Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO9760

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-05-2004
Datum publicatie
19-05-2004
Zaaknummer
BK 49/03 Inkomstenbelasting
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AW1646
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende in het jaar 1999 een rentebedrag ad f.183.589,-- ten laste van het inkomen kan brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 775
FutD 2004-0939
V-N 2004/57.1.3

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 49/03 14 mei 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, tweede meervoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen van de belastingdienst te Groningen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding

Belanghebbende werd voor het jaar 1999 in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen aangeslagen naar een belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964, gelijk deze wet voor het onderhavige jaar gold, (hierna te noemen: de Wet) van ƒ 257.623,--.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 11 december 2002 de aanslag gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlagen), hetwelk op 13 januari 2003 is ingekomen.

Nadat de inspecteur zijn verweerschrift (met bijlagen) heeft ingezonden, heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden ter zitting van 10 maart 2004, gehouden te Leeuwarden, alwaar aanwezig waren de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur.

Ter voormelde zitting hebben de gemachtigde van belanghebbende en de inspecteur elk een pleitnota voorgedragen en overgelegd.

Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten.

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1 Belanghebbende exploiteert een transportbedrijf.

2.2 Ten behoeve van zijn onderneming heeft belanghebbende op 29 maart 1990 van A een bedrag geleend ad f.200.000,--. Deze lening diende met halfjaarlijkse termijnen van f.5.000,-- te worden afgelost, terwijl over het niet afgeloste deel 5% rente per jaar diende te worden betaald. Bij te late betaling van de rente was belanghebbende een boeterente van 1% per maand verschuldigd. In 1990 en 1991 is in totaal f.15.000,-- aan rente betaald.

2.3 In 1991 en 1992 heeft A ten behoeve van belanghebbendes onderneming betalingen gedaan tot een bedrag van f.285.000,--, welke betalingen werden bijgeboekt bij voormelde lening. In 1992 is een factuur van belanghebbende aan A ad f.1.873,-- op het saldo van de lening afgeboekt. In 1995 heeft belanghebbende ten behoeve van zijn onderneming nog een bedrag van f.100.000,-- geleend van A, waardoor het saldo van de lening uitkwam op f.583.127,--. Dit saldo staat per 1 januari 1999 op belanghebbendes balans gepassiveerd.

2.4 Tussen partijen is niet in geschil dat de latere bijboekingen op de lening onder hetzelfde regiem vallen als de in 1990 gesloten lening.

2.5 Behoudens de sub 2.2 vermelde rente heeft belanghebbende geen rente aan A betaald.

2.6 Jaarlijks stuurde de adviseur van A een brief aan de adviseur van belanghebbende met daarin een specificatie van de stand van de lening en de volgens die adviseur nog verschuldigde (enkelvoudig berekende) rente. De adviseur van belanghebbende heeft deze brieven niet beantwoord, maar in 1995 de afboeking van f.1.873,-- meegedeeld onder vermelding van: "Conform voorgaande jaren heeft de heer A afgezien van rentevergoeding." De adviseur van A heeft hiertegen schriftelijk geprotesteerd.

2.7 Bij het doen van aangifte voor de inkomstenbelasting heeft A steeds geen rente aangegeven, terwijl hij voor de vermogensbelasting een rentevordering aangaf van nihil, met omschrijving "p.m.", en ook de in 1995 ontstane vordering ad f.100.000,-- waardeerde op nihil.

Belanghebbende trok bij de aangifte geen rente af.

2.8 In de jaarrekeningen van belanghebbende over de jaren 1993 tot en met 1998 is als toelichting op de lening vermeld dat A over het jaar 1993 heeft afgezien van rentevergoeding.

2.9 A is op 30 oktober 1999 overleden. Bij legaat -vrij van recht- heeft A aan belanghebbende een boerderij cum annexis nagelaten alsmede al hetgeen A op belanghebbende te vorderen had. Daar de rente nimmer formeel is kwijtgescholden diende de rente voor het successierecht in aanmerking te worden genomen. De door A bepaalde legaten waren groter dan de waarde van de nalatenschap, zodat belanghebbende over zijn verkrijging wel successierecht heeft moeten betalen.

2.10 Bij het doen van aangifte voor de inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen voor het jaar 1999 heeft belanghebbende bij het specificeren van de winst in het aangiftebiljet f.183.589,-- in aftrek gebracht met omschrijving "Nagekomen achterstallige rente A". Deze post heeft hij niet in de jaarrekening zelf opgenomen. Per 31 december 1999 is de schuld ad f.583.127,-- niet meer in de jaarrekening opgenomen.

2.11 Bij het vaststellen van de onderhavige aanslag heeft de inspecteur, naast enige thans niet in geschil zijnde -deels connexe- correcties, voormeld bedrag van ƒ.183.589,-- bij het aangegeven belastbare inkomen geteld.

Op het tijdig ingediende bezwaar van belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak dit standpunt gehandhaafd.

3. Het geschil.

Te dezen is in geschil het antwoord op de vraag of belanghebbende in het jaar 1999 een rentebedrag ad f.183.589,-- ten laste van het inkomen kan brengen.

4. De standpunten van partijen.

Belanghebbende heeft op gronden, gelijk vervat in zijn beroepschrift en voormelde pleitnota, primair het standpunt ingenomen dat het niet toerekenen van verschuldigde rente in de jaren 1990 tot en met 1998 niet in strijd behoefde te zijn met goedkoopmansgebruik, daar daarbij het subjectief inzicht van belanghebbende leidde tot de waardering van de renteschuld op nihil nu A enige keren had aangegeven dat er geen rente betaald hoefde te worden. De rentevordering is in 1999 terecht gepassiveerd en is vervolgens uit het legaat voldaan. Subsidiair stelt belanghebbende dat in het verleden ten onrechte geen rekening is gehouden met de renteschuld, zodat op grond van de foutenleer de balans per 1 januari 1999 gecorrigeerd dient te worden met het totale rentebedrag.

De inspecteur heeft daartegenover op gronden, gelijk weergegeven in zijn verweerschrift en de pleitnota, primair het standpunt verdedigd dat belanghebbende middels het legaat de rente heeft genoten en verrekend, waarbij de rente in de winstsfeer valt. Aangezien de rente geen betrekking heeft op het jaar 1999 en de foutenleer niet van toepassing is, kan de rente niet in aftrek worden gebracht. Het inkomen is aldus tot het rentebedrag te laag vastgesteld. Subsidiair stelt de inspecteur zich op het standpunt dat de rente bij het overlijden van A dadelijk en ineens verschuldigd is geworden en middels het legaat tevens is ontvangen. Ook dan is volgens de inspecteur het belastbaar inkomen f.183.589,-- te laag vastgesteld. Meer subsidiair acht de inspecteur, al dan niet met toepassing van de foutenleer, de rente aftrekbaar onder de winst. In dat geval is de dotatie aan de oudedagsreserve te hoog en dient nog rekening te worden gehouden met een rentevrijstelling van f.1.000,--. Het belastbaar inkomen is in die visie f.5.690,-- te laag vastgesteld.

Voor een meer uitgebreide weergave van de standpunten van partijen verwijst het hof naar de gedingstukken.

Partijen hebben ter zitting hun onderscheidene standpunten gehandhaafd, zonder daartoe overigens nadere gronden te hebben aangevoerd.

5. De overwegingen omtrent het geschil.

5.1 Partijen hebben ter zitting eenparig het standpunt ingenomen dat de schuld van belanghebbende aan A tot belanghebbendes ondernemingsvermogen behoort. Gelet op de sub 2.2 en 2.3 weergegeven feiten en omstandigheden acht het hof dit standpunt juist. Op de schuld betrekking hebbende rentebedragen behoren derhalve eveneens tot het ondernemingsvermogen.

5.2 Belanghebbende stelt primair de verschuldigde rente in de jaren vanaf 1992 niet als passiefpost op de balans te hebben opgenomen, en daarmee niet te hebben gehandeld in strijd met goedkoopmansgebruik, daar hij uit uitlatingen van A, in zijn subjectieve beleving, had begrepen dat hij over die jaren geen rente verschuldigd was.

Uitgaande van de juistheid van dat standpunt is de verschuldigdheid van rente in 1999 actueel geworden, zodat de rente in dat jaar ten laste van belanghebbendes winst moet worden gebracht.

5.3 In 1999 heeft belanghebbende de rente tevens als legaat genoten. Gelet op de bestaande band van de rente met de ondernemingsschuld behoort ook het tenietgaan van de renteschuld door de optredende schuldvermenging in dat jaar tot uitdrukking te worden gebracht in de winst. Belanghebbende heeft zulks ten onrechte nagelaten.

5.4 De inspecteur heeft derhalve terecht het belastbaar inkomen gecorrigeerd ten aanzien van het per saldo in aftrek gebrachte rentebedrag en daarmee het belastbaar inkomen niet op een te hoog bedrag vastgesteld.

5.5 Dit oordeel zou niet anders zijn ingeval met toepassing van de foutenleer belanghebbendes balans per 1 januari 1999 zou moeten worden gecorrigeerd, nu ook in dat geval tegenover de winstvermindering wegens verschuldigde rente een winstvermeerdering staat wegens het tenietgaan van de renteschuld in hetzelfde jaar.

5.6 Het beroep is derhalve ongegrond.

5.7 Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing.

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Gedaan op 14 mei 2004 door mr. Pruiksma, vice-president en voorzitter, mr. Drion en mr. Van der Meer, raadsheren, en op die dag in het openbaar uitgesproken door mr. Drion in tegenwoordigheid van mr. De Jong-Braaksma als griffier en ondertekend door mr. Drion en de griffier.

Op 19 mei 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.