Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO8549

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-02-2004
Datum publicatie
28-04-2004
Zaaknummer
WAHV 03/01286
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De betrokkene noch haar gemachtigde is gehoord. Geen kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond beroep. Schending art. 7:16 Awb. Verzocht is om toezending van stukken. de officier van justitie heeft ten onrechte geen gevolg gegeven aan dit verzoek. Schending art. 7:18 Awb. Ook in de procedure bij de kantonrechter is verzocht om toezending van stukken. De (griffier van) de rechtbank evenmin aan dit verzoek voldaan. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de betrokkene door de schending van de vormvoorschriften niet is benadeeld. Derhalve kan in casu schending van de artt. 7:16 en 7:18 Awb niet worden geheeld op grond van art. 6:22 Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Algemene wet bestuursrecht 7:16
Algemene wet bestuursrecht 7:18
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2004, 143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 03/01286

18 februari 2004

CJIB 29051354706

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam

van 30 september 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde]

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Op 21 januari 2004 is een brief van de gemachtigde van de betrokkene ingekomen.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van ÔéČEuro 86,-- opgelegd ter zake van "als bestuurder van een motorvoertuig/als bromfietser die de rijbaan volgt op kruispunt andere richting volgen dan richting voorsorteervak", welke gedraging zou zijn verricht op 27 maart 2002 op het Stadionplein te Amsterdam.

3.2. De gemachtigde van de betrokkene, die als bestuurder is opgetreden ten tijde van de gedraging, voert aan, dat hem op zijn herhaald verzoek geen kopie van de betrokken waarneming is gezonden, waardoor hij zich niet naar behoren heeft kunnen verdedigen. Voorts maakt hij bezwaar tegen het feit, dat blijkens het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter de verbalisant pas na anderhalf jaar "naar boven weet te halen wat hij die avond in het halfdonker constateerde."

3.3. Het laatste door de gemachtigde aangevoerde argument berust op een misvatting. Hetgeen in het proces-verbaal wordt gerelateerd is een citaat uit het zaakoverzicht, dat wordt opgemaakt aan de hand van de door de verbalisant ter zake van de gedraging opgemaakte notities ten tijde van of kort na de gedraging.

3.4. De gemachtigde van de betrokkene heeft administratief beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking. In het beroepschrift is verzocht een kopie van de betrokken waarneming op te sturen.

3.5. Ingevolge art. 7:16 Awb in verbinding met art. 7, tweede lid, WAHV moet de officier van justitie indien de betrokkene administratief beroep heeft ingesteld tegen de inleidende beschikking, de indiener van het beroep in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Van het horen kan op grond van het bepaalde in art. 7:17 Awb worden afgezien, buiten de in dat artikel onder a en b genoemde gevallen van kennelijke niet-ontvankelijkheid en kennelijke ongegrondheid, wanneer de indiener van het beroep heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht om te worden gehoord. Indien niet van het horen wordt afgezien dient de officier van justitie ingevolge art. 7:18 Awb het beroepschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende tenminste een week ter inzage te leggen. Bij de oproeping voor het horen moet onder meer worden vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen. De indiener van het beroep kan van die stukken tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften verkrijgen.

3.6. Dat neemt niet weg, dat het openbaar ministerie ook buiten het bepaalde in art. 7:18 Awb aan de betrokkene op diens verzoek stukken waarin het bewijs van de gedraging ligt besloten, - met name het zaakoverzicht en indien aanwezig de foto's van de gedraging -, (tegen betaling van ten hoogste de kosten) kan doen toekomen, waardoor mogelijk het horen van de betrokkene achterwege kan blijven. In ieder geval dient door de officier van justitie op een verzoek om toezending van bewijs te worden gereageerd (vgl. WAHV 02/01144, LJN: AF7658).

3.7. In zijn beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie schrijft de gemachtigde van de betrokkene: "Ik vroeg u al eerder om een kopie van de waarneming zoals op de bewuste dag gedaan, opdat ik in de gelegenheid ben dit aan mijn eigen beleving te staven. Aan dit verzoek werd door u niet voldaan, tot op heden heb ik de bewijslast niet van u ontvangen."

3.8. Bij brief van 5 augustus 2003 is de betrokkene opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter op 30 september 2003. Bij deze oproeping is de betrokkene medegedeeld: "Van 5 t/m 11 september 2003 liggen de op uw zaak betrekking hebbende stukken, inclusief een eventuele schriftelijke reactie van de Officier van Justitie op uw beroepschrift, ter inzage op de griffie van de kantonsector."

3.9. Art. 11, vierde lid, WAHV luidt als volgt: "Alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken worden, indien zekerheidstelling heeft plaatsgevonden, nedergelegd ter griffie van de rechtbank. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan degene die het beroep heeft ingesteld. De betrokkene of zijn gemachtigde kan binnen een door de kantonrechter bepaalde en aan hem door de griffier medegedeelde termijn, deze stukken inzien en daarvan afschriften of uittreksels vragen. Op de voor de verstrekking van afschriften en uittreksels aan de betrokkene of zijn gemachtigde in rekening te brengen vergoedingen is het ter zake bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken van overeenkomstige toepassing.".

3.10. Van een verzoek van de betrokkene of haar gemachtigde aan de griffier van de rechtbank om afschriften toe te zenden blijkt niet.

3.11. Toch kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. In het dossier bevindt zich geen aanwijzing dat door het openbaar ministerie is voldaan aan hetgeen in art. 7:16 Awb is bepaald ten aanzien van het horen van de (gemachtigde van) de betrokkene. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat geen uitnodiging is uitgegaan om gehoord te worden c.q. een verzoek om aan te geven of men gebruik wilde maken van het recht om gehoord te worden, terwijl evenmin sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond beroep.

3.12. Ingevolge art. 6:22 Awb kan de rechter, niettegenstaande een verzuim als hiervoor beschreven, de beslissing van de officier van justitie in stand laten - en het beroep in zoverre ongegrond verklaren - indien blijkt dat de betrokkene daardoor niet is benadeeld. Kennelijk heeft de kantonrechter geoordeeld dat deze situatie zich in de onderhavige zaak voordoet, nu hij de beslissing van de officier van justitie in stand heeft gelaten. Een en ander is echter onjuist, nu door de officier van justitie kennelijk niet is gereageerd op het verzoek tot toezending van stukken, zowel voor zover dit is gedaan bij het administratief beroep, als bij gelegenheid van het - aan de officier van justitie geadresseerde - beroep tegen diens beslissing. Onder die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de betrokkene door de schending van het vormvoorschrift niet is benadeeld, ook al is de betrokkene medegedeeld dat de stukken voor de zitting van de kantonrechter ter inzage hebben gelegen en hij in de gelegenheid is geweest afschriften van de stukken te vragen en de zitting bij te wonen.

3.13. De gemachtigde van de betrokkene heeft na afloop van de schriftelijke procedure een brief geschreven met inhoudelijk commentaar op de gedraging met het verzoek dit schrijven aan de stukken toe te voegen zodat het als verweer in de beslissing kan worden meegewogen.

3.14. In aanmerking nemende hetgeen hierboven onder 3.12. is overwogen zal het hof aan dit verzoek voldoen en de brief als een tijdige aanvulling van de gronden van het beroep beschouwen. De advocaat-generaal zal in de gelegenheid worden gesteld alsnog een verweerschrift in te dienen. Het hof zal bij het aan de gemachtigde van de betrokkene toe te zenden afschrift van dit arrest een kopie van het zaakoverzicht voegen. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en iedere verdere beslissing aanhouden.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Bijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.