Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO8547

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-02-2004
Datum publicatie
28-04-2004
Zaaknummer
WAHV 03-01247
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Lang tijdsverloop tussen het verzenden van de brieven omtrent de zekerheidstelling c.q. het ontvangen van de zekerheid en het toezenden van de stukken aan de rechtbank. Er blijkt niet van bijzondere omstandigheden die dit lange tijdsverloop kunnen rechtvaardigen. Recht op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM in ernstige mate geschonden.Doorbreking appelverbod. Hoger beroep ontvankelijk. Inleidende beschikking vernietigd.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 03/01247

18 februari 2004

CJIB 38118832

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Haarlem

van 7 oktober 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats],

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Haarlem ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep en daarbij tevens verzocht om een kostenvergoeding.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 14 WAHV kan tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep bij het gerechtshof te Leeuwarden worden ingesteld, indien de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing meer bedraagt dan Euro€ 70,--, of indien de betrokkene niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet of niet tijdig stellen van zekerheid als bedoeld in art. 11, derde lid, WAHV. De aan de betrokkene opgelegde sanctie bedraagt ƒ 60,-- (€ Euro 27,23).

3.2. In het hoger beroepschrift klaagt de betrokkene er over, dat de beslissing van de kantonrechter is gegeven bijna drie jaar na de inleidende beschikking en dat derhalve niet is beslist binnen een redelijke termijn. De betrokkene klaagt aldus over schending van de redelijke termijn van berechting, zoals bedoeld in art. 6 EVRM.

3.3. Het hof is van oordeel dat, wanneer een beroep wordt gedaan op schending van fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging, zoals van het recht op berechting binnen redelijke termijn, en dit beroep gegrond moet worden geacht, doorbreking van het appelverbod van art. 14, eerste lid , WAHV gewettigd is. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

3.4. Uit het dossier blijkt het volgende, voor zover hier van belang. Op 7 december 2000 is aan de betrokkene als kentekenhouder de inleidende beschikking verzonden, waarbij een administratieve sanctie van € 27,23 is opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen (verkeersbord A1); meer dan 10 km/h en t/m 15 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 11 november 2000 op de Rijksweg A9 Westbaan in de gemeente Haarlemmermeer. Op 2 maart 2001 is bij het CJIB beroep ingesteld tegen de inleidende beschikking, onder verwijzing naar - een zich niet bij de stukken bevindend - beroepschrift d.d. 19 december 2000. Op 6 juli 2001 heeft de officier van justitie het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Bij telefax van 17 augustus 2001 heeft de betrokkene beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. Het beroepschrift is mede ondertekend door de gemachtigde van de betrokkene. Bij brieven van 23 augustus 2001, verzonden op 23 augustus 2001, en 5 september 2001, verzonden op 10 september 2001, heeft de officier van justitie de betrokkene en de gemachtigde van de betrokkene mededeling gedaan van de verplichting om binnen twee weken na verzending van de brieven zekerheid te stellen. Blijkens een mededeling van het CJIB, naar aanleiding van een verzoek van de officier van justitie van 9 augustus 2002 en aldaar retour gekomen op 16 augustus 2002, is op 4 oktober 2001 zekerheid gesteld. Op 7 oktober 2003 heeft de kantonrechter het beroep ter zitting behandeld en zijn beslissing uitgesproken.

3.5. Ingevolge art. 11, eerste lid, WAHV worden het bij de officier van justitie ingediende beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken door deze aan de rechtbank (voor 1-1-2002: het kantongerecht) ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie dan wel de termijn daarvoor is verstreken.

3.6. Uit de gang van zaken, zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven, wordt niet duidelijk wanneer het dossier bij de rechtbank is binnengekomen, doch hieruit moet worden afgeleid dat het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken in elk geval niet eerder dan 16 augustus 2002 naar de rechtbank zijn gezonden. Gelet op het bepaalde in art. 11, eerste lid WAHV, alsmede in aanmerking nemende dat uit de stukken niet blijkt van bijzondere omstandigheden die het lange tijdsverloop tussen het verzenden van de brieven omtrent de zekerheid c.q. het ontvangen van de zekerheid en het toezenden van de stukken aan de rechtbank kunnen rechtvaardigen, moet worden geoordeeld dat, nu de beslissing van de kantonrechter niet eerder is gevolgd dan bijna twee jaar nadat zekerheid is gesteld, het recht van de betrokkene op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in ernstige mate is geschonden.

3.7. Het voorgaande brengt mee dat de betrokkene in het hoger beroep dient te worden ontvangen en dat met vernietiging van de beslissing van de kantonrechter dient te worden beslist als in het dictum van dit arrest nader aangegeven.

3.8. De door de betrokkene opgevoerde kosten ad €Euro 150,-- als zijnde kosten van de gemachtigde zijn niet voor toewijzing vatbaar. Gesteld noch gebleken is dat er sprake is geweest van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ook overigens is niet gebleken van enige kosten die voor vergoeding in aanmerking komen, zodat het verzoek, strekkende tot veroordeling van de advocaat-generaal in de proceskosten, dient te worden afgewezen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 6 juli 2001, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nr. 38118832 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van art. 11 WAHV tot zekerheid is gesteld, te weten een bedrag van € Euro 27,23, door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;

wijst het verzoek van de betrokkene om de advocaat-generaal te veroordelen in de proceskosten af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.