Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO8597

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
08-01-2004
Datum publicatie
29-04-2004
Zaaknummer
WAHV 03/00781
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 12a WAHV; art. 512 Sv.; art. 20 RVV 1990; art. 9, tweede lid, WAHV; Brief van de betrokkene van 5 januari 2004 is geen verzoek tot wraking hof; daargelaten of betrokkene de kantonrechter in de brief wraakt laat het hof de brief nu deze eerst tijdens procedure in hoger beroep is binnengekomen buiten beschouwing; maximumsnelheid; OvJ heeft kunnen beslissen dat het beroep kennelijk ongegrond was, zodat hij kon afzien van het horen van de betrokkene; Medische toestand van de betrokkene niet omstandigheid die het opleggen van de sanctie niet billijkt dan wel tot een lager bedrag van de sanctie moeten leiden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:17, geldigheid: 2004-01-08
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 12a, geldigheid: 2004-01-08
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9, geldigheid: 2004-01-08
Wetboek van Strafvordering 512, geldigheid: 2004-01-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WAHV 03/00781

8 januari 2004

CJIB 09047654627

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Haarlem

van 19 maart 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Haarlem ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

Voorts is ingekomen een schrijven van de betrokkene d.d. 5 januari 2004.

3. Beoordeling

3.1. In zijn brief van 5 januari 2004 schrijft de betrokkene:

"Ik wraak de rechter in deze zaak, daar ik geen eerlijk proces krijg.

De griffier heeft van de zitting te Haarlem een verslag geschreven dat volstrekt onjuist weergeeft wat tijdens de zitting is voorgevallen, beter gezegd het staat vol leugens. Daarmee zijn mijn kansen in hoger beroep geschaad. Het verslag moet derhalve éérst herschreven worden. Met name zal moeten blijken of het openbaar ministerie het gore lef heeft de argumenten te herhalen die de ovj tijdens de zitting te Haarlem naar voren heeft gebracht, die de rechter maar al te graag heeft overgenomen en die de griffier maar liever niet in het verslag heeft vermeld.

Ik eis een andere rechter, een nieuw proces, en een correct griffierverslag"

3.2. De inhoud van de brief kan niet gelden als een verzoek tot wraking van de leden van het hof, nu de brief ten opzichte van hen geen feiten of omstandigheden bevat als bedoeld in het ingevolge art. 12 a WAHV toepasselijke art. 512 Sv. Daargelaten de vraag, in hoeverre de betrokkene in de brief gemotiveerd tot uitdrukking heeft gebracht dat de kantonrechter niet de vereiste onpartijdigheid bezat, brengt de omstandigheid, dat de brief eerst tijdens de procedure in hoger beroep, en derhalve ná het geven en uitspreken van de beslissing van de kantonrechter, is binnengekomen mee dat het hof de brief ook in zoverre buiten beschouwing zal laten. Voor zover de brief zich uitlaat over de inhoud van het vonnis waarvan beroep blijft hij buiten beschouwing, omdat hij is binnengekomen na afloop van de daarvoor geldende termijn.

3.3. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van f 250,-- (€ 113,45 Euro) opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (gedragsregel) meer dan 25 km/h en t/m 30 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 9 oktober 2001 op de Wenckebachstraat te Velsen-Noord.

3.4. De betrokkene is van mening dat de officier van justitie ten onrechte niet een serieus onderzoek heeft ingesteld naar de door de betrokkene gestelde omstandigheid dat hij snel moest rijden omdat hij wegens acute gezondheidsproblemen de bedrijfsarts diende te bezoeken. De officier van justitie had hiertoe de betrokkene moeten horen. Voorts heeft de kantonrechter verzuimd inlichtingen in te winnen omtrent de medische situatie van de betrokkene en is de inhoud van het proces-verbaal van de behandeling van de zaak door de kantonrechter onjuist. De betrokkene voert verder tegen de beslissing van de kantonrechter aan dat de acute gezondheidsproblemen van de betrokkene meebrengen dat overschrijding van de maximumsnelheid gerechtvaardigd was, alsmede dat de gemeten snelheid onjuist is wegens niet behoorlijk functioneren van de apparatuur.

3.5. Het hof heeft - in navolging van de Hoge Raad - reeds eerder vastgesteld dat het opleggen van een administratieve sanctie ter zake van een gedraging omschreven in de bij de WAHV behorende bijlage, een criminal charge is als bedoeld in art. 6 EVRM. Dat brengt mee dat de betrokkene aan wie een dergelijke sanctie is opgelegd, op de voet van het tweede lid van dat artikel voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB, in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling van de schuld van de betrokkene. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring in het zaakoverzicht dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken. Als een en ander zich niet voordoet, bestaat geen noodzaak tot nader onderzoek.

3.6. Voorts vloeit uit het bepaalde in art. 6, eerste lid, jo. art. 9, tweede lid WAHV voort dat de betrokkene, die van mening is dat (de officier van justitie diende te beslissen dat) de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht, niet het opleggen van een administratieve sanctie billijken, dan wel dat gelet op de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, (door de officier van justitie) een lager bedrag van de administratieve sanctie had moeten worden vastgesteld, in voldoende mate en zo mogelijk van schriftelijke bescheiden voorzien, de omstandigheden stelt die kunnen leiden tot de gewenste beslissing.

3.7. Ingevolge art. 7:16 Awb in verbinding met art. 7, tweede lid, WAHV moet de officier van justitie indien de betrokkene administratief beroep heeft ingesteld tegen de inleidende beschikking, de indiener van het beroep in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Van het horen kan op grond van het bepaalde in art. 7:17 Awb worden afgezien indien het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is of het beroep kennelijk ongegrond is.

3.8. Het beroepschrift van de betrokkene tegen oplegging van de administratieve sanctie houdt met betrekking tot de gestelde gezondheidsproblemen van de betrokkene niet meer in dan: "Op het bewuste tijdstip was ik wegens acute gezondheidsproblemen op weg naar de bedrijfsarts, dr. [arts].". Nadere stukken ontbreken. In aanmerking nemende de inhoud van het zaakoverzicht, met inbegrip van de toelichting van de verbalisant, kon de officier van justitie beslissen dat het beroep kennelijk ongegrond was, zodat op goede gronden van het horen van de betrokkene is afgezien.

3.9. Als uitgangspunt geldt, dat moet worden uitgegaan van de juistheid van het door de kantonrechter en griffier ondertekende proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter. Er zijn geen aanwijzingen, zoals door de betrokkene opgestelde en ter zitting overgelegde pleitaantekeningen, die op het tegendeel wijzen. De op de onjuistheid van het proces-verbaal gerichte klacht van de betrokkene mist derhalve feitelijke grondslag en faalt.

3.10. De op ambtsbelofte opgemaakte verklaring van de verbalisant, zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB, houdt onder meer het volgende in:

"Pleegdatum: 091001 Pleegtijdstip: 1548

Pleeglokatie: Wenckebachstraat

Pleegplaats: Velsen-Noord

Gecon. snelheid: 79 Toegestane snelheid: 50

Kentekenvoertuig: PJFL89

De geconstateerde snelheid is het resultaat van een uitgevoerde correctie op de gemeten radarsnelheid, overeenkomstig de richtlijn van de Vecom

De gereden snelheid stelde ik vast met behulp van een geijkte en voor de meting geteste en op de voorgeschreven wijze gebruikt verkeersmeetmiddel

Gemeten radarsnelheid: 082

Geconstateerde/gecorrigeerde snelheid: 079

De gedraging vond plaats binnen de bebouwde kom

Soort radar: Gatso

Naam van ambtenaar 1: Klooster

Rangomschr. ambtenaar 1: verkeerscontr. buit. ops.ambt".

3.11. De betrokkene stelt tegenover de toelichting van de verbalisant de bewering dat de meetapparatuur zich bevond op zachte ondergrond, waar dagelijks vele zware vrachtauto's voorbijrijden, waardoor de apparatuur zeer waarschijnlijk niet goed heeft gewerkt. Gelet op het algemene karakter van de bewering van de betrokkene en de omstandigheid dat van de bewering geen enkele grondslag in het dossier blijkt, is het hof bij die stand van zaken niet gehouden op die bewering gestoelde bezwaren nader te onderzoeken.

3.12. Voor zover het verzoek van de betrokkene tot afgifte van processtukken zich uitstrekt tot stukken die geen deel uitmaken van het procesdossier, zoals stukken betreffende de betrouwbaarheid van het gebruikte meetmiddel overweegt het hof, dat geen wettelijke bepaling voorschrijft dat rapporten betreffende de betrouwbaarheid en deugdelijkheid van meetapparatuur deel uitmaken van de stukken van het geding. Op overlegging daarvan kan de betrokkene in het kader van de onderhavige procedure dan ook geen aanspraak maken, noch op grond van artikel 11, vierde lid WAHV, noch op grond van enige andere wettelijke bepaling.

3.13. Ten aanzien van de gestelde medische toestand van de betrokkene geldt het volgende. Blijkens de nadere toelichting op het beroep zou de betrokkene plotseling onwel zijn geworden (duizeligheid, misselijkheid) en vervolgens onmiddellijk over een afstand van ruim 100 meter naar een bedrijfsarts zijn gereden voor een consult. Niet valt in te zien dat de betrokkene bij de gestelde verschijnselen en bij de gestelde - zeer beperkte - af te leggen afstand naar een arts genoodzaakt was om met een snelheid van 79 km/h te rijden waar 50 km/h was toegestaan, nog daargelaten het op zichzelf extra gevaarzettende karakter van het te snel rijden in de beweerde toestand van duizeligheid en misselijkheid. Aldus blijkt niet van omstandigheden die het opleggen van de sanctie niet billijken dan wel tot een lager bedrag van de sanctie moeten leiden.

3.14. De beslissing waarvan beroep zal worden bevestigd.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting, zijnde mr. Weenink voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.