de Wet waardering onroerende zaken (: de Wet) heeft de ambtenaar de waarde van de onroerende zaak a-weg 7 te Z (: de onroerende zaak) bij waardebeschikking d.d. 30 april 2001 vastgesteld op € 116.167,-- onder vermelding van de waardepeildatum 1 januari 1999 en het geldende tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004.

1.2. De belanghebbende heeft bij een op 18 mei 2001 door de ambtenaar ontvangen bezwaarschrift bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde waarde.

1.3. Bij uitspraak van 28 april 2003 heeft de ambtenaar de waarde gehandhaafd.

1.4. Tegen deze uitspraak is de belanghebbende bij een door het hof op 28 mei 2003 ontvangen beroepschrift (met bijlagen) in beroep gekomen.

1.5. Van de ambtenaar is op 26 augustus 2003 een verweerschrift met bijlagen ontvangen.

1.6. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op de zitting van 19 juli 2004 te Groningen alwaar is verschenen de belanghebbende.

De ambtenaar is met voorafgaande aankondiging niet verschenen.

1.7. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Het geschil en de standpunten van partijen.

2.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de ambtenaar de waarde van de onroerende zaak niet hoger heeft vastgesteld dan de waarde in het economische verkeer per peildatum 1 januari 1999.

2.2. De belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de heffingsambtenaar bevestigend.

2.3. Voor een meer uitvoerige uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken. Daaraan zijn ter zitting geen nieuwe gronden toegevoegd.

3. De feiten

3.1. Het hof stelt op grond van de stukken als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken de volgende feiten vast.

3.2. De onroerende zaak is op 3 augustus 1998 aangekocht waarna in de periode na 1 januari 1999 tot 1 januari een 2001 de navolgende verbeteringen zijn gerealiseerd:

-een nieuwe keuken;

-een nieuwe badkamer;

-isolatieglas op de begane grond;

-een nieuwe CV-ketel;

-een toilet op de verdieping.

4. De overwegingen

4.1. Ingevolge artikel 17 , lid 1, van de Wet wordt een waarde aan een onroerende zaak toegekend. Ingevolge lid 2 van dat artikel wordt de waarde bepaald op de waarde, die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

4.2. Ingevolge artikel 18, lid 1, van de Wet wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald naar de waarde die de zaak op de waardepeildatum (in casu 1 januari 1999) heeft naar de staat waarin de zaak op die datum verkeert.

4.3. Indien een onroerende zaak in de twee jaren voorafgaande aan het begin van het tijdvak waarvoor de waarde wordt vastgesteld wijzigt als gevolg van onder meer verbetering, wordt ingevolge artikel 19, lid 1 sub b, van de Wet, in afwijking in zoverre van artikel 18, eerste lid, de waarde van een onroerende zaak bepaald naar de staat van die zaak bij het begin van dat tijdvak.

4.4. Ingevolge artikel 4, lid 1 onder a, van de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken (: de Uitvoeringsregeling), wordt de waarde van woningen

onder meer bepaald door middel van een methode van vergelijking met referentieobjecten.

4.5. De ambtenaar, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft de door hem vastgestelde waarde onderbouwd met een taxatierapport van A d.d. 13 augustus 2003.

4.6. Blijkens dit rapport is de waarde van de onroerende zaak door middel van een methode van vergelijking met referentieobjecten als bedoeld in de Uitvoeringsregeling bepaald op

€ 116.168,-- (ƒ 256.000,--).

4.7. Naar het oordeel van het hof is de ambtenaar, gelet op de inhoud van het taxatierapport, in de op hem rustende bewijslast geslaagd.

4.8. De belanghebbende heeft aangevoerd dat zij de onroerende zaak in augustus 1998 heeft aangekocht voor € 101.874,-- en dat zij tot aan de peildatum niets aan de onroerende zaak heeft gewijzigd. Dat volgens haar in dat licht een WOZ-waarde van € 116.167,-- op een te hoog bedrag is vastgesteld.

4.9. Nu de onroerende zaak in de twee jaren voorafgaande aan het begin van het tijdvak (1 januari 2001 tot en met 31 december 2004) waarvoor de waarde wordt vastgesteld is gewijzigd als gevolg van verbetering, zoals hiervoor onder de feiten is weergegeven , wordt ingevolge artikel 19, lid 1 sub b, van de Wet, in afwijking in zoverre van artikel 18, eerste lid, de waarde van een onroerende zaak bepaald naar de staat van die zaak bij het begin van dat tijdvak. Op grond daarvan zijn blijkens het taxatierapport de verbeteringen terecht meegewogen. Nu bovendien in het taxatierapport is uitgegaan van de ook volgens belanghebbende correcte inhoud van 340 m3, kan het door belanghebbende ter zake aangevoerde derhalve niet tot een lagere waarde leiden.

4.10. Het beroep is, gelet op het voorgaande, ongegrond, nu ook anderszins geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen die een verlaging van de vastgestelde waarde rechtvaardigen.

5. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan door mr. Van der Meer, raadsheer als voorzitter, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de heer Haarsma als griffier en in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden op 1 oktober 2004, door de voorzitter in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier, De voorzitter,

M. Haarsma mr G.M. van der Meer

Op 6 oktober 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.