Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO9676

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
31-03-2004
Datum publicatie
18-05-2004
Zaaknummer
WAHV 03/01187
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 6 EVRM; undue delay in Mulderzaken; Het hof heeft zijn standpunt in deze heroverwogen. Geen beperking meer van de procedure in zijn totaliteit tot 24 maanden. Van de bestuurlijke en rechterlijke autoriteiten mag worden verwacht dat zij een zaak met de nodige voortvarendheid behandelen. Perioden van inactivitiet van de bevoegde autoriteiten zonder aanwijsbare en aanvaardbare oorzaak. In het onderhavige geval in geen enkel onderdeel van de totale procedure sprake van een dermate lange periode van inactiviteit aan de zijde van justitie dat op grond daarvan moet worden gezegd dat er sprake is van undue delay.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2004, 113 met annotatie van M. Barels
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 03/01187

31 maart 2004

CJIB 19046575527

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage

van 1 september 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [plaatsnaam]

voor wie als gemachtigde optreedt mr.drs. M.J.G. Schroeder, wonende te Rotterdam.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking d.d. 13 november 2001 een administratieve sanctie van ƒ 280,- (= Euro€ 127,06) opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen (verkeersbord A1); meer dan 30 km/h en t/m 35 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 22 augustus 2001 op de A4 (Westbaan) in Rijswijk.

3.2. Namens de betrokkene is aangevoerd, dat de gedraging niet is verricht. Hiertoe voert de betrokkene aan, dat op één van de foto's een inspiegelplaatje is te zien met de vermelding F004/411, dat dit duidt op de instelling van het meetapparaat op de voorzijde van passerende auto's, terwijl op de foto is te zien dat de achterzijde van de auto is gefotografeerd. De betrokkene stelt zich dan ook op het standpunt, dat de meetapparatuur ondeugdelijk was ingesteld voor het meten van voertuigen van achteren.

3.3. Blijkens de gedingstukken is de meting verricht met apparatuur van het merk Multanova. Bij de gedingstukken bevindt zich een overzicht waarop uitleg wordt gegeven van de gegevens op de display van een foto vergelijkbaar met de foto, waarop F004/411 is vermeld. In dit overzicht wordt het volgende aangegeven: "F849/287". Onder de cijfers is vermeld "Film- and photo no.". Aan de letter F wordt dus geen uitleg gegeven. Het hof acht het echter niet aannemelijk dat de letter F de afkorting is van "frontopname". Gelet op de combinatie van letter en cijfers kan de letter F namelijk bezwaarlijk anders worden uitgelegd dan als afkorting van "film". Het hof wijst voorts erop, dat in het overzicht met het teken ^ de richting van het verkeer wordt aangeduid. Het verweer van de betrokkene, dat de meetapparatuur ondeugdelijk was ingesteld, treft derhalve geen doel.

3.4. Verder is namens de betrokkene aangevoerd, dat de kantonrechter buiten het toepassingsbereik van art. 13 WAHV is getreden. Door de zaak namelijk voor onbepaalde tijd aan te houden, paste de kantonrechter procesrecht toe uit hoofdstuk 8 Awb, terwijl art. 9 WAHV de toepassing van dat hoofdstuk uitdrukkelijk uitsluit.

3.5. Zoals het hof in zijn arrest van 23 december 2003 in de zaak met registratienummer WAHV 03/00618 heeft overwogen, kent hoofdstuk V van de WAHV niet de mogelijkheid om een zaak aan te houden (of te schorsen), maar moet de kantonrechter op grond van de beginselen van een behoorlijke procesorde worden geacht over de bevoegdheid te beschikken om een zaak aan te houden (of te schorsen). Voor zover de betrokkene meent dat uit het niet van toepassing verklaren van hoofdstuk 8 van de Awb in art. 9 WAHV een verbod tot aanhouding voortvloeit, berust deze mening op een onjuiste rechtsopvatting. Het verweer van de betrokkene dat de kantonrechter buiten het toepassingsgebied van art. 13 WAHV is getreden treft derhalve geen doel.

3.6. Ook heeft de betrokkene aangevoerd, dat de officier van justitie de betrokkene in strijd met art. 7:16 Awb niet heeft gehoord, dat de betrokkene in strijd met art. 7:18 Awb geen inzage is gegeven in de op de zaak betrekking hebbende stukken, dat de betrokkene zich hierdoor pas in beroep bij de kantonrechter kon verdedigen en dat hiermee kosten waren gemoeid. De betrokkene concludeert dan ook niet tot vernietiging van de inleidende beschikking, maar stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter ten onrechte de officier van justitie niet in de kosten heeft veroordeeld.

3.7. De officier van justitie heeft op basis van de stukken het beroep als kennelijk ongegrond beoordeeld en ingevolge art. 7:17 Awb ervan afgezien de indiener van het beroep te horen. Bij zijn beslissing op het beroep zijn "de voor insteller van het beroep relevante stukken", - naar het hof begrijpt het zaakoverzicht en de foto's van de gedraging - gevoegd. Of de officier van justitie terecht van het horen van de indiener van het beroep heeft afgezien kan gelet op het volgende in het midden blijven.

3.8. Zoals namens de betrokkene zelf ook wordt gesteld, behoeven de door haar genoemde verzuimen niet tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie te leiden. Ingevolge art. 6:22 Awb kan een besluit waartegen beroep is ingesteld, ondanks schending van een vormvoorschrift door het orgaan dat op het beroep beslist, in stand worden gelaten indien blijkt dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

3.9. In aanmerking genomen dat de gemachtigde van de betrokkene stukken zijn toegezonden, hij behoorlijk voor de zitting van de kantonrechter is opgeroepen, dat de op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaande aan de zitting ter inzage hebben gelegen en dat de gemachtigde van de betrokkene ter zitting is verschenen, behoeft de beslissing van de officier van justitie niet wegens schending van vormvoorschriften te worden vernietigd, nu niet gezegd kan worden dat de betrokkene daardoor wordt benadeeld. Het voorgaande brengt mee, dat niet kan worden gezegd dat de kantonrechter ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de officier van justitie te veroordelen in de proceskosten.

3.10. Tenslotte is namens de betrokkene aangevoerd, dat er geen sprake is van berechting binnen redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM, nu de gedraging op 22 augustus 2001 en dus meer dan twee jaren geleden is verricht.

3.11. Uit de gedingstukken blijkt het volgende. De gedraging is verricht op 22 augustus 2001, terwijl de inleidende beschikking op 13 november 2001 aan de betrokkene is toegezonden. Bij brief van 18 december 2001, ingekomen bij het arrondissementsparket op 19 december 2001, is tegen de inleidende beschikking beroep ingesteld. Op 28 februari 2002 heeft de officier van justitie op het beroep beslist. Bij brief van dezelfde datum is de beslissing aan de betrokkene en Schroeder toegezonden. Op 12 maart 2002 is de beslissing van de officier van justitie in de vorm van een acceptgiro met begeleidend schrijven aan Schroeder toegezonden. Bij brief van 18 maart 2002, ingekomen bij het arrondissementsparket op 19 maart 2002, is beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. Bij brief van 26 maart 2002 is de ontvangst van het beroepschrift bevestigd. Tevens is de gemachtigde van de betrokkene hierbij in de gelegenheid gesteld om zekerheid te stellen. Aan deze brief voorafgaande is reeds op 7 maart 2002 door het CJIB het bedrag van de sanctie ontvangen. Bij brief van 7 november 2002 is de gemachtigde van de betrokkene uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter d.d. 3 februari 2003, alwaar de gemachtigde van de betrokkene is verschenen. Ter zitting heeft de kantonrechter de zaak aangehouden teneinde de oficier van justitie in de gelegenheid te stellen de stellingen van de betrokkene nader te onderzoeken. Bij brief van 19 maart 2003 heeft de officier van justitie bij de KLPD - Verkeerspolitie te Driebergen verzocht om nadere informatie. Bij brief van 20 maart 2003 heeft de KLPD aan dit verzoek voldaan. De gevraagde informatie is gezonden aan de griffie van de rechtbank, alwaar deze op 25 maart 2003 is ontvangen. Bij brief van 16 april 2003 is de gemachtigde van de betrokkene uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter van 1 september 2003, alwaar hij is verschenen. Op deze datum heeft de kantonrechter het beroep ongegrond verklaard. Bij brief van 25 september 2003 heeft de griffier van de rechtbank de beslissing van de kantonrechter aan de gemachtigde van de betrokkene doen toekomen. Bij brief van 5 november 2003, door de griffie van de rechtbank ontvangen op 7 november 2003, is namens de betrokkene hoger beroep ingesteld. Op 11 november 2003 heeft de griffier van het hof het beroepschrift alsmede de op de zaak betrekking hebbende stukken ontvangen. Bij brief van 19 december 2003 heeft de gemachtigde van de betrokkene de gronden van het beroep ingediend. Op 16 januari 2004 heeft de advocaat-generaal een verweerschrift ingediend. Bij brief van 31 november 2003 ( het hof leest: 31 januari 2004) heeft de gemachtigde van de betrokkene het beroep nader toegelicht.

3.12. Het hof stelt vast dat sinds het toezenden van de inleidende beschikking meer dan 24 maanden zijn verstreken. Tot op heden heeft het hof zich op het standpunt gesteld, dat een zaak in beginsel binnen 24 maanden na staandehouding of indien op kenteken is bekeurd binnen 24 maanden na het verzenden van de inleidende beschikking moet zijn berecht.

3.13. Het hof heeft zijn standpunt in dezen heroverwogen. De strekking van het redelijke termijn-vereiste is te voorkomen dat een 'verdachte' langer dan redelijk is onder de dreiging van een 'strafvervolging' moet leven. Die dreiging schuilt met name in de mogelijkheid dat in de strafvervolging sancties worden opgelegd die de betrokkene diep treffen in zijn maatschappelijke leven, zoals een (langdurige) vrijheidsstraf of een ontzegging van de rijbevoegdheid. Gelet op het punitieve karakter van de sancties geldt een en ander in beginsel eveneens voor de procedure in WAHV-zaken, maar van de beperkte financiële sancties van de WAHV gaat een dergelijke ernstige dreiging niet uit, zodat op die grond een beperking van de procedure in zijn totaliteit tot 24 maanden niet vereist is. Anderzijds kunnen zich gevallen voordoen waarin in enige fase van de procedure sprake is van een zodanig gebrek aan voortvarendheid door de behandelende bestuurlijke of rechterlijke autoriteit, dat ook al is de zaak binnen vierentwintig maanden na staandehouding c.q. de toezending van de inleidende beschikking afgedaan, desalniettemin geoordeeld moet worden dat er sprake is van onredelijke vertraging in de procedure.

3.14. Immers, de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften kenmerkt zich door een in vergelijking met de strafrechtelijke afdoening vereenvoudigde procedure gericht op een doelmatiger handhaving van lichte verkeersovertredingen. In deze procedure wordt van de betrokkene die een beroep wil doen op rechtsbescherming een actief optreden verwacht, gebonden aan korte en in beginsel fatale termijnen. Daartegenover mag van de bestuurlijke en rechterlijke autoriteiten, die in de procedure in het algemeen niet of slechts aan termijnen van orde gebonden zijn worden verwacht, dat zij met de nodige voortvarendheid de zaak behandelen.

3.15. Of en wanneer sprake is van onredelijke vertraging in de berechting is, naast het gebrek aan voortvarendheid bij de afhandeling van de zaak in de verschillende stadia van de procedure, afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak en de invloed van de betrokkene en/of de gemachtigde op het procesverloop. Het oordeel, dat er sprake is van onredelijke vertraging in de berechting wordt bepaald door de omstandigheden van het concrete geval. Veelal zal er dan sprake zijn van perioden van inactiviteit van de bevoegde autoriteiten zonder aanwijsbare en aanvaardbare oorzaak. Het hof ziet in dit stadium af van het aangeven van normen voor de verschillende stadia in de totale procesgang. Het hof acht het overigens mogelijk, dat een periode van inactiviteit als hierboven bedoeld wordt gecompenseerd door een grotere mate van voortvarendheid in het vervolg van de procedure.

3.16. Uit het in r.o. 3.11. overwogene blijkt echter, dat in geen enkel onderdeel van de totale procedure er sprake is van een dermate lange periode van inactiviteit aan de zijde van justitie dat op grond daarvan moet worden gezegd, dat er sprake is van undue delay. Weliswaar is de periode vanaf de ontvangstbevestiging door de officier van justitie d.d. 26 maart 2002 tot de beslissing van de kantonrechter waarvan beroep ruim 17 maanden, maar de afdoening van de zaak is vertraagd doordat de gemachtigde van de betrokkene ter zitting van de kantonrechter van 3 februari 2003 voor het eerst een argument aanvoerde, dat tot nader onderzoek noopte waardoor de zaak moest worden aangehouden.

3.17. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Van Dijk en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.