Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AP0065

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12-05-2004
Datum publicatie
26-05-2004
Zaaknummer
BK 1253/02 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op vraag of belanghebbende kan worden ingedeeld in tariefgroep 4 en of zij een bedrag van

ƒ 8.280,-- als uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud in aftrek kan brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0976

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1253/02 12 mei 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/ Noord/ Kantoor Groningen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen over het jaar 2000.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 2000 in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen, als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold (: de wet) van ƒ 18.240,--.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 8 mei 2002 afwijzend beslist. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 16 mei 2002 is ingekomen. De inspecteur heeft vervolgens op 18 oktober 2002 een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden. De zaak is vervolgens mondeling behandeld ter zitting van 16 oktober 2003, gehouden te Groningen, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende, de heer A, alsmede de inspecteur. Ter zitting is behandeling van de zaak aangehouden. De mondelinge behandeling is voortgezet ter zitting van 18 februari 2003 te Groningen, alwaar aanwezig waren belanghebbende en haar gemachtigde, de heer A, alsmede de inspecteur. Ter laatstgenoemde zitting is door de inspecteur een door hem voorgedragen pleitnota overgelegd.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

2.1 Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.2 Belanghebbende is van echt gescheiden en geniet een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet. Gedurende het jaar 2000 woonde zij te Z. Belanghebbende heeft één dochter, B, geboren op .. juli 19...

2.3 Blijkens het bevolkingsregister is deze dochter sinds 26 november 1999 woonachtig in Duitsland. Er bestaat voor haar geen recht op kinderbijslag en geen recht op studiefinanciering. Naar blijkt uit een verklaring van de Firma C in L heeft zij gedurende de periode november 1999 tot en met december 2000 een onbetaalde stage gelopen. In verband hiermee heeft zij in L een kader gehuurd voor onbepaalde tijd.

2.4 Belanghebbende heeft aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van ƒ 15.489,-- en zij heeft om indeling verzocht in tariefgroep 4. In dit inkomen is -voorzover thans van belang- een aftrekpost buitengewone lasten terzake van kosten levensonderhoud van kinderen jonger dan 27 jaar ten belope van ƒ 8.280,-- opgenomen. In de aanslagfase stelt de inspecteur het belastbaar inkomen vast op ƒ 18.240,-- en wordt belanghebbende voorts ingedeeld in tariefgroep 2.

2.5 Bij uitspraak op het door belanghebbende ingediende bezwaar wordt de aanslag gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 In geschil is het antwoord op vraag of belanghebbende kan worden ingedeeld in tariefgroep 4 en of zij een bedrag van

ƒ 8.280,-- als uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud in aftrek kan brengen.

3.2 Belanghebbende is van mening dat tariefgroep 4 voor haar van toepassing is, en dat zij haar dochter geheel, danwel nagenoeg geheel heeft onderhouden en dat om die reden een aftrek van

ƒ 8.280,-- gerechtvaardigd is.

3.3 De inspecteur stelt zich enerzijds op het standpunt dat belanghebbende in het betreffende jaar niet meer dan 6 maanden een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met haar dochter, en anderzijds dat niet aannemelijk is dat belanghebbende haar dochter geheel, danwel nagenoeg geheel heeft onderhouden.

3.4 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

3.5 Ter zittingen hebben partijen hun standpunten gehandhaafd zonder daartoe nadere gronden aan te voeren.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1 Op grond van artikel 54 aanhef en onderdeel d, juncto artikel 55 lid 5 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (:de Wet) zoals deze voor het onderhavige jaar luidde heeft, voorzover thans van belang, de belastingplichtige recht op de alleenstaande-ouderaftrek, indien hij ongehuwd zijnde, in het kalenderjaar meer dan zes maanden een huishouding heeft gevoerd met een kind dat in belangrijke mate door hem is onderhouden.

4.2 Ter zitting is desgevraagd door belanghebbende erkend dat haar dochter het gehele jaar 2000 een kamer huurde in L. Hoewel belanghebbende voorts verklaarde dat haar dochter deze kamer onderverhuurde, acht het hof, niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende met haar dochter een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

4.3 De aftrek van uitgaven voor levensonderhoud voor kinderen jonger dan 27 jaar is geregeld in artikel 46, eerste lid, onderdeel a ten eerste en lid 2 van de Wet en is nader uitgewerkt in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990. Aftrek tot het forfaitaire bedrag van ƒ 8.100,-- is slechts mogelijk indien het betreffende kind geen recht heeft op kinderbijslag danwel studiefinanciering en de kosten van het onderhoud van het kind geheel danwel nagenoeg geheel op de belastingplichtige drukken.

4.4 Vaststaat dat de inspecteur viermaal een bedrag van ƒ 1.350,-- in aftrek heeft toegestaan.

Belanghebbende voert ter onderbouwing van haar stelling dat een hoger bedrag aan aftrek in aanmerking genomen dient te worden aan enkele kwitanties van de betaalde huur van de kamer van de dochter in L en enkele nota's van de apotheekhoudend huisarts.

Mede gelet evenwel op de hoogte van het inkomen van belanghebbende acht het hof door belanghebbende - op wie te dezen de bewijslast rust - niet aannemelijk gemaakt dat de kosten van levensonderhoud van de dochter geheel, danwel nagenoeg geheel op belanghebbende hebben gedrukt. Wat er ook zij van het door belanghebbende gestelde omtrent de kamerhuur en overige kosten van levensonderhoud van de dochter.

4.5 Het vorenoverwogene brengt het hof tot het oordeel mee dat het beroep van belanghebbende niet dient te slagen.

5. De conclusie.

Het beroep van belanghebbende is ongegrond.

6. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 12 mei 2004 door prof. mr Aardema, vice-president, in tegenwoordigheid van de griffier mevrouw mr De Jong en op die dag in het openbaar uitgesproken door dezen en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden

op: 26 mei 2004