Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO8682

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-01-2004
Datum publicatie
29-04-2004
Zaaknummer
WAHV 03-01234
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 14 WAHV; art. 13 WAHV; Gelezen in verbinding met art. 13 WAHV ziet art. 14 WAHV op eindbeslissingen van de kantonrechter, te weten de beslissingen tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, tot ongegrondverklaring van het beroep en die tot geheel of gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep. De bestreden beslissing tot matiging van het alsnog als zekerheid te stellen bedrag is niet een dergelijke eindbeslissing, maar een tussenbeslissing. Het is niet mogelijk om tegen een tussenbeslissing van de kantonrechter zelfstandig hoger beroep in te stellen. Daaraan kan niet afdoen de aan de bestreden beslissing toegevoegde vermelding dat tegen die beslissing beroep kan worden ingesteld.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 03/01234

14 januari 2004

CJIB 79052958950

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Dordrecht

van 27 augustus 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het bedrag van de zekerheidstelling gematigd tot een bedrag van 80,- euro en heeft verder bepaald dat de betrokkene in de gelegenheid zal worden gesteld om de zekerheidstelling van 80,- euro te voldoen. Tevens heeft de kantonrechter iedere verdere beslissing aangehouden.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan 70,-- euro, of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV.

3.2. Gelezen in verbinding met art. 13 WAHV ziet art. 14 WAHV op eindbeslissingen van de kantonrechter, te weten de beslissingen tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, tot ongegrondverklaring van het beroep en die tot geheel of gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep.

3.3. De bestreden beslissing is niet een eindbeslissing als onder 3.2. bedoeld, maar een tussenbeslissing. In de WAHV is niet voorzien in de mogelijkheid om tegen een tussenbeslissing van de kantonrechter zelfstandig, dat wil zeggen, anders dan tegelijk met het beroep tegen diens eindbeslissing, hoger beroep in te stellen, terwijl uit de wetsgeschiedenis niet kan blijken dat de wetgever niettemin een zelfstandig beroep tegen een dergelijke tussenbeslissing heeft willen openstellen. Voorts bieden tekst noch geschiedenis van de op een procedure als de onderhavige van toepassing zijnde bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht aanknopingspunten voor de opvatting dat de wetgever onder vigeur van die bepalingen een zelfstandig beroep tegen een beslissing als de onderhavige heeft willen toelaten. Veeleer strookt het met het door de regering bij het voorstel van wet tot voltooiing van de eerste fase herziening rechterlijke organisatie verwoorde uitgangspunt dat ter wille van de eenheid van het bestuursrechtelijke geding is afgezien van zelfstandig appel tegen beslissingen die de rechter in het loop van het proces heeft genomen (Kamerstukken II, 1991-1992, 22495, nr. 3, blz. 37), om aan te nemen dat ook in een procedure als de onderhavige een dergelijk beroep niet openstaat (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 3 juni 1997, VR 1997/200).

3.4. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de betrokkene in het hoger beroep niet kan worden ontvangen. Daaraan kan niet afdoen de aan de bestreden beslissing toegevoegde vermelding dat tegen die beslissing beroep kan worden ingesteld. Daarbij komt nog, dat in die vermelding uitdrukkelijk is aangegeven dat slechts beroep kan worden ingesteld indien het beroep niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid of indien het beroep geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard en de opgelegde sanctie meer dan 70,- euro bedraagt.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het hoger beroep;

bepaalt dat de stukken van het geding in handen zullen worden gesteld van de griffier van de rechtbank te Dordrecht ter verdere afdoening van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.