Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO9765

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
10-05-2004
Datum publicatie
19-05-2004
Zaaknummer
BK 1883/02 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

- Voldoet belanghebbende aan het urencriterium voor de zelfstandigenaftrek;

- zijn de opgevoerde kosten terecht gecorrigeerd;

- kunnen de studiekosten als kosten van de onderneming worden aangemerkt;

- en heeft belanghebbende recht op de forfaitaire aftrek bij de in het onderhavige jaar genoten uitkering?

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 44m, geldigheid: 2004-05-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0943

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1883-02 10 mei 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, eerste enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z

(: belanghebbende) tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst/ Noord/ Kantoor Groningen (: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde aanslag inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen over het jaar 2000.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 2000 in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen, als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold (: de Wet) van ƒ 12.030,--.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 3 september 2002 afwijzend beslist. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 14 oktober 2002 is ingekomen. De inspecteur heeft vervolgens op 8 januari 2003 een verweerschrift (met bijlagen) ingezonden. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 5 februari 2004, gehouden te Assen, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende, de heer A, alsmede de inspecteur. Ter zitting heeft de gemachtigde een door hen voorgedragen pleitnota overgelegd.

Het hof heeft in deze zaak op 19 februari 2004 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, op 27 februari 2004, aan partijen is verzonden.

Bij een op 18 maart 2004 ter griffie ingekomen brief heeft de gemachtigde van belanghebbende verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daartoe verschuldigde griffierecht is op 24 maart 2004 voldaan.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

2.1 Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.2 Belanghebbende is vertaalster Frans-Nederlands en vice versa. Tot 24 juli 2000 genoot belanghebbende een WW-uitkering van de USZO.

Per 25 juli 2000 staat het vertaalbureau van belanghebbende genaamd X ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Per deze datum is eveneens sprake van een inschrijving voor de omzetbelasting. Volgens de op 17 augustus 2000 ondertekende opgaaf gegevens startende onderneming is de onderneming van start gegaan op 25 juli 2000. Bij de vraag hoeveel opdrachtgevers of afnemers de onderneming heeft wordt als antwoord gegeven: "geen ben net begonnen."

2.3 Belanghebbende heeft van 1998 tot en met 2000 een driejarige vertaalopleiding aan de B-Hogeschool te L gevolgd. (De kosten hiervan zijn in het voorgaande jaar door belanghebbende opgevoerd als buitengewone lasten). Een met succes afgeronde opleiding aan deze school geeft recht op een HBO-getuigschrift. Het HBO-getuigschrift vertaler biedt een zodanige competentie dat beëdiging als vertaler in de regel zonder problemen kan plaatsvinden. In 2000 is belanghebbende geslaagd voor het examen C (C). Met een C-diploma kan men lid worden van een beroepsvereniging. In week 43 van 2000 (eind oktober) is belanghebbende beëdigd. Vanaf die week is volgens de urenspecificatie voor het eerst sprake van productieve uren.

2.4 In het onderhavige jaar was sprake van één vertaalopdracht met een behaalde omzet van ƒ 91,28. Het totaalbedrag van de winst en de inkomsten uit vroegere arbeid werd niet hoofdzakelijk in of vanuit de werkruimte in de woning verworven. (In de aangifte 1999 werden de kosten van de cursus opgevoerd als buitengewone lasten.)

2.5 Belanghebbende heeft voor het onderhavige jaar aangifte gedaan van een belastbaar inkomen van negatief ƒ 11.116,--. Naar aanleiding van een ingesteld boekenonderzoek stelt de inspecteur het belastbaar inkomen vast op ƒ 12.030,--. In de beroepsfase berekent de inspecteur een nader vast te stellen belastbaar inkomen van ƒ 12.643,--. De inspecteur berekent dit inkomen als volgt:

Vastgesteld belastbaar inkomen ƒ 12.030,--

bij: ten onrechte in aftrek

gebrachte huisvestingskosten - 1.506,--

overnamefout bij kosten literatuur - 180,--

af: forfaitaire kostenaftrek -/- - 1.073,--

nader vast te stellen belastbaar inkomen ƒ 12.643,--.

Aangezien dit hoger is dan het vastgesteld belastbaar inkomen concludeert de inspecteur tot ongegrond verklaring van het beroep.

3. Het geschil en de standpunten van partijen.

3.1 In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

- Voldoet belanghebbende aan het urencriterium voor de zelfstandigenaftrek;

- zijn de opgevoerde kosten terecht gecorrigeerd;

- kunnen de studiekosten als kosten van de onderneming worden aangemerkt;

- en heeft belanghebbende recht op de forfaitaire aftrek bij de in het onderhavige jaar genoten uitkering?

3.2 Belanghebbende is van mening dat zij aan het urencriterium voldoet, dat de gecorrigeerde kosten terecht in aftrek zijn gebracht, dat de studiekosten als kosten van de onderneming kunnen worden aangemerkt en dat zij recht heeft op de forfaitaire aftrek bij de in het onderhavige jaar genoten uitkering.

3.3 De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende niet aan het urencriterium heeft voldaan, dat de kostencorrecties terecht zijn aangebracht, dat de studiekosten als buitengewone lasten aangemerkt dienen te worden en dat belanghebbende recht heeft op de forfaitaire aftrek van ƒ 1.073,--.

3.4 Voor een meer uitvoerige motivering van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

3.5 Ter zitting hebben partijen hun standpunten gehandhaafd zonder daartoe nadere gronden aan te voeren.

4. De overwegingen omtrent het geschil.

4.1 Op grond van artikel 44 m van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (:de Wet) zoals deze voor het onderhavige jaar luidde, wordt ten aanzien van de belastingplichtige die winst uit onderneming geniet en bij de aanvang van het kalenderjaar de leeftijd van 18 jaar, doch nog niet van 65 jaar heeft bereikt, een zelfstandigenaftrek toegepast indien:

a. gedurende het kalenderjaar de tijd die in totaal wordt besteed aan het voor eigen rekening feitelijk drijven van een onderneming en het verrichten van arbeid als bedoeld in artikel 22, grotendeels, doch voor ten minste 1225 uren, in beslag genomen door het drijven van die onderneming of

b. gedurende het kalenderjaar de voor werkzaamheden beschikbare tijd voor ten minste 1225 uren in beslag worden genomen door het voor eigen rekening feitelijk drijven van een onderneming en in een of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren niet voor eigen rekening feitelijk een onderneming is gedreven.

4.2 De bewijslast dat is voldaan aan het urencriterium rust op de belanghebbende. Belanghebbende becijfert de totaal door haar gemaakte uren op 1.945. Van deze uren heeft zij 882 gemaakt vóór de vestiging van haar vertaalbureau. Het grootste deel daarvan, 611 uur, zijn studie-uren. Gelet op de aard van de door belanghebbende gevolgde studie is het hof van oordeel dat deze daaraan bestede uren niet mee tellen voor het urencriterium van de zelfstandigenaftrek. Belanghebbende heeft de studie niet gevolgd met het oog op het op peil houden van reeds aanwezige vakkennis, maar met het doel kennis en bekwaamheid als vertaalster te verwerven die zij voorheen niet bezat. Dit brengt mee dat de aan het volgen van de studie bestede uren niet kunnen worden aangemerkt als uren besteed aan het feitelijk drijven van de onderneming.

4.3 Belanghebbende stelt in samenwerking met het outplacementbureau D B.V. te M tenminste 140 uur te hebben besteed aan het opzetten van een adressenbestand. Voorts stelt belanghebbende na de aanschaf van een nieuwe computer in januari 2000 circa 120 uur te hebben besteed aan het instaleren en leren gebruiken van diverse computerprogramma's.

4.4 Het hof acht de schatting van drie uur per dag gedurende vijf weken voor het aanleggen van een adressenbestand te weinig onderbouwd. Het gestelde aangaande het gebruik van de nieuwe computer acht het hof te algemeen van aard. Het ten aanzien van beide activiteiten gestelde aantal uren, is mitsdien onvoldoende aannemelijk gemaakt.

4.5 Met betrekking tot de periode vanaf week 27 heeft belanghebbende de door haar gemaakte uren wekelijks bijgehouden. De inspecteur trekt evenwel, gelet op het arbeidsverleden van belanghebbende als directiesecretaresse Engels-Frans bij een internationaal bedrijf, terecht in twijfel of belanghebbende daadwerkelijk 432 uur diende te besteden aan het bijhouden van vakliteratuur, vakkennis en woordenboeken. Het hof acht dienaangaande het aantal door belanghebbende gestelde uren niet aannemelijk gemaakt.

4.6 In het licht van het gegeven dat belanghebbende in deze periode slechts één beperkte - gelet op de hiermee gemoeide omzet- opdracht heeft verricht, is het aantal aan de boekhouding bestede uren van 104 uur niet aannemelijk gemaakt. De 284 uur welke belanghebbende stelt te hebben besteed aan public relations zijn door haar niet nader gespecificeerd, noch onderbouwd.

4.7 Uit het voorgaande volgt dat belanghebbende niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in het onderhavige jaar ten minste 1225 uur voor de onderneming heeft gewerkt. Hieraan doet niet af de omstandigheid dat belanghebbende eerst in juli met het vertaalbureau is gestart. Analoog aan Hoge Raad 23 december 1981, BNB 1982/56, dient het aantal uren niet op jaarbasis te worden herleid.

4.8 De door belanghebbende opgevoerde kosten bestaande uit huisvestingskosten, reclamekosten -waaromtrent de gemachtigde ter zitting meedeelde dat deze kosten bestaan uit kantinekosten-, en diverse kosten, zijn terecht niet in aftrek toegestaan nu noch het bestaan van de kosten, noch de aftrekbaarheid, op enigerwijze aannemelijk is gemaakt.

4.9 Ten aanzien van de studiekosten is het hof van oordeel dat deze aangemerkt dienen te worden als buitengewone last. Zoals hiervoor weergegeven was de studie niet gericht op het op peil houden van (reeds verworven) kennis en daardoor de vakbekwaamheid niet te doen verminderen, doch was de studie er op gericht de vakbekwaamheid uit te breiden. Deze kosten liggen in de persoonlijke sfeer van belanghebbende en zijn terecht aangemerkt als buitengewone lasten in de zin van artikel 46, lid 1 onderdeel c, van de Wet.

4.10 De inspecteur stelt in beroep dat, gelet op artikel 8b lid 1 letter a 1 van de Wet ten onrechte rekening is gehouden met de aftrek van een bedrag van ƒ 1.506,-- aan huisvestingskosten. Daarentegen heeft belanghebbende gelet op artikel 37 lid 1 letter b van de Wet wel recht op de forfaitaire aftrek van ƒ 1.073,-- in verband met de genoten inkomsten uit vroegere arbeid.

5. De conclusie.

Nu het recht op de forfaitaire aftrek van artikel 37 lid 1 letter b van de Wet, al gevolg van de overige correcties niet leidt tot een lager belastbaar inkomen en door belanghebbende overigens niets is aangevoerd op grond waarvan het hof thans anders dient te oordelen, volgt uit het vorenstaande dat het beroep van belanghebbende ongegrond is

6. De proceskosten.

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 10 mei 2004 door prof. mr Aardema, vice-president, in tegenwoordigheid van de griffier mevrouw mr De Jong en ondertekend door voornoemde vice-president en door voornoemde griffier.

Afschrift aangetekend aan beide partijen verzonden

op: 19 mei 2004

De griffier van het Gerechtshof te Leeuwarden.