Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO8661

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-01-2004
Datum publicatie
29-04-2004
Zaaknummer
WAHV 03-00909
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 26 WAHV; art. 4, tweede lid, WAHV; art. 1, eerste lid, WAHV; verzet; postadres; huisadres; art. 9 Postwet; De omstandigheid dat aan de betrokkene gerichte stukken steeds als onbestelbaar retour kwamen kennelijk als gevolg van het feit, dat het GBA-adres van de betrokkene niet beschikt over een brievenbus die voldoet aan de krachtens art. 9 lid 1 Postwet gestelde regels komt voor rekening van de betrokkkene. Dat de betrokkene het CJIB in het verleden heeft aangeschreven met het verzoek de voor hem bestemde postzendingen te adresseren aan zijn postbus, maakt dat niet anders, nu deze mededeling niet in de onderhavige zaak aan het CJIB is gezonden en de betrokkene er niet van mocht uitgaan, dat hij door het verzenden van die mededeling een adequate voorziening voor de ontvangst van post van de zijde van het CJIB had getroffen. De inleidende beschikking wordt derhalve geacht aan de betrokkene bekend te zijn. Het dwangbevel rechtsgeldig uitgevaardigd.

Wetsverwijzingen
Postwet 9, geldigheid: 2004-01-14
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 26, geldigheid: 2004-01-14
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 4, geldigheid: 2004-01-14
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 1, geldigheid: 2004-01-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2004, 141

Uitspraak

WAHV 03/00909

14 januari 2004

CJIB 42422470

Gerechtshof te Leeuwarden

Beschikking

op het hoger beroep tegen de beschikking

van de kantonrechter van de rechtbank te Leeuwarden

van 26 juni 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt mr. M.G. Doornbos, advocaat te Assen.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft - nadat het hof de zaak had teruggewezen - het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de officier van justitie in het arrondissement Leeuwarden op 17 april 2002 uitgevaardigd dwangbevel ongegrond verklaard. De beschikking van de kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beschikking van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Een dwangbevel als bedoeld in art. 26 WAHV kan eerst rechtsgeldig worden uitgevaardigd nadat de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd tot verhaal waarvan het dwangbevel moet dienen, onherroepelijk is geworden. In een geval als het onderhavige, waarin de betrokkene het verweer voert de beschikking waarbij de administratieve sanctie is opgelegd (en de eerste en tweede aanmaning) niet te hebben ontvangen, is voor de beantwoording van de vraag of de beschikking onherroepelijk is, beslissend of op grond van een in het kader van de procedure van art. 26 WAHV verricht onderzoek, zo nodig aan de hand van door de officier van justitie te verstrekken gegevens, door de kantonrechter wordt vastgesteld dat het verweer van de betrokkene als onjuist moet worden verworpen, omdat blijkt dat deze de beschikking wel heeft ontvangen, dan wel deze niet heeft ontvangen ten gevolge van een hem toe te rekenen omstandigheid. In beginsel is het aan de officier van justitie om aannemelijk te maken dat aan één van de voorwaarden is voldaan, maar van een betrokkene mag worden verwacht dat hij niet volstaat met de enkele ontkenning dat hij de beschikking heeft ontvangen, doch voor zover in zijn vermogen ligt, nadere gegevens verschaft ter staving van dat verweer.

3.2. De betrokkene voert op grond van het volgende aan, dat hij de inleidende beschikking en de eerste en tweede aanmaning niet heeft ontvangen. In het verleden is tussen de betrokkene en de PTT een conflict ontstaan. De betrokkene heeft hierop een postbus geopend en aan de PTT meegedeeld dat aan hem geadresseerde post in zijn postbus kon worden bezorgd. De betrokkene heeft voorts door middel van een "mededeling postadres" d.d. 22 april 1998 het CJIB meegedeeld dat hij met ingang van 1 juni 1997 een postadres heeft en verzocht dit adres te vermelden op alle voor hem bestemde postzendingen. Alle post geadresseerd aan het huisadres van de betrokkene wordt door TPG-Post voorzien van een sticker met de tekst: "onbestelbaar ingevolge Postwet artikel 9 lid 2. geadresseerde beschikt niet over een voorgeschreven brievenbus". Het CJIB heeft ten onrechte alle stukken voorzien van het huisadres van de betrokkene en geen gebruik gemaakt van het postadres van de betrokkene, te meer omdat - zoals gebleken is - alle verzonden stukken als onbestelbaar retour zijn gekomen. Tenslotte heeft de kantonrechter naar de betrokkene stelt ten onrechte overwogen dat de betrokkene bij de staandehouding zijn postadres had kunnen opgeven.

3.3. Ingevolge art. 4, tweede lid, WAHV, voor zover hier van belang, geschiedt de bekendmaking van de beschikking binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden, door toezending van het adres dat betrokkene heeft opgegeven. Indien de brief onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de beschikking gezonden naar het in de basisadministratie persoonsgegevens vermelde adres, tenzij dit hetzelfde is als hetgeen is opgenomen in het kentekenregister. Indien de brief ook op het in de basisadministratie persoonsgegevens opgenomen adres onbestelbaar blijkt te zijn, wordt de beschikking geacht aan de betrokkene bekend te zijn. Art. 1, eerste lid, WAHV, voor zover hier van belang, bepaalt dat onder adres wordt verstaan de aanduiding van straatnaam, huisnummer, plaatsnaam en postcode van het woonhuis van de betrokkene.

3.4. Uit de stukken van het geding blijkt het volgende. Op 15 mei 2001 is de betrokkene staande gehouden. De inleidende beschikking op 13 juni 2001 gezonden naar het adres dat aan de politie was opgegeven. Nadat het schrijven retour kwam is een GBA-verificatie uitgevoerd. Het aanvankelijk door het CJIB gebruikte adres kwam overeen met het adres waarop de betrokkene in de GBA stond ingeschreven, zijnde [adres], [postcode] [woonplaats]. Op 19 juli 2001 is de beschikking nogmaals naar dit adres gezonden. Het schrijven kwam opnieuw als onbestelbaar retour. De eerste en tweede aanmaning zijn - na verificatie van het adres - vervolgens steeds naar het GBA-adres gezonden en als onbestelbaar retour gekomen.

3.5. Gelet de omschrijving van het begrip adres, zoals hiervoor onder 3.3. vermeld, heeft de betrokkene bij de staandehouding terecht zijn feitelijk woon-, tevens GBA-adres opgegeven en kan hem niet worden tegengeworpen dat hij zijn postadres niet heeft opgegeven of willen opgeven.

3.6. Het hof dient de vraag te beantwoorden, in hoeverre zich de situatie voordoet dat de betrokkene de voor hem bestemde post niet heeft ontvangen ten gevolge van een hem toe te rekenen omstandigheid. Het CJIB heeft de voor de betrokkene bestemde stukken, waaronder de inleidende beschikking, steeds verzonden naar het adres [adres], [postcode] [woonplaats], zijnde het door de betrokkene opgegeven adres en het GBA-adres van de betrokkene

3.7. Artikel 9 van de Postwet luidt:

"1. Onze Minister stelt ter bevordering van de aflevering aan geadresseerden van voor hen bestemde postzendingen regels omtrent plaats, afmetingen en andere hoedanigheden van de voor die aflevering bestemde brievenbussen.

2. Postzendingen die naar hun aard en omvang in aanmerking komen voor aflevering in een brievenbus als in het eerste lid bedoeld, kunnen als onbestelbaar worden aangemerkt indien het opgegeven adres niet beschikt over een brievenbus die aan de krachtens het eerste lid gestelde regels voldoet." .

De in het eerste lid bedoelde regels zijn vervat in het Besluit brievenbussen, d.d. 12 december 1988 (Stcrt. 1988, 252).

3.8. Dat de aan de betrokkene gerichte stukken steeds als onbestelbaar retour kwamen is kennelijk een gevolg van het feit, dat het GBA-adres van de betrokkene niet beschikt over een brievenbus die voldoet aan de krachtens art. 9 lid 1 Postwet gestelde regels. Deze omstandigheid komt geheel voor risico van de betrokkene.

3.9. De omstandigheid, dat de betrokkene het CJIB in het verleden heeft aangeschreven met het verzoek vanaf 1 juni 1997 de voor hem bestemde postzendingen te adresseren aan zijn postbus, maakt dat niet anders, nu deze mededeling niet in de onderhavige zaak aan het CJIB is gezonden en de betrokkene er niet van mocht uitgaan, dat hij door het verzenden van die mededeling een adequate voorziening voor de ontvangst van post van de zijde van het CJIB had getroffen.

3.10. Uit het voorgaande volgt dat het de betrokkene is toe te rekenen dat hij zijn post, waaronder de inleidende beschikking, niet heeft ontvangen. De inleidende beschikking wordt geacht aan de betrokkene bekend te zijn. Aangezien de betrokkene geen beroep heeft ingesteld tegen de inleidende beschikking, is deze onherroepelijk geworden. In aanmerking genomen, dat de betrokkene de hem opgelegde sanctie, alsmede de daarop gevallen verhogingen, niet heeft betaald en dat overigens niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan een dwangbevel niet had mogen worden uitgevaardigd, is het dwangbevel rechtsgeldig uitgevaardigd.

3.11. Het hof bevestigt de beschikking van de kantonrechter.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beschikking van de kantonrechter.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting, zijnde mr. Weenink buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.