Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO8614

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-01-2004
Datum publicatie
29-04-2004
Zaaknummer
WAHV 03/00959
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 6:20, vierde lid, Awb; art. 9, eerste lid, WAHV; art. 13a WAHV; art. 20d, tweede lid, WAHV; het beroep tegen het niet tijdig beslissen wordt mede geacht te zijn gericht tegen de beslissing van de officier van justitie; kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat het beroep niet tijdig is ingesteld; vernietigen en terugwijzen; het had op de weg van de gemachtigde gelegen om in zijn schriftelijke reactie van 11 maart 2003 op het verzoek om de reden van termijnoverschrijding aan te geven, de kantonrechter op een arrest van het hof te wijzen waarin een zelfde beslissing werd genomen. Omdat de inhoud van de brief van 11 maart 2003 een misleidend karakter heeft, zal het hof het verzoek om vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten - als nodeloos gemaakt c.q. op oneigenlijke wijze gegenereerd - afwijzen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:20, geldigheid: 2004-01-08
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9, geldigheid: 2004-01-08
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 13a, geldigheid: 2004-01-08
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20d, geldigheid: 2004-01-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 03/00959

8 januari 2004

CJIB 89050609268

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam

van 26 augustus 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt mr.drs. M.J.G. Schroeder, wonende te Rotterdam.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

Bij brief van 12 september 2003 heeft de gemachtigde van de betrokkene gereageerd op de bestreden beslissing. Deze brief is door de griffie van de rechtbank Amsterdam aangemerkt als hoger-beroepschrift, gericht tegen voormelde beslissing van de kantonrechter. De griffier heeft de brief, alsmede de op de zaak betrekking hebbende stukken, doorgezonden aan de griffier van het hof.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Gelet op de inhoud van de bestreden beslissing, op de beslissing zelf, alsmede gelet op het arrest van het hof van 23 december 2003 in de zaak met registratienummer WAHV 03/00618, - waarin de gemachtigde van de betrokkene eveneens als gemachtigde optrad -, is het hof van oordeel dat de beslissing van de kantonrechter van 26 augustus 2003 niet als een tussen- maar als een eindbeslissing dient te worden aangemerkt. Nu de gemachtigde van de betrokkene het hof heeft verzocht zijn brief van 12 september 2003 aan te merken als hoger-beroepschrift, zal het hof deze brief beschouwen als hoger-beroepschrift tegen de beslissing van de kantonrechter van 26 augustus 2003.

3.2. Bij brief d.d. 11 oktober 2002 heeft de gemachtigde namens de betrokkene een aan de kantonrechter gericht beroepschrift ingediend bij de officier van justitie - kort gezegd - inhoudende dat de officier van justitie ten onrechte niet tijdig op het beroep tegen de inleidende beschikking heeft beslist. De officier van justitie heeft alsnog op het beroep beslist, voordat de kantonrechter heeft beslist op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit, en is daarbij niet aan het bezwaar van de betrokkene tegemoetgekomen. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:20, vierde lid, Awb wordt het beroep tegen het niet tijdig beslissen mede geacht te zijn gericht tegen de beslissing, verzonden op 26 december 2002. Er kan derhalve geen sprake zijn van het niet tijdig in beroep komen van laatstgenoemde beslissing. Voor zover door de betrokkene tegen die beslissing een beroepschrift is ingediend, moet dit gezien worden als aanvulling van de gronden van het beroep tegen het niet tijdig beslissen. De brief van 13 februari 2003 heeft derhalve als beroepschrift geen zelfstandige betekenis. Derhalve heeft de kantonrechter de betrokkene ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in haar beroep gericht tegen de beslissing van de officier van justitie van 26 december 2002. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en de zaak terugwijzen naar de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam.

3.3. Voor een vergoeding van proceskosten in het hoger beroep bestaat geen aanleiding. Immers, bij brief van 27 februari 2003 is de gemachtigde van de betrokkene door de officier van justitie verzocht aan te geven, waarom de beroepstermijn van zes weken voor het instellen van beroep bij de kantonrechter was overschreden. Bij brief, d.d. 11 maart 2003, gericht aan de rechtbank, maar geadresseerd aan de officier van justitie, maakt de gemachtigde slechts bezwaar tegen het feit dat het de officier van justitie is die deze inlichtingen vraagt en verstrekt niet de informatie waarom in de brief wordt verzocht. Nu de gemachtigde van de betrokkene ten tijde van de brief van de officier van justitie van 27 februari 2003 de inhoud van het arrest van het hof van 19 juni 2002, gepubliceerd in VR 2003/178, waarin eenzelfde belissing werd genomen als hierboven onder 3.2. opgenomen en waarin de gemachtigde van de betrokkene eveneens als gemachtigde optrad, kende, had het naar het oordeel van het hof op de weg van de gemachtigde van de betrokkene gelegen om in zijn brief van 11 maart 2003 de kantonrechter daarop te wijzen. Zou de gemachtigde van de betrokkene de kantonrechter op de inhoud van voormeld arrest hebben gewezen, dan moet het ervoor worden gehouden dat de kantonrechter het beroep niet niet-ontvankelijk zou hebben verklaard. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen, dat de inhoud van de brief van 11 maart 2003 naar het stellige oordeel van het hof een misleidend karakter heeft, zal het hof het verzoek om vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten - als nodeloos gemaakt c.q. op oneigenlijke wijze gegenereerd - afwijzen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank te Amsterdam ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest;

wijst het verzoek tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene in hoger beroep af.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.