Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AR2231

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-09-2004
Datum publicatie
16-09-2004
Zaaknummer
BK 369/03 Inkomstenbelasting
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AS8020
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2006:AS8020
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is de vraag of het bedrag ad € 12.075 ( f 26.610) volledig als in 2000 betaalde onderhoudskosten is aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2005/3.1.9
FutD 2004-1716
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 369/03 10 september 2004

Uitspraak van het gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X, voorheen wonende te L, thans te Z, tegen de uitspraak van 31 maart 2003 van de voorzitter van het managementteam van de eenheid Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden (: de inspecteur), waarbij het bezwaarschrift tegen de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2000, met dagtekening 19 september 2002, ongegrond is verklaard.

1. Ontstaan en loop van het geding.

Met dagtekening van 19 september 2002 heeft de inspecteur aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2000 opgelegd. Tegen deze aanslag heeft belanghebbende tijdig een bezwaarschrift ingediend, waarop de inspecteur bij uitspraak van 31 maart 2003 heeft beslist. Het beroepschrift (met bijlagen) van belanghebbende tegen deze uitspraak is op 29 april 2003 ter griffie van het hof ingekomen. Het hoofd heeft op 4 juni 2003 een verweerschrift (met bijlagen) bij het hof ingediend. De mondelinge behandeling van de zaak door de tweede meervoudige kamer, gehouden te Leeuwarden, heeft plaatsgevonden op 9 juni 2004. Ter zitting is belanghebbende in persoon verschenen. De inspecteur is aldaar verschenen, vergezeld van mevrouw A, werkzaam bij de Belastingdienst. Ter zitting heeft de inspecteur nog een overzicht overgelegd van de bij de aanslagregeling aangebrachte correctie. Dit overzicht is als bijlage aan het proces-verbaal van deze zitting gehecht en maakt daarvan deel uit. Het hof heeft op 23 juni 2004 mondeling uitspraak gedaan; afschriften van het daarvan opgemaakte proces-verbaal zijn per aangetekende post op 7 juli 2004 aan partijen verzonden. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

Op 14 juli 2004 is bij het hof een verzoek van de inspecteur ingekomen om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het door de inspecteur verschuldigde griffierecht is op 16 augustus 2004 voldaan.

2. De feiten.

Op grond van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde staat tussen de partijen als niet, dan wel onvoldoende weersproken het volgende vast:

2.1 Belastbaar inkomen volgens aangifte € 11.679,- ( f 25.738,-)

Bij aanslagregeling aangebrachte correctie:

- geen huurinkomsten € 2.178,- (-/- f 4.800,-)

- minder onderhoudskosten € 9.897,- (f 21.810,-)

- minder afschrijving € 1.239,- ( f 2.730,- )

€ 8.958,- (f 19.740,-Vastgesteld belastbaar inkomen € 20.637,- (f 45.478,-)

2.2 Met dagtekening 19 september 2002 legt de inspecteur de aanslag op naar het inkomen van € 20.637 ( f 45.478). Na een tijdig op 15 oktober 2002 ter inspectie binnengekomen bezwaarschrift heeft de inspecteur middels uitspraak van 31 maart 2003 het bezwaarschrift afgewezen, tegen welke uitspraak op 29 augustus 2003 een beroepschrift bij het hof is binnengekomen.

In zijn verweerschrift constateert de inspecteur dat hij het bedrag van de huur ad € 2.178 (f 4.800) ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten zodat de aanslag eerder te laag dan te hoog is.

2.3 Belanghebbende heeft op 26 mei 1999, samen met zijn broer B (: de broer) te M een voor f 800 per maand aan een derde verhuurde woonboerderij te Z gekocht.

Belanghebbende en de broer zijn ieder voor de helft onverdeeld eigenaar van de woonboerderij.

De broer voert de administratie, aan hem worden de rekeningen gestuurd zoals voor verzekering, onroerende zaakbelasting en onderhoudskosten welke vervolgens door hem worden betaald. Ook int hij de huurpenningen.

2.4 Op het moment van de aankoop van de boerderij is het belanghebbende en de broer reeds bekend dat er voor een aanzienlijk bedrag aan achterstallig onderhoud moet worden gepleegd. In dit verband spreken zij met elkaar af dat gedurende de eerste 30 maanden het aandeel van belanghebbende in de maandelijkse huur niet aan hem zal worden uitbetaald, maar dat dit zal worden gereserveerd voor de onderhoudskosten.

2.5 In het jaar 2000 wordt terzake van het achterstallig onderhoud van de aannemer een factuur van € 24.150 ( f 53.219) ontvangen, welke factuur in dat jaar wordt voldaan door de broer.

2.6 Belanghebbende heeft de helft van het onder 2.5 genoemde bedrag zijnde € 12.075 ( f 26.610) als volgt met de broer verrekend:

a. middels het gedurende 30 maanden niet ontvangen van zijn aandeel in de huurpenningen zoals afgesproken;

b. door betaling in 2001 aan de broer van een bedrag van € 3.176 ( f 7.500).

c. door verrekening met de brandverzekering en andere kosten alsmede een extra betaling aan in de broer in de jaren na 2000.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 In geschil is de vraag of het bedrag ad € 12.075 ( f 26.610) volledig als in 2000 betaalde onderhoudskosten is aan te merken.

3.2 Standpunt belanghebbende:

Het gehele bedrag ad € 12.075 dient in 2000 als aftrekbare onderhoudskosten te worden geaccepteerd.

3.3 Standpunt inspecteur:

De broer is door betaling van de factuur wegens subrogatie als bedoeld in artikel 150 boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (: BW) in de plaats getreden van belanghebbende ten gevolge waarvan er voor belanghebbende, behoudens een bedrag van € 2.170 ( f 4.800) wegens huurverrekening, geen betalingsmoment in de zin van artikel 38 lid 1 van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 ( : de Wet) is ontstaan.

4. De overwegingen omtrent het geschil:

4.1 Ingevolge artikel 38 lid 1 van de Wet worden aftrekbare kosten in aanmerking genomen op het tijdstip dat zij zijn betaald of verre-kend.

4.2 Vaststaat dat de factuur betreffende de litigieuze onderhoudskosten door de broer in 2000 aan de aannemer is betaald, waardoor de oorspronkelijke verbintenis tussen de aannemer enerzijds en belanghebbende en de broer als eigenaren van de boerderij anderzijds is teniet gegaan.

4.3 Uit de onder 2.3 t/m 2.6 vastgestelde feiten leidt het hof af dat de broer als penvoerder van de eigenaren optreedt en als zodanig zowel voor zichzelf als ook namens en voor rekening van belanghebbende de huur int en kosten waaronder de litigieuze onderhoudskosten betaalt, waarna verrekening met belanghebbende plaatsvindt.

Onder deze omstandigheden is sprake van door belanghebbende betaalde kosten op het tijdstip dat de broer de betaling verricht.

4.4 Nu vaststaat dat de factuur ad € 24.150 door de broer in 2000 is betaald, is derhalve ook sprake van betaling door belanghebbende in dit zelfde jaar van zijn aandeel in de onderhoudskosten ten bedrage van € 12.075 ( f 26.610). Daaraan doet niet af dat belanghebbende deels in jaren liggend na 2000 zijn aandeel in de namens en voor hem betaalde kosten met zijn broer heeft verrekend.

4.5 Met betrekking tot het standpunt van de inspecteur dat de vordering van de aannemer op belanghebbende bij wijze van subrogatie is overgegaan op de broer constateert het hof dat blijkens de onder 2.3 t/m 2.6 vaststaande feiten op geen enkele wijze wordt voldaan aan de in artikel 150 letters 1 t/m d boek 6 BW gestelde voorwaarden voor subrogatie.

4.6 Het voren overwogene leidt ertoe dat het gelijk aan de zijde van belanghebbende is, zodat het beroep doel treft, hetgeen meebrengt dat het belastbaar inkomen nader moet worden vastgesteld op € 20.637 ( f 45.478) plus € 2.178 ( f 4.800) minus € 9.897 ( f 21.810) is € 12.918 ( f 28.468).

5. De conclusie

Het beroep is gegrond en de uitspraak dient te worden vernietigd.

6. De griffierechten

Deze uitspraak houdt tevens in dat de inspecteur ingevolge artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het betaalde griffierecht ad € 29,-- aan belanghebbende dient te vergoeden.

7. De proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt het hof aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Awb de inspecteur te veroordelen in de kosten, die de belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt het gerechtshof deze kosten op € 16,80 wegens reis- en verblijfkosten. Deze kosten dienen te worden gedragen door de Staat der Nederlanden.

8. De beslissing

Het hof:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van € 12.918 ( f 28.468);

gelast de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 29,- aan hem te vergoeden;

veroordeelt de inspecteur tot betaling van een proceskostenvergoeding ten bedrage van € 16,80 en

wijst de Staat der Nederlanden aan deze kosten te dragen.

Gedaan op 10 september 2004 door mr. F.J.W. Drion, raadsheer en voorzitter, mr. J. Huiskes, raadsheer, en mr. H. Bakker, raadsheer-plaatsvervanger, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J. de Jong en ondertekend door voornoemde voorzitter en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan beide

partijen op: 15 september 2004