Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO8648

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-01-2004
Datum publicatie
29-04-2004
Zaaknummer
WAHV 03-01120
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 11 WAHV; zekerheidstelling; betrokkene heeft in reactie op zekerheidsbrieven beroep gedaan op verrekening;

nu de betrokkene kennelijk is uitgegaan van een onjuiste opvatting ten aanzien van de verplichting tot zekerheidstelling had de kantonrechter de betrokkene niet wegens het niet tijdig stellen van zekerheid niet-ontvankelijk mogen verklaren alvorens hem, hem erop wijzende dat verrekening niet mogelijk is, opnieuw in de gelegenheid te hebben gesteld aan zijn verplichting tot zekerheidstelling te voldoen; vernietiging en terugwijzen.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11, geldigheid: 2004-01-08
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d, geldigheid: 2004-01-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 03/01120

8 januari 2004

CJIB 89057291299

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam

van 9 oktober 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. De kantonrechter heeft, uitgaande van zijn vaststelling dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard.

3.2. In hoger beroep is door de betrokkene bestreden, dat hij geen zekerheid heeft gesteld. Hij stelt, dat hij daaraan heeft voldaan door zich te beroepen op compensatie met een nog niet ontvangen bedrag aan schadevergoeding dat hem als benadeelde partij is toegekend. Een en ander heeft hij in reactie op de mededelingen omtrent de zekerheidstelling van 31 mei 2003 en 13 juni 2003 aan de officier van justitie laten weten bij brieven van 8 juni 2003 en 3 juli 2003.

3.3. Ingevolge art. 11, derde lid, WAHV dient aan de verplichting tot zekerheidstelling voor de betaling van de opgelegde sanctie te worden voldaan hetzij door middel van de aan de betrokkene toegezonden acceptgirokaart, hetzij door storting op de rekening van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). De in deze wetsbepaling bedoelde acceptgirokaart wordt door het CJIB aan de betrokkene toegezonden tegelijk met de inleidende beschikking waarbij de sanctie is opgelegd en tevens bij de beslissing van de officier van justitie op het tegen die beschikking ingestelde beroep, en heeft betrekking op het gehele (eventueel na vermindering door de officier van justitie nog resterende) bedrag van de sanctie.

Deze wetsbepaling moet dan ook aldus worden verstaan dat aan de verplichting tot zekerheidstelling slechts kan worden voldaan door betaling van het volledige (in het voorkomende geval door de officier van justitie verminderde) bedrag van

de sanctie, zonder dat daarbij een beroep mag worden gedaan op verrekening met enig bedrag dat het CJIB in een andere zaak aan de betrokkene verschuldigd is (vgl. HR 8 mei 2001, VR 2001, 129).

3.4. Nu de betrokkene kennelijk is uitgegaan van een onjuiste opvatting ten aanzien van de verplichting tot zekerheidstelling had de kantonrechter de betrokkene niet wegens het niet tijdig stellen van zekerheid niet-ontvankelijk mogen verklaren alvorens hem, hem wijzende op hetgeen hierboven onder 3.3. is overwogen, opnieuw in de gelegenheid te hebben gesteld aan zijn verplichting tot zekerheidstelling te voldoen.

3.5. Na terugwijzing van de zaak dient de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam een nieuwe termijn te bepalen waarbinnen de betrokkene alsnog zekerheid als bedoeld in art. 11 WAHV kan stellen en daarvan moet aan de betrokkene door de griffier van de rechtbank mededeling worden gedaan met inachtneming van het onder 3.3. overwogene.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank te Amsterdam ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Bijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.