Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AP0380

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
31-03-2004
Datum publicatie
01-06-2004
Zaaknummer
WAHV 03/01305
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM; Het hof heeft zijn standpunt in dezen heroverwogen. Uitgangspunt dat de zaak binnen 24 maanden moet zijn afgedaan is verlaten. Of en wanneer sprake is van onredelijke vertraging in de berechting is, naast het gebrek aan voortvarendheid bij de afhandeling van de zaak in de verschillende stadia in de procedure, afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak en de invloed van de betrokkene en/of de gemachtigde op het procesverloop. Het oordeel dat er sprake is van onredelijke vertraging in de berechting wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Veeal zal er dan sprake zijn van perioden van inactiviteit van de bevoegde autoriteiten zonder aanwijsbare en aanvaardbare oorzaak. In casu geen schending van de redelijke termijn. Bijzondere verhouding tussen de betrokkene en de gemachtigde heeft in de onderhavige zaak een overwegende invloed gehad op het tijdsverloop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2004, 95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 03/01305

31 maart 2004

CJIB 59044975145

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Breda

van 15 november 2002

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [plaatsnaam],

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Breda niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Uit de gedingstukken blijkt het volgende. Door de betrokkene is een machtiging verleend aan de gemachtigde, "aan wiens werkgever voornoemde auto op leasebasis ter beschikking is gesteld" om beroep aan te tekenen tegen de beschikking met bovenvermeld CJIB-nummer en al datgene te doen wat daarmee samenhangt. Op 15 november 2002 heeft de kantonrechter uitspraak gedaan. Deze beslissing is verzonden op 22 november 2002 aan de betrokkene. Niet blijkt, dat de beslissing eveneens is toegezonden aan de gemachtigde. Bij brief van 14 augustus 2003 aan de officier van justitie te Middelburg heeft de gemachtigde gereageerd naar aanleiding van een aan de betrokkene gezonden eerste aanmaning d.d. 4 juni 2003. Hij schrijft reeds voor de derde maal bezwaar te maken tegen de beschikking. Hij besluit zijn brief als volgt: "Inmiddels is mijn werkgever, naar aanleiding van een door het CJIB verstuurde herinnering van de beschikking, tot betaling overgegaan. Dit bedrag zou ik echter zo spoedig mogelijk weer teruggestort zien op rekening van mijn werkgever, aangezien ik de overtreding niet begaan heb.". Deze brief is aangemerkt als hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter. De stukken zijn op 10 december 2003 bij het hof ingekomen.

3.2. Ingevolge het in art. 14, eerste lid, WAHV in verbinding met het in de artt. 6:24, 6:7 en 6:8 Awb bepaalde dient het hoger beroep te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de bestreden beslissing aan de betrokkene is toegezonden.

Het ongedateerde beroepschrift is blijkens een daarop gesteld stempel op 14 augustus 2003 bij het arrondissementsparket te Middelburg ingekomen. Aangezien de bestreden beslissing blijkens een daarop gestelde aantekening op 22 november 2002 aan de betrokkene is toegezonden, is het beroepschrift niet tijdig ingediend.

3.3. Bij de gedingstukken bevindt zich echter niet een aan de gemachtigde van de betrokkene gerichte brief, waarbij de beslissing van de kantonrechter wordt toegezonden. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat de beslissing van de kantonrechter niet aan de gemachtigde van de betrokkene is gezonden. Nu de beslissing van de kantonrechter in strijd met het in art. 6:17 Awb bepaalde niet aan de gemachtigde is toegezonden, kan niet worden geoordeeld, dat deze in verzuim is geweest, zodat hij in het hoger beroep dient te worden ontvangen.

3.4. Op 13 september 2001 is aan de betrokkene de inleidende beschikking toegestuurd. Tussen het tijdstip waarop de betrokkene de inleidende beschikking is toegestuurd en het tijdstip waarop de stukken bij het hof zijn binnengekomen, te weten 10 december 2003, zijn 27 maanden verstreken. Tot op heden heeft het hof zich op het standpunt gesteld, dat een zaak in beginsel binnen 24 maanden na staandehouding of indien op kenteken is bekeurd binnen 24 maanden na het verzenden van de inleidende beschikking moet zijn berecht.

3.5. Het hof heeft zijn standpunt in dezen heroverwogen. De strekking van het redelijke termijn-vereiste is te voorkomen dat een 'verdachte' langer dan redelijk is onder de dreiging van een 'strafvervolging' moet leven. Die dreiging schuilt met name in de mogelijkheid dat in de strafvervolging sancties worden opgelegd die de betrokkene diep treffen in zijn maatschappelijke leven, zoals een (langdurige) vrijheidsstraf of een ontzegging van de rijbevoegdheid. Gelet op het punitieve karakter van de sancties geldt een en ander in beginsel eveneens voor de procedure in WAHV-zaken, maar van de beperkte financiële sancties van de WAHV gaat een dergelijke ernstige dreiging niet uit, zodat op die grond een beperking van de procedure in zijn totaliteit tot vierentwintig maanden niet vereist is. Anderzijds kunnen zich gevallen voordoen waarin in enige fase van de procedure sprake is van een zodanig gebrek aan voortvarendheid door de behandelende bestuurlijke of rechterlijke autoriteit, dat ook al is de zaak binnen vierentwintig maanden na staandehouding c.q. de toezending van de inleidende beschikking afgedaan, desalniettemin geoordeeld moet worden dat er sprake is van onredelijke vertraging in de procedure.

3.6. Immers, de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften kenmerkt zich door een in vergelijking met de strafrechtelijke afdoening vereenvoudigde procedure gericht op een doelmatiger handhaving van lichte verkeersovertredingen. In deze procedure wordt van de betrokkene die een beroep wil doen op rechtsbescherming een actief optreden verwacht, gebonden aan korte en in beginsel fatale termijnen. Daartegenover mag van de bestuurlijke en rechterlijke autoriteiten, die in de procedure in het algemeen niet of slechts aan termijnen van orde gebonden zijn worden verwacht, dat zij met de nodige voortvarendheid de zaak behandelen.

3.7. Of en wanneer sprake is van onredelijke vertraging in de berechting is, naast het gebrek aan voortvarendheid bij de afhandeling van de zaak in de verschillende stadia van de procedure, afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak en de invloed van de betrokkene en/of de gemachtigde op het procesverloop. Het oordeel, dat er sprake is van onredelijke vertraging in de berechting wordt bepaald door de omstandigheden van het concrete geval. Veelal zal er dan sprake zijn van perioden van inactiviteit van de bevoegde autoriteiten zonder aanwijsbare en aanvaardbare oorzaak. Het hof ziet in dit stadium af van het aangeven van normen voor de verschillende stadia in de totale procesgang. Het hof acht het overigens mogelijk, dat een periode van inactiviteit als hierboven bedoeld wordt gecompenseerd door een grotere mate van voortvarendheid in het vervolg van de procedure.

3.8. De onderhavige zaak kenmerkt zich hierdoor, dat tot en met de beslissing van de kantonrechter de procedure correct is verlopen en dat er geen sprake is van vertragingen die op zichzelf beschouwd of in combinatie met andere zouden moeten leiden tot de conclusie dat de berechting in zoverre niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn. Nadien is evenmin sprake van inactiviteit van de zijde van justitie. Immers, nadat de periode voor het instellen van hoger beroep ongebruikt was verstreken is de inning van de administratieve sanctie bij degene aan wie de administratieve sanctie was opgelegd in gang gezet. Op 4 juni 2003 is aan de betrokkene een eerste aanmaning gezonden, die - naar het hof ambtshalve bekend is - is voorafgegaan door een betalingsoverzicht na beroep bij de kantonrechter. Blijkens de inhoud van het hoger beroepschrift is de werkgever van de gemachtigde (blijkens de inhoud van de machtiging: de lessee) naar aanleiding van de eerste aanmaning tot betaling overgegaan. Blijkens informatie van het CJIB is op 13 juni 2003 een bedrag ontvangen gelijk aan de sanctie na eerste verhoging. Op enig tijdstip nadien voorafgaande aan 14 augustus 2003 (de datum van het indienen van het beroepschrift) is naar het hof aanneemt de gemachtigde van de betrokkene via zijn werkgever op de hoogte geraakt van deze betaling. De bijzondere verhouding tussen de betrokkene en de gemachtigde in de onderhavige zaak heeft daarmee kennelijk een overwegende invloed gehad op het tijdsverloop tussen de aanvang van de inningsmaatregelen van de zijde van het openbaar ministerie en het instellen van het hoger beroep.

3.9. Een en ander leidt niet tot het oordeel, dat door de omstandigheid dat aan de gemachtigde van de betrokkene niet een afschrift van de beslissing van de kantonrechter is toegezonden, de betrokkene of diens gemachtigde zodanig lang in onzekerheid is gebleven over de verplichting de sanctie te betalen, dat de berechting in zijn geheel of in onderdelen niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn. Hoewel in de onderhavige zaak de inzending van de stukken na het instellen van het hoger beroep langer heeft geduurd dan wenselijk, kan evenmin van de procedure in hoger beroep worden gezegd, dat de behandeling van de zaak in dit stadium van de procedure of daarmee in zijn totaliteit zodanig lang heeft geduurd, dat gezegd zou moeten worden dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

3.10. De kantonrechter heeft, uitgaande van zijn - in hoger beroep niet bestreden - vaststelling dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en dat de betrokkene evenmin binnen een nader gestelde termijn dit verzuim heeft hersteld, terecht het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter dient derhalve te worden bevestigd.

3.11. In aanmerking nemende, dat ten onrechte is aangenomen, dat de beschikking waarbij de sanctie is opgelegd na de beslissing van de kantonrechter onherroepelijk is geworden had de betrokkene geen aanmaning mogen worden toegezonden. Derhalve dient hetgeen is betaald ter voldoening van het bedrag van de verhoging, - te weten een bedrag van € Euro 35,17 - , te worden terugbetaald aan degene die dat bedrag heeft voldaan.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter;

bepaalt dat een bedrag van Euro€ 35,17 door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd aan degene die dit bedrag heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Bijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.