Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO9665

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
31-03-2004
Datum publicatie
18-05-2004
Zaaknummer
WAHV 04-00002
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

art. 26 WAHV; De kantonrechter heeft twee maal op het verzet beslist zonder dat de eerste beschikking door enige rechterlijke uitspraak is vernietigd. De rechtsgang ná de eerste beschikking dient buiten beschouwing te blijven. In casu geen sprake van een kennelijke fout in de eerste beschikking van de kantonrechter, die zich voor eenvoudig herstel leent (vgl. art. 31 Rv). Stopzetting tenuitvoerlegging dwangbevel door advocaat-generaal. Verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13a
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26a
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 04/00002

31 maart 2004

CJIB 25744047

Gerechtshof te Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter van de rechtbank te [woonplaats]

van 27 juli 2001

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beschikkingen van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op

3 november 1999 uitgevaardigd dwangbevel op 27 juli 2001 ongegrond verklaard. Op 18 december 2001 heeft de kantonrechter de beschikking van 27 juli 2001 gerectificeerd en het verzet gegrond verklaard. Tevens heeft de kantonrechter bepaald dat het griffierecht aan de betrokkene wordt terugbetaald. De beschikkingen van de kantonrechter zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op het verweerschrift. Bij brief van 21 februari 2004 heeft de betrokkene verzocht om uitstel. Bij brief van 24 februari 2004 heeft de griffier van het hof de betrokkene tot 17 maart 2004 uitstel verleend voor het indienen van een reactie op het verweerschrift. Van de zijde van de betrokkene is geen reactie ontvangen.

3. Beoordeling

3.1. De betrokkene heeft op 2 augustus 2001 tijdig hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter d.d. 27 juli 2001, waarbij het verzet ongegrond is verklaard. In plaats dat na het instellen van dat beroep de in art. 26a WAHV voorgeschreven procedure is gevolgd heeft de kantonrechter op eenzelfde verzetschrift voor de tweede maal een beschikking gegeven op 18 december 2001. Op het verzet van de betrokkene is beslist bij beschikking van 27 juli 2001. Deze beschikking is niet door enige rechterlijke uitspraak vernietigd. Daarom kan niet met voorbijgaan van deze beschikking opnieuw op het verzet worden beslist, zoals de kantonrechter bij beschikking van 18 december 2001 heeft gedaan. Aantekening verdient daarbij, dat in casu geen sprake is van een kennelijke fout in de beschikking van 27 juli 2001, die zich voor eenvoudig herstel leent (vgl. art. 31 Rv.). De rechtsgang na 27 juli 2001, eindigend met de beslissing van de kantonrechter van 18 december 2001, dient dan ook buiten beschouwing te blijven. Het hof zal derhalve recht doen op het hoger beroep dat is ingesteld tegen de beslissing van 27 juli 2001.

3.2. Ingevolge art. 26a, tweede en derde lid, WAHV is degene die hoger beroep heeft ingesteld tegen een beschikking als de onderhavige slechts ontvankelijk in dat beroep na voorafgaande zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en voorts na betaling van het verschuldigde griffierecht.

3.3. Bij brief van 28 november 2002 heeft de griffier van de rechtbank de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling zekerheid te stellen door storting van het verschuldigde bedrag op de rekening van het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden. Tevens is aan de betrokkene medegedeeld dat hij in hoger beroep een griffierecht is verschuldigd. Uit een brief van de griffier van de rechtbank gedateerd 7 januari 2004 aan de griffier van het hof blijkt evenwel dat binnen die termijn geen zekerheid is gesteld. Voorts blijkt niet, dat door de betrokkene in hoger beroep griffierecht is betaald. Het voorgaande brengt mee dat in beginsel de betrokkene in het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Niettemin zal het hof hiertoe niet beslissen op grond van het volgende.

3.4. Bij arrest van 1 december 2003 (WAHV 03/00792; LJN AO1601) heeft het hof overwogen, dat onder omstandigheden de eis dat zekerheid wordt gesteld en/of dat griffierecht wordt betaald in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals wanneer reeds ten tijde van het verzoek tot het stellen van zekerheid en/of het betalen van het griffierecht vaststaat dat behandeling van de zaak tot geen andere beslissing kan leiden dan gegrondverklaring van het verzet.

1.5. Aangezien de advocaat-generaal de tenuitvoerlegging van het dwangbevel heeft stopgezet, zal het hof de beschikking van de kantonrechter van 27 juli 2001 vernietigen en het verzet gegrond verklaren. Tevens zal het hof de griffier van de rechtbank opdragen het in de procedure bij de kantonrechter betaalde griffierecht aan de betrokkene terug te betalen, voor zover dit nog niet is geschied.

3.6. De betrokkene heeft verzocht om vergoeding van materiële en immateriële schade tot een bedrag van € Euro 907,56.

3.7. Ingevolge art. 1 van het van toepassing zijnde Besluit proceskosten bestuursrecht kan een veroordeling in de kosten uitsluitend betrekking hebben op:

a. kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,

b. kosten van een getuige, deskundige of tolk die door een partij of een belanghebbende is meegebracht of opgeroepen, dan wel van een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht,

c. reis- en verblijfkosten van een partij of een belanghebbende,

d. verletkosten van een partij of een belanghebbende,

e. kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken, en

f. kosten van het als gemachtigde optreden van een arts in zaken waarin enig wettelijk voorschrift verplicht tot tussenkomst van een gemachtigde die arts is.

3.8. De door de betrokkene verzochte schadevergoeding zal door het hof worden afgewezen. De in art. 13a WAHV neergelegde mogelijkheid om een partij in de kosten te veroordelen die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, heeft niet een ruimere strekking dan in de desbetreffende bepalingen van de WAHV en het - van toepassing zijnde - Besluit proceskosten bestuursrecht is voorzien. Nu schadevergoeding in deze bepalingen niet is vermeld, kan deze niet worden toegewezen. Er is in een procedure als de onderhavige geen plaats voor vergoeding van schade, anders dan de in voornoemde bepalingen bedoelde kosten (vgl. Hoge Raad, 17 oktober 2000, VR 2001/53).

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter;

verklaart het verzet gegrond;

bepaalt dat het door de betrokkene in de procedure bij de kantonrechter betaalde griffierecht ad Euro€ 19,29, welk bedrag overeenkomt met een bedrag van fl. 42,50, door de griffier van de rechtbank, aan hem wordt gerestitueerd, voor zover dit nog niet is geschied;

wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.