Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO9745

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
19-05-2004
Zaaknummer
WAHV 03-00733
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 26 WAHV; te laat verzet; dwangbevel; beroep op uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan niet-ontvankelijkverklaring achterwege moet blijven faalt. De in art. 26, tweede lid, WAHV bedoelde zekerheidstelling van al de kosten strekt niet verder dan de reeds verschenen kosten ten tijde van het doen van verzet. Nu de 53,38 euro executiekosten zijn gemaakt nadat het verzetschrift is ingediend, zijn deze, wat er zij van de vraag of deze kosten verschuldigd zijn, ten onrechte als voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep in rekening gebracht en dient de advocaat-generaal dit te restitueren aan de betrokkene.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 03/00733

14 april 2004

CJIB 49003607

Gerechtshof te Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage

van 4 juni 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft de betrokkene in het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 6 november 2002 uitgevaardigd dwangbevel niet-ontvankelijk verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld en hierbij verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep en hierbij opnieuw om vergoeding van kosten verzocht.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. De betrokkene heeft thans, in hoger beroep, het door hem ingestelde verzet uitvoerig gemotiveerd.

3.2. De betrokkene voert, zakelijk weergegeven, het volgende aan.

Hij woont als huurder op het adres [adres] 57C te [woonplaats] en niet op het adres [adres] 57 te [woonplaats]. Als bijlage 5 bij het beroepschrift heeft de betrokkene een huurcontract van 26 februari 1999 overgelegd, waaruit blijkt dat hij als huurder in tijdelijke huur (voor één jaar) per 1 maart 1999 aanneemt een 2-kamerappartement gelegen aan de [adres] 57C te [woonplaats]. De betrokkene stelt voorts dat blijkens een brief van de gemeentelijke belastingdienst van de gemeente [woonplaats] van 20 december 2000 de directeur der gemeentebelastingen van die gemeente heeft aangegeven dat er sprake is van een onjuiste objectafbakening van de onroerende zaak [adres] 57 en dat er voor de juist afgebakende onroerende zaak Zandvoorstraat 57C een nieuw WOZ-beschikkingsbiljet zal worden verzonden. Alle betrokkenen, dat wil zeggen de bewoners van de adressen [adres] 57, 57A, 57B en 57C te [woonplaats] hebben de nieuwe situatie doorgegeven aan de GBA van de gemeente [woonplaats]. Deze melding is echter zonder gevolg gebleven.

De feitelijke situatie ter plekke is aldus, dat in de oplopende nummering in de [adres] de nummering tot 20 maart 2003 liep tot en met nummer 55. Na nummer 55 volgt niet de deur van perceel 57, doch een deur aanhorig bij het perceel nummer 59. Eerst op 20 maart 2003 is bij deze deur door middel van beschildering een huisnummer aangebracht. Het daarop volgende pand met nummer 57 is eveneens eerst per 20 maart 2003 voorzien van een nummer op de buitenmuur.

Het gevolg van de door de betrokkene geschetste omstandigheden is dat post de betreffende inwoners niet of niet tijdig bereikt. De betrokkene stelt noch de initiële beschikking, noch enige aanmaning te hebben ontvangen. Uit het feit dat bij het CJIB tot tweemaal toe stukken als onbestelbaar retour zijn ontvangen blijkt dat niet alle post wordt besteld. De kopie van het dwangbevel werd de betrokkene eerst op 25 november 2003 (het hof verstaat: 2002) door de op nummer 59 woonachtige buurman overhandigd. De betrokkene heeft de plaatselijke situatie vastgelegd op foto's en een videoband, als bijlagen bij het beroepschrift.

3.3. De advocaat-generaal stelt in zijn verweerschrift dat de betrokkene sedert 19 maart 1999 in de GBA is ingeschreven op het adres [adres] 57 te [woonplaats], onder verwijzing naar een uittreksel uit de GBA van de gemeente

[woonplaats] d.d. 11 augustus 2003. Bij de afdeling Burgerzaken van genoemde gemeente is blijkens een telefax d.d. 11 augustus 2003 niets bekend van een kadastrale splitsing van het perceel [adres] 57, terwijl er geen achterstand in de verwerking van gegevens is. Uit telefonische inlichtingen bij de Dienst Stadsontwikkeling van de gemeente [woonplaats] is gebleken dat bij deze dienst, die verantwoordelijk is voor de uitgifte van huisnummers, evenmin iets bekend is van bedoelde kadastrale splitsing en dat geen ander huisnummer is uitgegeven dan [adres] 57.

Alle post voor het adres [adres] 57 al dan niet met subnummers geschiedt in de enige brievenbus op dat adres. Er vinden geen retourzendingen plaats. Een en ander blijkt uit een schriftelijke mededeling van een medewerker van TPG-Post, Rayon [woonplaats] van 13 augustus 2003.

De deurwaarder die het dwangbevel heeft betekend heeft blijkens telefonisch ingewonnen inlichtingen weliswaar even moeten zoeken naar het adres [adres] 57, maar sluit uit dat betekening heeft plaatsgevonden op het adres [adres] 59.

De advocaat-generaal concludeert tot bevestiging van de beschikking van de kantonrechter, zij het op andere gronden, nu de betrokkene het verzet te laat heeft aangewend.

3.4. Het hof overweegt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het verzet als volgt. Ingevolge art. 26, derde lid, WAHV wordt het verzetschrift binnen twee weken na de betekening van het dwangbevel ingediend bij de rechtbank van het arrondissement waar het adres is van degene aan wie de administratieve sanctie is opgelegd.

3.5. Blijkens de gedingstukken is het dwangbevel op 7 november 2002 betekend. Het verzetschrift is gedateerd 27 november 2002 en het is blijkens een daarop geplaatst stempel op 28 november 2002 ontvangen bij de rechtbank te

[woonplaats]. Het verzetschrift is derhalve niet binnen de termijn als bedoeld in art. 26, derde lid, WAHV ingediend.

3.6. Ingevolge het bepaalde in het tweede lid van art. 1:4 Awb zijn de artt. 6:9 en 6:11 Awb van toepassing uitgesloten. De wetgever heeft niet voorzien in de mogelijkheid van verschoonbaarheid van overschrijding van de in art. 26, derde lid, WAHV genoemde termijn. In die omstandigheden moet worden aangenomen, dat de wetgever - anders dan in het niet van toepassing zijnde art. 6:11 Awb - in beginsel niet heeft willen voorzien in de mogelijkheid van verschoonbaarheid van overschrijding van de in art. 26, derde lid, WAHV genoemde termijn. Daarom kan slechts in geval van uitzonderlijke omstandigheden worden aangenomen, dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend verzetschrift op grond daarvan niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven.

3.7. De betrokkene voert in het licht van de gebrekkige postbezorging aan dat hij het afschrift van het dwangbevel niet eerder dan 25 november 2002 in handen gesteld heeft gekregen door de op nummer 59 woonachtige buurman en beroept zich er aldus op, dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden als hiervoor bedoeld.

3.8. De bij het verweerschrift gevoegde informatie van TPG-Post strekt ertoe dat alle post voor het adres [adres] 57 al dan niet met subnummers geschiedt in de enige brievenbus op dat adres. De betrokkene bestrijdt weliswaar de in dat bericht opgenomen stelling, dat door TPG geen retourzendingen van poststukken plaatsvinden, doch hij ontkent niet dat er slechts één brievenbus is geplaatst. Het hof zal derhalve van deze omstandigheid uitgaan. Het vervolgens tijdig in handen krijgen van de in deze brievenbus daadwerkelijk bezorgde, ten name van de betrokkene gestelde post, of dit nu geadresseerd is op [adres] 57 dan wel op [adres] 57C, is een omstandigheid die geheel voor risico van de betrokkene komt.

Ten deze is dan ook alleen van belang of bij de betekening van het afschrift van het dwangbevel gebruik is gemaakt van bedoelde brievenbus.

3.9. Blijkens het exploit van betekening heeft gerechtsdeurwaarder Korenhof op 7 november 2002 aan de betrokkene, wonende te [woonplaats], [adres] 57, het door de officier van justitie uitgevaardigde dwangbevel betekend door aan dit adres in een gesloten envelop een afschrift van het exploit van betekening en genoemd dwangbevel achter te laten. De deurwaarder die het dwangbevel heeft betekend heeft blijkens door de advocaat-generaal telefonisch ingewonnen inlichtingen aangegeven weliswaar even te hebben moeten zoeken naar het adres [adres] 57, maar sluit uit dat betekening heeft plaatsgevonden op het adres [adres] 59.

3.10. De betrokkene heeft zijn stelling, dat hij het afschrift van het dwangbevel eerst op 25 november 2002 van zijn op het adres [adres] 59 woonachtige buurman in handen heeft gekregen - waarin besloten ligt, dat de deurwaarder de gesloten envelop niet in de brievenbus van het perceel [adres] 57 heeft gedeponeerd - niet nader onderbouwd, bijvoorbeeld door middel van een verklaring van de betreffende buurman. Deze onderbouwing heeft evenmin plaatsgevonden nadat de advocaat-generaal in het verweerschrift concludeerde dat het dwangbevel op de juiste wijze is betekend en dat het verzet te laat is aangewend.

3.11. Op de door de betrokkene in het geding gebrachte foto's en videobeelden heeft het hof de door de betrokkene geschetste oplopende nummering in de [adres] waargenomen. Zichtbaar zijn deuren met de kennelijk bijbehorende nummers 51, 53 en 55. Vervolgens is een deur zichtbaar, voorzien van een brievenbus, waarbij in zwart op de muur het nummer "59" is geschilderd. Achter deze deur is een steeg zichtbaar. Hetgeen op de foto's en de video ontbreekt is elke indicatie betreffende het perceel [adres] 57 (al dan niet met subnummering). Aldus is er geen nadere aanwijzing in welke mate de herkenbaarheid van het perceel [adres] 57 en de bewoners daarvan voor personen die stukken afgeven bemoeilijkt werd. Gelet op de door de betrokkene geponeerde stellingen acht het hof dat onbegrijpelijk.

3.12. Uit het hiervoor onder 3.10. en 3.11. overwogene volgt, dat de betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat betekening van het dwangbevel niet heeft plaatsgevonden door middel van achterlating van een gesloten envelop in de brievenbus van het perceel [adres] 57, zijnde de door de betrokkene gebruikte brievenbus. Derhalve moet het er voor gehouden worden dat betekening heeft plaatsgevonden op de wijze zoals hiervoor onder 3.9. weergegeven, dat de betrokkene kon beschikken over de kopie van het dwangbevel en dat hij op de hoogte kon zijn van de wijze waarop en de termijn waarbinnen hij verzet diende in te stellen. Er doen zich derhalve geen uitzonderlijke omstandigheden voor als hiervoor bedoeld. Het verzet is niet tijdig ingediend en de beschikking van de kantonrechter zal, zij het op andere gronden, worden bevestigd.

3.13. Het voorgaande brengt mee dat behandeling van de overige bezwaren van de betrokkene, waaronder de gestelde onjuiste postbezorging- voorafgaand aan voormelde betekening - als gevolg van de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden achterwege blijft.

3.14. Voor een veroordeling van de advocaat-generaal in de kosten is gelet op het voorgaande geen plaats.

3.15. De betrokkene heeft in hoger beroep zekerheid gesteld van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten, zoals door de griffier van de rechtbank opgegeven in de brief van 14 juli 2003. Hij heeft daarbij echter blijkens een brief van 22 juli 2003 gewezen op het feit, dat de in rekening gebrachte hoofdsom van de sanctie reeds in 2002 door hem is voldaan en dat de - blijkens door hem bij de deurwaarder ingewonnen inlichtingen - opgevoerde post aangekondigde executie-kosten als zijnde onbehoorlijk eveneens ten onrechte in rekening is gebracht.

3.16. Blijkens het commentaar naar aanleiding van verzet tegen dwangbevel van het CJIB van 24 februari 2003 is op 12 november 2002 bij het CJIB het bedrag van de initiële sanctie ontvangen. Nu de betrokkene dit bedrag, zijnde 27,23 Euro, aldus tweemaal heeft voldaan, zal het hof de advocaat-generaal opdragen de betrokkene dit bedrag terug te betalen.

3.17. De betrokkene maakt in zijn brief van 22 juli 2003 met bijlagen aannemelijk, dat aan kosten in rekening zijn gebracht (bij brief van 8 mei 2003 aangekondigde) executiekosten ad 53,38 Euro. Het hof is van oordeel dat de in art. 26a, tweede lid, WAHV bedoelde zekerheidstelling van al de kosten redelijkerwijs niet verder strekt dan de reeds verschenen kosten ten tijde van het doen van verzet. Nu het verzetschrift op 28 november 2002 is ingediend en de genoemde kosten nadien zijn gemaakt, zijn deze, wat er zij van de vraag of deze kosten verschuldigd zijn, ten onrechte in rekening gebracht als voorwaarde voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep en zal het hof de advocaat-generaal opdragen de betrokkene ook dit bedrag terug te betalen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beschikking van de kantonrechter;

wijst het verzoek van de betrokkene om de advocaat-generaal te veroordelen in de proceskosten af;

bepaalt dat van hetgeen uit hoofde van voormeld dwangbevel door de betrokkene is betaald een deel, te weten 80,61 Euro, door de advocaat-generaal aan de betrokkene wordt gerestitueerd.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.