Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO8515

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
18-02-2004
Datum publicatie
28-04-2004
Zaaknummer
WAHV 03/00907
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De betrokkene en zijn gemachtigde zijn niet door de officier van justitie gehoord. Uit de beslissing van de officier van justitie blijkt niet dat er sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond beroep. Derhalve heeft de officier van justitie art. 7:16 Awb ten onrechte niet in acht genomen. De gemachtigde van de betrokkene heeft verzocht om toezending van stukken. De officier van justitie heeft hieraan geen gevolg gegeven. Schending van art. 7:18 Awb. In casu sprake van vormvoorschriften. De kantonrechter dient in zijn beslissing zich expliciet uit te spreken over de instandlating van de beslissing van de officier van justitie op de voet van art. 6:22 Awb. In dit geval geen vernietiging van de beslissing van de officier van justitie, omdat de betrokkene door de schending van de vormvoorschriften niet is benadeeld. Het feit dat de betrokkene door het instellen van beroep bij de kantonrechter kosten heeft moeten maken doet hieraan niet af. Ook het feit dat de betrokkene een gelegenheid mist om zijn standpunt mondeling toe te lichten maakt dit niet anders. Kennelijke schrijffout in de beslissing van de kantonrechter. Verbeterde lezing.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Algemene wet bestuursrecht 7:16
Algemene wet bestuursrecht 7:18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 03/00907

18 februari 2004

CJIB 99057581485

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Zwolle

van 29 juli 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

voor wie als gemachtigde optreedt mr.drs. M.J.G. Schroeder, wonende te Rotterdam.

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Zwolle ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Hierbij is verzocht om vergoeding van proceskosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking van 11 januari 2003 een administratieve sanctie van Euro€ 92,- opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (verkeersbord A1) meer dan 20 km/h en t/m 25 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 18 november 2002 op de Oostranddreef in Lelystad.

3.2. De betrokkene heeft beroep ingesteld tegen deze beschikking. De betrokkene heeft -kort samengevat- aangevoerd, dat de gedraging niet is verricht. Verder heeft de betrokkene om toezending van afschriften van diverse stukken, waaronder bewijs van de gedraging (in de vorm van het zaakoverzicht van het CJIB en het proces-verbaal dat ter zake van de gedraging is opgemaakt), verzocht. Hieraan is geen gevolg gegeven.

3.3. De officier van justitie heeft het beroep op 29 januari 2003 ongegrond verklaard zonder de betrokkene in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord. In de beslissing is niet vermeld dat er sprake is van een kennelijk ongegrond beroep.

3.4. Namens de betrokkene is beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. Bij brief van 18 juni 2003 is de gemachtigde van de betrokkene uitgenodigd voor de zitting van de kantonrechter van 15 juli 2003. In deze brief is onder meer vermeld, dat de op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage bij de griffie van de rechtbank liggen. Op 4 juli 2003 heeft de gemachtigde van de betrokkene de gronden van het beroep ingediend. Aangevoerd is, dat de officier van justitie art. 7:16 en 7:18 Awb heeft geschonden. Verder is aangevoerd, dat in dit geval art. 6:22 Awb niet kan worden toegepast.

3.5. De betrokkene noch diens gemachtigde is ter zitting van de kantonrechter verschenen. Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter het beroep ongegrond verklaard.

3.6. Namens de betrokkene is het volgende aangevoerd. De kantonrechter is ten onrechte niet ingegaan op hetgeen in de brief van 4 juli 2003 is aangevoerd. Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat voormelde gedraging is verricht met het voertuig met het kenteken 35-GK-ZX, terwijl de betrokkene kentekenhouder is van het voertuig met het kenteken 38-GK-ZX.

3.7. Ingevolge art. 7:16 Awb in verbinding met art. 7, tweede lid, WAHV moet de officier van justitie indien de betrokkene administratief beroep heeft ingesteld tegen de inleidende beschikking, de indiener van het beroep in de gelegenheid stellen te worden gehoord. Van het horen kan op grond van het bepaalde in art. 7:17 Awb worden afgezien, indien het beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is dan wel wanneer de indiener van het beroep heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord. Indien niet van het horen wordt afgezien dient de officier van justitie ingevolge art. 7:18 Awb het beroepschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende tenminste een week ter inzage te leggen. Bij de oproeping voor het horen moet onder meer te worden vermeld waar en wanneer de stukken ter inzage zullen liggen. De indiener van het beroep kan van die stukken tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften verkrijgen. Wanneer van het horen wordt afgezien hoeven de stukken ook niet ter inzage te worden gelegd.

3.8. Dat neemt niet weg, dat het openbaar ministerie ook buiten het bepaalde in art. 7:18 Awb aan de betrokkene op diens verzoek stukken waarin het bewijs van de gedraging ligt besloten, - met name het zaakoverzicht en indien aanwezig de foto's van de gedraging -, (tegen betaling van ten hoogste de kosten) kan doen toekomen, waardoor mogelijk het horen van de betrokkene achterwege kan blijven. In ieder geval dient door de officier van justitie op een verzoek om toezending van bewijs te worden gereageerd (vgl. het arrest van het hof van 26 maart 2003, WAHV 02/01144, gepubliceerd op rechtspraak.nl, LJN AF7658).

3.9. Het hof stelt vast dat uit de beslissing van de officier van justitie blijkt, dat er geen sprake is van kennelijke niet-ontvankelijkheid of kennelijke ongegrondheid van het beroep als bedoeld in art. 7:17 Awb. Gelet hierop heeft de officier van justitie ten onrechte het bepaalde in art. 7:16 Awb niet in acht genomen (vgl. Hoge Raad 8 juli 1997, VR 1998/21).

3.10. Het hof is, gelet op het in r.o. 3.7. en 3.8. overwogene, voorts van oordeel, dat de officier van justitie ten onrechte niet heeft gereageerd op het verzoek van de betrokkene om toezending van bewijsmateriaal.

3.11. Niettemin hoeven voormelde verzuimen niet tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie te leiden. Ingevolge art. 6:22 Awb kan een besluit waartegen beroep is ingesteld, ondanks schending van een vormvoorschrift door het orgaan dat op het beroep beslist, in stand worden gelaten indien blijkt dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

3.12. Namens de betrokkene is aangevoerd, dat de artt. 7:16 en 7:18 Awb geen vormvoorschriften zijn.

3.13. Blijkens de wetsgeschiedenis moet onder een vormvoorschrift worden verstaan een voorschrift dat geen eisen stelt aan de materiële inhoud van het besluit, maar ziet op de procedure van totstandkoming of de wijze waarop het besluit moet worden genomen of vastgelegd. Daartoe behoren onder meer regels over het horen van belanghebbenden en over de motivering (MvA I, Parl. Gesch. Awb I, p. 314). Naar het oordeel van het hof kan ook art. 7:18 Awb, dat onder meer betrekking heeft op het verstrekken van afschriften van stukken, bezwaarlijk anders worden opgevat dan dat het ziet op de totstandkoming van het besluit op het administratief beroep. Het verweer treft derhalve geen doel.

3.14. In aanmerking genomen dat de gemachtigde van de betrokkene behoorlijk voor de zitting van de kantonrechter is opgeroepen, dat de op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaande aan de zitting ter inzage hebben gelegen, dat niet opnieuw om toezending van bewijsmateriaal is gevraagd, dat de betrokkene noch zijn gemachtigde ter zitting is verschenen en dat evenmin om aanhouding van de behandeling is gevraagd zodat het ervoor moet worden gehouden dat de betrokkene en zijn gemachtigde ervoor hebben gekozen om het standpunt mondeling niet nader toe te lichten, kan de beslissing van de officier van justitie in stand worden gelaten, nu niet gezegd kan worden dat de betrokkene daardoor wordt benadeeld. Het feit dat de betrokkene door het instellen van beroep bij de kantonrechter kosten heeft moeten maken, doet hieraan niet af. Ook het feit dat de betrokkene een gelegenheid mist om zijn standpunt mondeling toe te lichten, maakt dit niet anders.

3.15. Tenslotte stelt de betrokkene zich op het standpunt, dat de kantonrechter zich in zijn beslissing expliciet dient uit te spreken over de instandlating van de beslissing van de officier van justitie op de voet van art. 6:22 Awb en dat de kantonrechter dit in het onderhavige geval heeft nagelaten.

3.16. Het hof is met de betrokkene van oordeel, dat de kantonrechter zich had moeten uitlaten over de toepassing van art. 6:22 Awb, temeer nu de gemachtigde van de betrokkene heeft aangevoerd, dat deze bepaling in dit geval niet kan worden toegepast. Dit hoeft, gelet op het in 3.14. overwogene, evenwel niet te leiden tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter.

3.17. Ten aanzien van de onjuiste vermelding van het kenteken in de overwegingen van de kantonrechter overweegt het hof dat er sprake is van een kennelijke schrijffout. De kantonrechter verwijst immers naar de inhoud van het zaakoverzicht en daarin wordt als kenteken vermeld 38-GK-ZX. Het hof zal de bestreden beslissing op dit punt dan ook verbeterd lezen.

3.18. Gelet op het vorenoverwogene zal het hof de beslissing van de kantonrechter, zij het met verbetering van gronden, bevestigen.

3.19. Nu de betrokkene in het ongelijk wordt gesteld, zal het hof het verzoek om een kostenvergoeding afwijzen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.