Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO9767

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-05-2004
Datum publicatie
19-05-2004
Zaaknummer
BK 60/04 Ziekenfondsverzekering Zelfstandigen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is thans of voormelde aanvraag tijdig is ingediend.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:41, geldigheid: 2004-05-14
Algemene wet bestuursrecht 6:11, geldigheid: 2004-05-14
Ziekenfondswet 3d, geldigheid: 2004-05-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0938

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 60/04 14 mei 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, vierde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/Kantoor Groningen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem afgegeven verklaring betreffende de verplichte ziekenfondsverzekering zelfstandigen voor het jaar 2004.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij beschikking van 14 november 2003 is aan belanghebbende een verklaring toegestuurd inhoudende dat hij vanaf 1 januari 2004 niet verplicht verzekerd is voor het ziekenfonds.

De nadien door belanghebbende ingediende aanvraag om toepassing van de keuzeregeling is door de inspecteur niet ontvankelijk geoordeeld. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 21 januari 2004 is ingekomen. De inspecteur heeft vervolgens op 2 maart 2004 een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden. Op 5 maart en 6 april 2004 zijn voorts nog een tweetal brieven van belanghebbende ingekomen. De mondelinge behandeling in deze zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van 26 april 2004 te Groningen, alwaar aanwezig waren belanghebbende alsmede de inspecteur.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

2.1 Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.2 Belanghebbende is sinds 1 september 1991 samen met zijn echtgenote vennoot van de vennootschap onder firma A, zijnde een detailhandel in huishoudelijke artikelen.

2.3 Belanghebbende is in het jaar 2004 ingevolge artikel 3, eerste lid aanhef en onder a, juncto artikel 4 letter a van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (: de WAZ), verzekerde in de zin van deze wet.

2.4 Bij beschikking van 14 november 2003 is aan belanghebbende een verklaring toegestuurd inhoudende dat hij vanaf 1 januari 2004 niet verplicht verzekerd is voor de Ziekenfondswet (: de Zfw), omdat hij volgens gegevens van de Belastingdienst in het jaar 2004 niet aan de voorwaarden voldoet. Deze voorwaarden zijn neergelegd in artikel 3d, eerste lid van de Zfw, zoals dit luidt na inwerkingtreding van de Wet van 28 oktober 1999, houdende uitbreiding van de kring van verzekerden ingevolge deze wet met zelfstandigen als bedoeld in dat artikel. De Belastingdienst toetst voorafgaande aan het afgeven van de beschikking of zelfstandigen aan de voorwaarden voldoen op de peildatum, zijnde 1 oktober van enig jaar voorafgaand aan het verzekeringsjaar.

2.5 Het vastgestelde belastbare inkomen van belanghebbende bedroeg op 1 oktober 2003 als volgt:

- over het jaar 1999 € 13.406,--;

- over het jaar 2000 € 29.659,-- en

- over het jaar 2001 € 21.151,--.

2.6 Op grond van de keuzeregeling zou het inkomen van het hoogste jaar buiten beschouwing kunnen worden gelaten en zou het gemiddelde inkomen afgerond € 17.279,-- bedragen. Dit is beneden de grens van € 20.800,-- en derhalve zou belanghebbende dan aan de voorwaarden voor de verplichte verzekering voldoen.

2.7 Belanghebbende heeft bij brief d.d. 10 januari 2004, ingekomen bij de Belastingdienst op. 13 januari 2004, een aanvraag ingediend strekkende tot toepassing van de keuzeregeling.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 In geschil is thans of voormelde aanvraag tijdig is ingediend.

3.2 Belanghebbende is van mening dat hij de aanvraag om voor het jaar 2004 gebruik te mogen maken van de keuzeregeling tijdig heeft ingediend. Hij voert hiertoe aan dat hij de verklaring d.d. 14 november 2003 niet heeft ontvangen. Hij stelt eerst bij brief d.d. 3 januari 2004 door de zorgverzekeraar te zijn geïnformeerd omtrent de beëindiging van de verplichte ziektekostenverzekering. Belanghebbende heeft vervolgens op 10 januari 2004 om toezending van een duplicaat van de verklaring verzocht en vervolgens terstond een aanvraag om toepassing van de keuzeregeling ingediend.

3.3 De inspecteur stelt het niet aannemelijk te achten dat belanghebbende de verklaring van 14 november 2003 niet heeft ontvangen.

3.4 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

3.5 Ter zitting hebben partijen hun standpunten gehandhaafd zonder daartoe nadere gronden aan te voeren.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1 Op grond van artikel 3d lid 1 van de Zfw is verzekerd de zelfstandige die verzekerd is ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en wiens inkomen niet meer bedraagt dan € 20.800,--.

Het tweede lid van voormeld artikel bepaalt dat de inspecteur aan de in het eerste lid genoemde zelfstandige bij een voor bezwaar vatbare beschikking een verklaring verstrekt waaruit blijkt dat deze zelfstandige voldoet aan de in het eerste lid bedoelde voorwaarden.

4.2 Artikel 2, lid 1 van de Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekering zelfstandigen bepaalt dat voor de toepassing van artikel 3d, eerste lid van de Zfw voor enig jaar ten aanzien van een zelfstandige die gedurende de basisreferteperiode en daarna zelfstandige is gebleven, in aanmerking wordt genomen het gemiddelde van de definitief vastgestelde inkomens over de jaren van de basisreferteperiode.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt vervolgens dat in afwijking van het eerste lid op aanvraag van de zelfstandige voor de toepassing van artikel 3d, eerste lid van de Zfw het gemiddelde van zijn inkomens over twee jaren in de basisreferteperiode in aanmerking wordt genomen. Deze aanvraag om toepassing van de zgn. keuzeregeling wordt op grond van het voorts bepaalde in dit lid slechts in behandeling genomen indien deze aanvraag is gedaan binnen zes weken na dagtekening van de verklaring ziekenfondsverzekering zelfstandigen.

4.3 Ter behandeling ter zitting is naar voren gekomen dat belanghebbende op zichzelf niet in twijfel trekt dat de verklaring medio november 2003 aan hem is verzonden. Hiermee staat vast dat de verklaring is bekendgemaakt op de wijze als omschreven in artikel 3:41 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) en heeft de inspecteur de aanvraag van belanghebbende in beginsel terecht niet-ontvankelijk geoordeeld.

4.4 Op grond van artikel 6:11 van de Awb kan een niet-ontvankelijkverklaring op grond van overschrijding van de termijn echter achterwege blijven. Het is dan aan belanghebbende om omstandigheden en feiten te stellen en -bij betwisting- aannemelijk te maken, op grond waarvan redelijkerwijs in de zin van artikel 6:11 Awb niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. Ter zitting stelt belanghebbende dat hij de verklaring niet heeft ontvangen. Het hof heeft geen reden om aan deze stelling te twijfelen. Pas door een schriftelijke mededeling d.d. 3 januari 2004 is belanghebbende bekend geworden met het niet langer verplicht verzekerd zijn met ingang van 1 januari 2004. Na deze brief heeft belanghebbende op 10 januari 2004 een duplicaat van de verklaring van 14 november 2003 opgevraagd, alsmede een aanvraag om toepassing van de keuzeregeling ingediend. De inspecteur stelt slechts in algemene bewoordingen waarom hij ervan uitgaat dat belanghebbende de verklaring waarschijnlijk wel moet hebben ontvangen, doch legt niets over waaruit dit blijkt. Het hof is van oordeel dat omtrent de juistheid van het niet ontvangen van de aan belanghebbende toegezonden verklaring in rechte geen zekerheid kan worden verkregen. Eerbiediging van belanghebbendes keuzerecht is niet gewaarborgd wanneer die onzekerheid voor zijn risico wordt gebracht. Niet in geschil is dat belanghebbende zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk was na de kennisneming van de onderhavige verklaring een aanvraag om toepassing van de keuzeregeling heeft ingediend. Het voorgaande maakt de termijnoverschrijding verschoonbaar.

4.5 Tussen partijen is niet in geschil dat indien het op grond van de keuzeregeling het inkomen over het hoogste jaar buiten beschouwing wordt gelaten, het gemiddelde inkomen € 17.279,--, en derhalve beneden de grens van € 20.800,--, zou bedragen en dat belanghebbende aan de voorwaarden voor de verplichte verzekering voldoet.

5. De conclusie.

Het beroep van belanghebbende is derhalve gegrond.

6. De proceskosten.

Het gerechtshof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en stelt deze kosten op € 17,86 aan gemaakte reiskosten.

7. De beslissing.

Het gerechtshof: verklaart het beroep gegrond:

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

bepaalt dat de keuzeregeling van toepassing is in die zin dat het gemiddelde van de inkomens over de jaren 1999 en 2001 in de basisreferteperiode in aanmerking zal worden genomen;

wijzigt de beschikking d.d. 14 november 2003 in die zin dat de daarin opgenomen verklaring als volgt luidt:

verklaring

Uit de gegevens van de Belastingdienst per 1 oktober 2003 is gebleken dat u als zelfstandige wel voldoet aan de voorwaarden voor de verplichte ziekenfondsverzekering in 2004;

gelast de inspecteur om het griffierecht ad € 31,-- aan belanghebbende te vergoeden, en

veroordeelt de inspecteur tot betaling van een tegemoetkoming in de proceskosten ten bedrage van € 17,86; en

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Gedaan op 14 mei 2004 door mr Huiskes, raadsheer, lid van de vierde enkelvoudige kamer, en op die dag in het openbaar uitgesproken door voornoemde raadsheer in tegenwoordigheid van de griffier mr. H. de Jong en ondertekend door voornoemde raadsheer en door voornoemde griffier.

Afschrift per aangetekende post verzonden op: 19 mei 2004