Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO9285

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
07-05-2004
Datum publicatie
12-05-2004
Zaaknummer
BK 1709/02 Inkomstenbelasting
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of het huurwaardeforfait als bedoeld in artikel 42a, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (: de Wet) bij het vaststellen van het belastbaar inkomen in aanmerking dient te worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/57.1.5

Uitspraak

BELASTINGKAMER GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN UITSPRAAK

Kenmerk: BK 1709/02 7 mei 2004

Uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, zesde enkelvoudige belastingkamer, op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid particulieren van de belastingdienst te Groningen, vestiging Assen (hierna: de inspecteur), gedaan op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan de belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 90.479,--.

1.2. Op het tijdig ingediende bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak van 9 juli 2002 de aanslag gehandhaafd.

1.3. De belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij een beroepschrift (met bijlage), dat op 20 augustus 2002 bij het gerechtshof is ingekomen.

1.4. De inspecteur heeft op 19 november 2003 een verweerschrift (met bijlagen) bij het gerechtshof ingediend.

1.5. Op 24 februari 2004 is van de belanghebbende een brief bij het gerechtshof ingekomen. Een afschrift hiervan is naar de inspecteur gezonden.

1.6. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het gerechtshof op 5 maart 2004, gehouden te Groningen, alwaar aanwezig waren namens de belanghebbende mevrouw A (belanghebbendes echtgenote) alsmede de inspecteur.

1.7. Het gerechtshof heeft in deze zaak op 19 maart 2004 in het openbaar mondeling uitspraak gedaan, waarvan het proces-verbaal bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 26 maart 2004, aan partijen is verzonden.

1.8. Bij brief ingekomen op 7 april 2004 heeft de belanghebbende op de wijze als bedoeld in artikel 27d van de Algemene wet rijksbelastingen verzocht vorenbedoelde uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

1.9. De griffier heeft de belanghebbende bij aangetekend schrijven, ter post bezorgd op 13 april 2004, gewezen op het verschuldigde griffierecht en de belanghebbende heeft vervolgens op 21 april 2004 dat griffierecht voldaan.

1.10. Van alle genoemde (en hierna nog te noemen) stukken moet de inhoud als hier ingevoegd worden beschouwd.

2. De feiten

Blijkens de gedingstukken en op grond van het verhandelde ter zitting staat als onbetwist, dan wel onvoldoende betwist, tussen partijen vast:

2.1. De belanghebbende, geboren op 1 november 1936, is sinds 1971 eigenaar van de woning gelegen aan de a-laan 26 te Z (: de woning). Deze woning stond hem het gehele onderhavige jaar anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking. De WOZ-waarde van de woning bedroeg voor het jaar 2000 ƒ 248.000,--. Voor de plaats Z geldt een ophogingspercentage van 7%. Op de woning rustte in 2000 geen hypothecaire schuld.

2.2. Aan de belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 90.479,--. Daarbij heeft de inspecteur - naast enkele thans niet relevante correcties - met betrekking tot de woning het huurwaardeforfait in aanmerking genomen, hetgeen de belanghebbende in zijn aangifte achterwege heeft gelaten. Op het bezwaar van de belanghebbende heeft de inspecteur bij de bestreden uitspraak de aanslag gehandhaafd.

3. Het geschil en de standpunten van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of het huurwaardeforfait als bedoeld in artikel 42a, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (: de Wet) bij het vaststellen van het belastbaar inkomen in aanmerking dient te worden genomen.

3.2. De belanghebbende is - naar het gerechtshof hem begrijpt en kort weergegeven - van mening dat hij geen inkomsten verwerft uit de woning, nu hij en zijn echtgenote deze zelf bewonen en de woning bovendien hypotheekvrij is.

3.3. De inspecteur bestrijdt belanghebbendes standpunt.

4. De overwegingen omtrent het geschil

4.1. Ingevolge artikel 21 van de Wet zijn zuivere inkomsten de inkomsten verminderd met de aftrekbare kosten. Artikel 42a van de Wet formuleert ter bepaling van de zuivere inkomsten uit de eigen woning een waarderingsregel. Het eerste lid van dit artikel bepaalt - voor zover hier van belang - dat bij het bepalen van zuivere inkomsten met betrekking tot een eigen woning waarvan zowel de voordelen als de kosten en lasten bestanddelen vormen van het onzuivere inkomen van de belastingplichtige, de huurwaarde, indien de eigen woning de belastingplichtige of de personen die behoren tot zijn huishouden anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat, wordt gesteld op 1,25 percent van de waarde van de woning in het economische verkeer en dat andere voordelen alsmede kosten, lasten en afschrijvingen - andere dan rente van schulden, kosten van geldleningen en periodieke betalingen ingevolge de rechten van erfpacht, opstal of beklemming - niet in aanmerking worden genomen.

4.2. De regeling van het huurwaardeforfait van artikel 42a van de Wet is volgens de wetsgeschiedenis gebaseerd op het uitgangspunt dat een belastingplichtige ter zake van zijn eigen woning een rendement in natura in de vorm van woongenot geniet, zulks op grond van artikel 24 van de Wet. De wetsgeschiedenis vermeldt hierover onder meer het volgende (MvA, Wet van 19 december 1973, Stb. 631, Kamerstuk 12 601, blz. 11):

"Bij de totstandkoming van de huidige regeling in het najaar van 1970 (gerechtshof: bedoeld is artikel 42a van de Wet) is de leidende gedachte geweest dat men de eigenaar-zelfbewoner van twee zijden kan benaderen: enerzijds kan men hem zien als belegger en anderzijds als consument van een duurzaam gebruiksgoed. Het beleggingsaspect treedt op de voorgrond indien men de eigenaar-zelfbewoner vergelijkt met degene die als belegger een gelijkwaardig huis verhuurt. De verhuurder ontvangt als vergoeding voor het geïnvesteerde vermogen een huursom welke, verminderd met de aftrekbare kosten, onderdeel uitmaakt van zijn belastbare inkomen. Bij de eigenaar-zelfbewoner staat tegenover het geïnvesteerde vermogen een beloning in natura in de vorm van woongenot. Deze naturabeloning is gelijk te stellen met de huur welke de verhuurder ontvangt. Vanuit deze gezichtshoek bezien, geniet men in beide gevallen materieel een gelijke opbrengst; in het geval van verhuur door het ontvangen van huurpenningen en in het geval van eigen gebruik in de vorm van woongenot. De nadruk valt op het bestedingsaspect indien men de aanschaf van een eigen woning vergelijkt met het verwerven van duurzame consumptiegoederen, zoals televisietoestellen, vaatwasmachines, personenauto's, caravans, pleziervaartuigen. Het genot van consumptiegoederen, ook ingeval zij een lange gebruiksduur hebben, wordt niet tot het te belasten inkomen van de gebruiker gerekend. De aanschaf van deze goederen wordt geacht besteding van inkomen te zijn. Deze vergelijking leidt ertoe het woongenot ter zake van een eigen woning buiten het inkomensbegrip van de inkomstenbelasting te brengen. Als beginsel heeft de wetgever in 1970 aanvaard dat zowel rekening moet worden gehouden met het beleggingsaspect als met het bestedingsaspect. Het bestedingsaspect verzet zich ertegen het woongenot van een eigen woning te stellen op het volle bedrag aan huur dat men zou kunnen ontvangen bij verhuur van zijn woning aan een derde. Het beleggingselement brengt met zich dat het genot van de eigen woning deel moet blijven uitmaken van de grondslag van de inkomstenbelastingheffing. De afweging van beide aspecten vond uiteindelijk zijn neerslag in een veel lagere vaststelling van de te belasten huurwaardebedragen dan wanneer uitsluitend het beleggingsaspect in aanmerking zou zijn genomen."

4.3. Naar volgt uit de vaststaande feiten stond de woning de belanghebbende het gehele onderhavige jaar anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking, zodat hij - gelet op het onder punt 4.2 overwogene - een beloning in natura in de vorm van woongenot heeft genoten. Voor de toepassing van de Wet wordt de woning dan geacht een bron van inkomen te vormen en dient, gelet op het onder punt 4.1 overwogene, het huurwaardeforfait - waarin zowel de voordelen (het woongenot) als de kosten en lasten (behoudens onder meer de hypotheekrente) van de woning zijn begrepen - in aanmerking te worden genomen als zuivere inkomsten met betrekking tot de eigen woning. Belanghebbendes stelling dat met betrekking tot de woning eerst sprake is van een bron van inkomen, indien hypotheekrente in aftrek kan worden gebracht, berust, gelet op het voorgaande, op een onjuiste opvatting van het door hem aangehaalde artikel 21 van de Wet.

4.4. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat het in aanmerking te nemen huurwaardeforfait dient te worden gesteld op 1,25% maal ƒ 265.000,-- ofwel ƒ 3.312,50. Afgerond is dit

ƒ 3.312,--. De inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag evenwel een bedrag van ƒ 3.313,-- als huurwaardeforfait in aanmerking genomen. Het gerechtshof is hieromtrent van oordeel dat het belastbaar inkomen van de belanghebbende met ƒ 1,-- dient te worden verminderd tot een bedrag van ƒ 90.478,--.

4.5. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond dient te worden verklaard.

5. De proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt het gerechtshof aan-lei-ding op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuurs-recht de inspecteur te veroordelen in de kos-ten die de belang-hebbende in verband met de behande-ling van het beroep redelij-kerwijs heeft moeten maken. Op grond van het Besluit proces-kosten bestuursrecht bepaalt het gerechtshof deze kosten op € 3,-- ter zake van reis- en verblijfkosten. Deze kosten dienen te worden gedragen door de Staat der Nederlanden.

6. De beslissing

Het gerechtshof

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

vermindert de aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 90.478,--;

gelast dat de inspecteur het door de belanghebbende betaalde griffierecht ad € 29,-- aan hem vergoedt;

veroordeelt de inspecteur tot betaling van een tegemoetkoming in de proceskosten ten bedrage van € 3,-- en

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten dient te dragen.

Aldus vastgesteld op 7 mei 2004 te Leeuwarden door mr. Van der Meer, raadsheer, lid van de zesde enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Hiemstra en ondertekend door voornoemde raadsheer en voornoemde griffier.

Op 12 mei 2004 afschrift

aangetekend verzonden aan beide partijen.