Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO9762

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-05-2004
Datum publicatie
19-05-2004
Zaaknummer
BK 296/03 Forensenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende hoofdverblijf heeft in de gemeente Skarsterlân, als bedoeld in artikel 2 van de Verordening.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 4, geldigheid: 2004-05-14
Gemeentewet 223, geldigheid: 2004-05-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0955
Belastingblad 2004/760

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Nr. BK 296/03 14 mei 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z

(: de belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de afdeling financiën van de gemeente Skarsterlân (: de ambtenaar), gedaan op het bezwaarschrift van de belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de forensenbelasting voor het jaar 2002.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.Ingevolge de Verordening forensenbelasting 2002 (: hierna de Verordening) heeft de ambtenaar de belanghebbende een aanslag in de forensenbelasting voor het jaar 2002, ten bedrage van € 531,--, opgelegd.

1.2.Een tegen deze aanslag door belanghebbende ingediend bezwaarschrift is door de ambtenaar bij uitspraak van 12 februari 2003 ongegrond verklaard.

1.3.De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), dat op 28 maart 2003 bij het gerechtshof is ingekomen. Belanghebbende is aanvankelijk door het hof niet ontvankelijk verklaard in zijn beroep. Het hiertegen gerichte verzet van belanghebbende is vervolgens bij uitspraak van 6 juni 2003 door het hof gegrond verklaard. In laatstgenoemde uitspraak is daarnaast aangegeven dat het beroep in behandeling zal worden genomen.

1.4.De ambtenaar heeft op 18 juli 2003 een verweerschrift (met bijlagen) ingediend bij het gerechtshof.

1.5.Bij de mondelinge behandeling van 8 april 2004, gehouden te Leeuwarden, waren aanwezig de belanghebbende, alsmede namens de ambtenaar de heer A.

1.6.Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2.De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1.De ambtenaar heeft aan belanghebbende een aanslag voor de forensenbelasting opgelegd ter zake van het in het jaar 2002 op meer dan 90 dagen voor zich of zijn gezin beschikbaar houden van een gemeubileerde woning gelegen aan de a-weg 9 te Z, gemeente Skarsterlân, zonder dat belanghebbende in die gemeente zijn hoofdverblijf heeft.

2.2.De belanghebbende heeft in het jaar 2002 deze woning voor meer dan 90 dagen voor hem of zijn gezin beschikbaar gehouden. De belanghebbende is sedert september 2001 eigenaar van deze woning en staat sedert november 2001 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Skarsterlân.

2.3.In hoofdzaak verblijft de belanghebbende in deze woning wekelijks van vrijdagavond tot en met zondag.

2.4.In kader van de Wet WOZ is de woning getaxeerd. Volgens de taxateur is de woning goed onderhouden. De kwaliteit en de luxe van de woning is door hem beoordeeld als zeer slecht en ver onder gemiddeld.

2.5.De belanghebbende is door de week werkzaam in L en omgeving en heeft daar, samen met zijn echtgenote, de beschikking over een huurwoning met daarbij een kantoor. Zijn echtgenote is eveneens werkzaam in L en staat daar ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie.

2.6.De ambtenaar heeft de belanghebbende hangende de bezwaarprocedure, verzocht een vragenlijst "Onderzoek permanente bewoning forensenbelasting" in te vullen en aan de gemeente te retourneren. De belanghebbende heeft aan dit verzoek geen gehoor gegeven.

2.7. Bij de bestreden uitspraak is de aanslag gehandhaafd.

3.Het geschil en de standpunten van partijen

3.1.In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende hoofdverblijf heeft in de gemeente Skarsterlân, als bedoeld in artikel 2 van de Verordening.

3.2.Belanghebbende beantwoordt de onder 3.1 vermelde vraag bevestigend. Hij is van mening dat hij zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Skarsterlân omdat hij daar elk weekeinde -ook gedurende de wintermaanden- verblijft. Slechts bij uitzondering is dat anders. Hij staat daar ook ingeschreven en het belangrijkste deel van zijn sociale leven speelt zich daar af. Hij heeft de beschikking over een huurwoning in L omdat hij vanwege zijn werkzaamheden op L en omgeving is aangewezen en forensen niet mogelijk is. Deze huurwoning is kleiner dan de woning in Z. Voorts is de

renteaftrek van de hypotheek terzake van de woning in Z de enige renteaftrek die zijn echtgenote en hij benutten. Ook is de voorschotnota van het nutsbedrijf van de woning in Z hoger dan de voorschotnota van de woning in L.

3.3.De ambtenaar beantwoordt de onder 3.1. vermelde vraag ontkennend. De ambtenaar is op grond van de feitelijke omstandigheden als vermeld onder 2.2. tot en met 2.6. van mening dat het centrum van het (sociale) leven van belanghebbende zich met name afspeelt in (de omgeving van) L en dat de woning aan de a-weg 9 vooral recreatief wordt gebruikt.

3.4.Partijen doen hun standpunten (voorts) steunen op de gronden welke (ook) door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting heeft de ambtenaar zijn standpunt nader doen steunen op een door hem ter zitting overgelegd overzicht met daarop data waarop de controleur (water)toeristen- en forensenbelasting niemand in de woning heeft aangetroffen. Belanghebbende heeft geen bezwaar gemaakt tegen overlegging van dat overzicht.

4.De overwegingen omtrent het geschil

4.1.De onderhavige aanslag vindt zijn grondslag in artikel 223 van de Gemeentewet en de in het betreffende jaar geldende Verordening van de gemeenteraad van Skarsterlân. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening wordt onder de naam "forensenbelasting" een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden. Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Verordening, beoordeeld naar de omstandigheden.

4.2.De belanghebbende bestrijdt niet dat hij in het belastingjaar voor meer dan 90 dagen de woning in Z ter beschikking had. De belanghebbende bestrijdt dat hij geen hoofdverblijf in de gemeente Skarsterlân heeft.

4.3.Het gerechtshof is met de ambtenaar van oordeel dat op grond van de vaststaande feiten als vermeld onder 2.3. tot en met 2.5., in onderling verband en samenhang bezien, het centrum van het (sociale) leven van belanghebbende zich met name afspeelt in (de omgeving van) L en dat de woning aan de a-weg 9 in Z vooral recreatief wordt gebruikt. Belanghebbende verricht zijn werkzaamheden in L en omgeving, zijn bedrijf is daar gevestigd, hij beschikt daar samen met zijn echtgenote over een huurwoning en zijn echtgenote staat daar ook ingeschreven. Belanghebbende heeft derhalve hoofdverblijf in L.

4.4.Hetgeen de belanghebbende onder 3.2 heeft aangevoerd, kan hem naar het oordeel van het gerechtshof niet baten. De vraag of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft wordt immers niet alleen beoordeeld aan de hand van de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie maar wordt beoordeeld naar de omstandigheden.

4.5.Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen die een andere conclusie wettigen, is naar het oordeel van het gerechtshof de onderhavige aanslag in overeenstemming met de Verordening opgelegd.

5.De conclusie

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep van de belanghebbende ongegrond is.

6.De proceskosten

Het gerechtshof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7.De beslissing

Het gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld op 14 mei 2004 door mr. M.P. den Hollander, raadsheer-plaatsvervanger en voorzitter, mr H.H.A. Fransen, raadsheer en mr. E. Läkamp, raadsheer-plaatsvervanger, en op die dag in het openbaar uitgesproken te Leeuwarden door mr Fransen in tegenwoordigheid van de griffier mw mr M. Hiemstra en ondertekend door voornoemde raadsheer en voornoemde griffier.

Op 19 mei 2004 afschrift aangetekend verzonden aan beide partijen.