Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AP1478

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
03-05-2004
Datum publicatie
14-06-2004
Zaaknummer
WAHV 04-00003
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Noch art. 20c, derde lid, WAHV, noch enige andere rechtsregel verplicht het hof om in Mulderzaken op verzoek een getuige of getuigen te horen. Geen voorrang verleend aan fietsers bij afslaan. Wat moet onder voorrang verlenen als bedoeld in het RVV 1990 worden verstaan? In dit geval sprake van overtreding van art. 18, eerste lid, RVV 1990 of van art. 62, RVV 1990 (Bord B6 van bijlage 1)? Sanctie is in beide gevallen even hoog. Om die reden geen nader onderzoek nodig. Veiligheid van het verkeer niet in gevaar gebracht. Geen redenen om sanctie op nihil te stellen dan wel om deze te matigen.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9, geldigheid: 2004-05-03
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20c, geldigheid: 2004-05-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 04/00003

3 mei 2004

CJIB 49059493101

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Almelo

van 19 december 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Almelo ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De zaak is behandeld ter zitting van 19 april 2004. De betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. K. Tienstra.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van €Euro 86,- opgelegd ter zake van "geen voorrang verlenen bord B6", feitcode R548, welke gedraging zou zijn verricht op 20 februari 2003 om 19.50 uur op de Rijssensestraat te Nijverdal.

3.2. Ter zitting van het hof betwist de betrokkene dat hij een gedraging heeft verricht waardoor hij een fietser in gevaar zou hebben gebracht. Hij voert aan dat hij de rotonde is opgereden nadat hij eerst goed gekeken heeft of er geen fietsers op de rotonde waren die hij voorrang zou moeten verlenen. Hij nam de tweede afslag van de rotonde. Op het moment dat hij het fietspad van de rotonde was opgereden zag hij alsnog fietsers van achteren aankomen en stopte direct. De eerste fietser kon nog net voor hem langs, de tweede niet. Indien de fietser zijn licht aan had gehad, zou hij eerder gestopt zijn. Hij heeft zijn raampje open gedraaid en zijn excuses aangeboden aan de fietser, maar tevens opgemerkt, dat deze licht had moeten voeren. Hij beklaagt zich er voorts over dat een agent sneller wordt geloofd dan een burger.

3.3. De op ambtseed opgemaakte verklaring van de verbalisant in het relaas behorende bij de aankondiging van de beschikking houdt in - zakelijk weergegeven -: De bestuurder van de betreffende auto reed op 20 februari 2003 om 19.50 uur op de Rijssensestraat te Nijverdal, gemeente Hellendoorn. Ik zag dat hij de rotonde naderde. Deze rotonde is voorzien van vrij liggende fietspaden. Alle bestuurders op de rotonde hebben voorrang ten opzichte van het verkeer dat de rotonde nadert. Dit wordt kenbaar gemaakt door de borden model B6 en door op de rijbaan aangebrachte haaientanden. Er kwamen, voor genoemde bestuurder gezien van links, twee fietsers aan. De bestuurder verleende aan de tweede fietser geen voorrang. Hij stopte namelijk midden op het fietspad. Er was voor hem geen andere reden, door het verkeer geboden, om daar te stoppen en de fietser geen voorrang te verlenen. De fietser moest remmen en stoppen om een aanrijding te voorkomen.

Bij op ambtseed opgemaakt proces-verbaal d.d. 7 mei 2003 verklaart de verbalisant aanvullend: Ik reed achter de betrokkene en zag de fietsers duidelijk naderen. Ik kan mij niet herinneren of de fietsers verlichting voerden. Het tijdstip van zonsondergang was die dag om 18.01 uur. De openbare straatverlichting brandde, het zicht was goed en ook het uitzicht was goed.

3.4. De bij voormelde feitcode behorende gedraging is een overtreding van het voorschrift van art. 62 RVV 1990 in verbinding met bord B6 van bijlage 1 behorende bij het RVV 1990. Artikel 62 RVV 1990 luidt: "Weggebruikers zijn verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden." Bijlage 1 behorende bij het RVV 1990 omschrijft bord B6 als: "verleen voorrang aan bestuurders op kruisende weg".

3.5. In zijn nadere toelichting op het hoger beroep heeft de betrokkene verzocht om de verbalisant als getuige te horen.

3.6. Art. 20c lid 3 bepaalt dat ter zitting getuigen en deskundigen kunnen worden meegebracht ten einde door het gerechtshof te worden gehoord. Dit kan ambtshalve of op verzoek ook andere personen als getuige of deskundige horen. Noch deze bepaling, noch enige andere rechtsregel verplicht het gerechtshof echter om in zaken als de onderhavige op verzoek een getuige of getuigen te horen.

3.7. De lezing die de betrokkene van het voorval geeft wijkt in zoverre af van de waarneming van de verbalisant, dat volgens de betrokkene de fietser voor hem is gestopt, toen hij met zijn auto de rotonde wilde verlaten. De situatie die de betrokkene omschrijft wordt geregeld in art. 18, eerste lid, RVV 1990, dat inhoudt: "Bestuurders die afslaan, moeten het verkeer dat hen op dezelfde weg tegemoet komt of dat op dezelfde weg zich naast dan wel links of rechts dicht achter hen bevindt, voor laten gaan.". Daargelaten dat deze lezing niet goed verenigbaar is met hetgeen de verbalisant heeft waargenomen acht het hof, gelet op het navolgende, het niet nodig nader onderzoek te (doen) verrichten naar de precieze plaats van de gedraging.

3.8. "Voorrang verlenen" wordt door art. 1, onderdeel am, RVV 1990 omschreven als "het de betrokken bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen". De Nota van toelichting merkt hieromtrent onder meer op:

"In het RVV 1990 is gekozen voor een expliciete omschrijving van het begrip voorrang verlenen. In plaats van "de doorgang vrijlaten" wordt nu gesproken van de bestuurders in staat stellen ongehinderd hun weg te vervolgen. Met name impliceert dit dat een bestuurder die snel een kruispunt nadert en pas op het laatste moment stopt waarbij hij de indruk wekt bij het voorrangsgerechtigde verkeer dat hij niet aan zijn voorrangsverplichting zou voldoen, geen voorrang verleent, hoewel hij in objectieve termen wel de doorgang vrijlaat. Het wordt gewenst geacht dergelijke bestuurders op het negeren van de voorrangsregel aan te kunnen spreken. Hierbij wordt aangesloten bij de recente jurisprudentie over het voorrang geven.". De Nota van toelichting op art. 18 RVV 1990 houdt onder meer in: "Het bepaalde in artikel 18, eerste lid, wijkt inhoudelijk niet af van de regeling zoals deze ingevolge het RVV 1966 gold. Wel is hier in plaats van het begrip hinderen gekozen voor de term "voor laten gaan".

Zowel de regeling van de voorrang als die van het afslaan houdt derhalve in dat de ene weggebruiker de andere weggebruiker in staat stelt om ongehinderd zijn weg te vervolgen.

3.9. In aanmerking nemende dat de sanctie die op overtreding van art. 18, eerste lid, RVV 1990 is gesteld gelijk is aan de sanctie die gesteld is op de in de inleidende beschikking vermelde overtreding van art. 62 RVV 1990 juncto bord B6 van bijlage 1 behorende bij het RVV 1990 zou de beoordeling van de zaak niet veranderen, indien het hof zou uitgaan van de juistheid van de door de betrokkene geschetste situatie.

3.10. De betrokkene betwist immers niet dat hij geen ongehinderd doorgang heeft verleend aan een fietser. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om de verbalisant als getuige te horen dan wel hem op te dragen nadere inlichtingen te verschaffen.

3.11. Met betrekking tot de stelling van de betrokkene dat het verkeer niet in gevaar is gebracht overweegt het hof, dat art. 62 RVV 1990, art. 18, eerste lid, RVV 1990, noch enige andere bepaling van het RVV 1990 een uitzondering bevat op de aldaar gegeven geboden, in het bijzonder niet de uitzondering dat de veiligheid van het verkeer niet werkelijk in gevaar is gebracht. Een en ander brengt mee dat een in strijd met één van voornoemde artikelen verrichte gedraging op zichzelf reeds het opleggen van een administratieve sanctie kan rechtvaardigen, ook in het geval dat door de gedraging de veiligheid van het verkeer niet in gevaar zou zijn gebracht.

3.12. Het verweer van de betrokkene dat de fietser geen verlichting voerde slaagt evenmin. Niet gesteld, noch gebleken is dat de fietser door de omstandigheid dat hij geen verlichting voerde niet zichtbaar was. Bovendien is het als fietser niet voeren van verlichting geen gedrag dat voor de automobilist zo onwaarschijnlijk is, dat deze met die mogelijkheid in redelijkheid geen rekening behoeft te houden.

3.13. Aangezien ook overigens niet is gebleken van omstandigheden die meebrengen, dat de gedraging is verricht onder omstandigheden, die oplegging van een administratieve sanctie niet billijken of tot een lager bedrag van de sanctie moeten leiden, zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Bijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.