Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AR3439

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
01-10-2004
Datum publicatie
07-10-2004
Zaaknummer
BK 164/04 OZB
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of er grond is voor een nieuwe waardebeschikking met een lagere waarde dan de waardegrondslag waarop de aanslag berust.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2004/1314
FutD 2004-2001
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

BK-04/00164 1 oktober 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwar-den, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van

X te Z (: de belanghebbende)

tegen de uitspraak van

de heffingsambtenaar van de gemeente Delfzijl (: de ambtenaar)

gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag onroerende zaak belasting d.d. 31 oktober 2003 terzake van de onroerende zaak a-straat 20 te L.

1. De procesgang

1.1. Bij aanslag d.d. 31 oktober 2003, nummer 0000000000, is belanghebbende aangeslagen in de onroerende-zaakbelasting ter zake van de eigendom van voornoemde onroerende zaak naar een waardegrondslag van € 29.109,--.

1.2. Tegen deze aanslag heeft de belanghebbende bij een op 28 oktober 2003 door de ambtenaar ontvangen bezwaarschrift bezwaar gemaakt.

1.3. Bij uitspraak van 19 januari 2004 heeft de ambtenaar het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

1.4. Tegen deze uitspraak is belanghebbende bij een op 18 februari 2004 bij het hof binnengekomen beroepschrift in beroep gekomen.

Bij brief van 23 februari 2004 (met bijlage) heeft hij het beroepschrift aangevuld.

1.5. Van de ambtenaar is op 10 mei 2004 een verweerschrift met bijlagen ontvangen.

1.6. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op de zitting

van 19 juli 2004 te Groningen, alwaar zijn verschenen de belanghebbende en de ambtenaar.

1.7. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. Het geschil en de standpunten van partijen.

2.1. In geschil is het antwoord op de vraag of er grond is voor een nieuwe waardebeschikking met een lagere waarde dan de waardegrondslag waarop de aanslag berust.

2.2. De belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend.

In de beroepsfase heeft de ambtenaar geconcludeerd tot ambtshalve verlaging van de waarde naar € 26.198,--.

2.3. Voor een meer uitvoerige uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

Partijen hebben daaraan ter zitting geen nadere gronden aangevoerd.

3. De feiten.

3.1. Het hof stelt op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een der partijen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken de volgende feiten vast.

3.2. De waardegrondslag is aan belanghebbende bij waardebeschikking d.d. 17 juni 2003 bekend gemaakt onder vermelding van de waardepeildatum 1 januari 1999, geldend voor het tijdvak 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004.

3.3. Belanghebbende heeft tegen deze waarde geen bezwaar gemaakt, omdat bij de ontvangst van de waardebeschikking nog niet bekend was dat de onroerende zaak, een perceel bouwgrond betreffende, sterk vervuild was.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1. De belanghebbende heeft geen bezwaar gemaakt tegen de

aan hem bij waardebeschikking bekendgemaakte waarde van de onroerende zaak. Aldus is die waarde onherroepelijk geworden gedurende de periode waarop die beschikking betrekking heeft. Dit heeft tot gevolg dat het de belanghebbende niet meer mogelijk is de heffingsmaatstaf van de aanslag ter discussie te stellen.

4.2. Voorzover het bezwaar van belanghebbende moet worden aangemerkt als een verzoek tot toepassing van artikel 19 van de Wet, dient in aanmerking te worden genomen dat de in de zin van artikel 19 vastgestelde nieuwe waarde slechts bekend dient te worden gemaakt bij een voor bezwaar vatbare beschikking, indien aan de in dat artikel genoemde voorwaarden wordt voldaan.

4.3. De ambtenaar heeft naar aanleiding van de grieven van belanghebbende een onderzoek ingesteld naar de procedure inzake de vervuiling van het perceel grond. Naar aanleiding daarvan is hij voornemens de vastgestelde waarde ambtshalve met 10 % te verminderen en vast te stellen op € 26.198,--. Nu voornoemde waardevermindering minder bedraagt dan het in artikel 19, lid 2, letter c, van de Wet genoemde bedrag van € 11.345,--, heeft zich geen waardevermindering voorgedaan als bedoeld in dat artikel. Dit heeft tot gevolg dat geen nieuwe beschikking zal worden gegeven. Tot een afwijzende voor bezwaar vatbare beschikking van dit verzoek was de ambtenaar niet gehouden, nu de wet daarin niet voorziet. Voor de onderhavige aanslag geldt derhalve de oorspronkelijke waardebeschikking van 17 juni 2003, zoals deze door de ambtenaar ambtshalve wordt/is verminderd.

4.4. Nu de ambtenaar in de beroepsfase heeft geconcludeerd tot verlaging van de heffingsgrondslag van de aanslag is het beroep gegrond.

5. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, nu daarvan niet is gebleken.

6. De beslissing.

Het hof:

verklaart het beroep gegrond;

vermindert de aanslag naar een aanslag berekend naar een heffingsgrondslag van € 26.198,--;

bepaalt dat de ambtenaar het griffierecht ten bedrage van € 37,-- aan de belanghebbende vergoedt.

Gedaan door mr Van der Meer, raadsheer als voorzitter, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de heer Haarsma als griffier en in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden op

1 oktober 2004.

De griffier, De voorzitter,

M. Haarsma mr G.M. van der Meer

Op 6 oktober 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.