Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO8646

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
11-03-2004
Datum publicatie
29-04-2004
Zaaknummer
WAHV 03-01193
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De betrokken voert aan, dat hij financieel niet in staat is om zekerheid te stellen. De betrokkene is uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter teneinde in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht. De betrokkene is niet ter zitting verschenen. Uitzondering op het uitgangspunt dat de betrokkene een nadere termijn moet worden gegund waarbinnen deze alsnog zekerheid kan stellen.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2004, 93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 03/01193

11 maart 2004

CJIB 37004457

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage

van 25 augustus 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft - nadat het hof de zaak had teruggewezen - het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep. Bij de nadere toelichting op het beroep is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 26 februari 2004. De betrokkene is niet verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. N.D.P. van der Hoek.

Na de zitting heeft de voorzitter de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

3. Beoordeling

3.1. In hoger beroep is niet bestreden, dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en evenmin dat de betrokkene dit verzuim niet binnen een nader gestelde termijn heeft hersteld.

3.2. In de procedure voorafgaande aan de beslissing van de kantonrechter van 19 november 2001 heeft de betrokkene aangevoerd, dat hij financieel niet in staat is om zekerheid te stellen.

3.3. In het arrest van het hof van 17 april 2002, waarbij de zaak (toen nog onder een ander nummer) is teruggewezen naar de kantonrechter, heeft het hof onder meer overwogen, dat de betrokkene alsnog in de gelegenheid dient te worden gesteld ter zitting te worden gehoord teneinde hem de gelegenheid te bieden zich uit te laten omtrent zijn financiële draagkracht.

3.4. Bij brief van 7 mei 2002 is de betrokkene uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter van 2 december 2002. Op verzoek van de betrokkene is de zaak aangehouden. Vervolgens is de betrokkene bij brief van 13 maart 2003 uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter van 25 augustus 2003. De betrokkene is aldaar niet verschenen.

3.5. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt, dat de kantonrechter, nadat hij ter zitting had bepaald het beroep van de betrokkene op onvoldoende financiële draagkracht niet te honoreren, de betrokkene na de zitting een nadere termijn had dienen te gunnen om zekerheid te stellen voor het volledige bedrag van de sanctie.

3.6. Vooropgesteld moet worden dat een zekerheidstelling ingevolge de WAHV in het algemeen niet in de weg zal staan aan de toegang tot de rechter en dat het bij de huidige stand van zaken ervoor moet worden gehouden, dat van een onoverkomelijke belemmering zich toegang tot de rechter te verschaffen in ieder geval geen sprake is in geval van de betrokkene een zekerheidstelling van fl 150,- (= vanaf 1 januari 2002 Euro€ 70,-) of minder is verlangd.

3.7. Op het voorgaande dient een uitzondering te worden gemaakt, indien de hoogte van het gevraagde bedrag aan zekerheid gelet op de financiële omstandigheden van de betrokkene een zodanige belemmering oplevert, dat toepassing van het stelsel van zekerheidstelling in het onderhavige geval zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie.

3.8. In het onderhavige geval diende de betrokkene in een tweetal zaken tegelijkertijd zekerheid te stellen tot een bedrag van in totaal fl 210,- (= Euro€ 95,29).

3.9. Uitgangspunt is dat, indien een betrokkene, zoals in casu, met redenen omkleed aanvoert dat hij niet (terstond) in staat is zekerheid te stellen tot het totale van hem verlangde bedrag, de kantonrechter, tenzij deze het daaromtrent aangevoerde reeds aanstonds aannemelijk acht, de betrokkene in de gelegenheid zal moeten stellen op een openbare zitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht. Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht gegrond, dan zal hij het bepaalde in art. 11, derde lid, WAHV in zoverre buiten toepassing moeten laten als in overeenstemming is met de draagkracht van de betrokkene. Zonodig zal aan de betrokkene een nadere termijn moeten worden gegund waarbinnen deze alsnog de door de kantonrechter vastgestelde zekerheid kan stellen.

3.10. In aanmerking genomen dat de betrokkene in de gelegenheid is gesteld om ter zitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht, maar dat de betrokkene van deze gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, is het hof van oordeel, dat op het in r.o. 3.9. overwogene genoemde uitgangspunt dat aan de betrokkene een nadere termijn moet worden gegund waarbinnen deze alsnog zekerheid kan stellen een uitzondering moet worden gemaakt. Immers, nu de betrokkene geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid zijn beroep op financiëel onvermogen te onderbouwen, moet worden aangenomen dat hij ofwel dit verweer tegen de zekerheidstelling heeft prijsgegeven ofwel ten onrechte een beroep op financiëel onvermogen heeft gedaan. In geen van beide gevallen is er reden om de betrokkene alsnog in de gelegenheid te stellen aan zijn verplichting om zekerheid te stellen te voldoen, in het eerste geval omdat van hem mocht worden verwacht dat hij de kantonrechter daarvan op de hoogte zou hebben gesteld onder gelijktijdige voldoening van het verschuldigde bedrag, in het laatste geval omdat hij naar aanleiding van de hem toegezonden zekerheidsbrieven de zekerheidstelling had moeten voldoen.

3.11. De betrokkene heeft verder aangevoerd, dat de brieven van de officier van justitie van 30 januari 2001 en 20 maart 2001 omtrent zekerheidstelling niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen, omdat in beide brieven als aanvang van de termijn waarbinnen zekerheid dient te worden gesteld telkens de dagtekening van de brief in plaats van de datum van verzending is vermeld.

3.12. Blijkens de brief van de officier van justitie van 20 maart 2001 is de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen dertig dagen na dagtekening van deze brief zekerheid te stellen.

3.13. Nu aan de betrokkene een langere termijn, waarbinnen zekerheid moet worden gesteld, is gegeven dan de wettelijke termijn van twee weken na de dag van verzending van de mededeling van de officier van justitie omtrent zekerheidstelling en niet aannemelijk is dat tussen de dag van dagtekening en de dag van verzending meer dan enkele dagen verstrijken, is de betrokkene door de onder 3.11 beschreven gang van zaken niet in een rechtens te respecteren belang geschaad. Dit geldt te meer nu de betrokkene in het geheel geen zekerheid heeft gesteld en niet klaagt dat de hem gegunde termijn te kort was (vgl. arrest Hof Leeuwarden van 14 november 2001, registratienummer WAHV 00/00456, VR 2002/72). De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard. Gelet hierop zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Van Dijk en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.