Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO8294

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
22-04-2004
Datum publicatie
28-04-2004
Zaaknummer
24-001354-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich in de periode van juli 2002 tot en met maart 2003 schuldig gemaakt aan een groot aantal ernstige feiten, te weten afpersing, mishandeling, bedreiging en vernieling. Al deze delicten hebben een gewelddadig karakter en verdachte heeft door zijn handelen de slachtoffers leed en schade berokkend. Bovendien is gebleken dat verdachte reeds vele malen eerder is veroordeeld voor soortgelijke gewelddadige delicten, zodat niet aan het opleggen van een gevangenisstraf van vrij lange duur kan worden ontkomen.

Ondanks problemen ontbreken recent reclasseringsrapport en problemen bij de uitvoering van in eerste aanleg opgelegde bijzondere voorwaarden, heeft het Hof in hoger beroep verdachte veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van een bijzondere voorwaarde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001354-03

Arrest d.d. 22 april 2004 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Leeuwarden d.d. 23 september 2003 in de oorspronkelijk onder de parketnummers 17-081039-03 en 17-053344-02 afzonderlijk aangebrachte, doch ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde strafzaken, hierna te noemen respectievelijk zaak A en zaak B, tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in P.I. Noord - HvB De Blokhuispoort,

Blokhuisplein 40, 8911 LJ Leeuwarden

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman,

mr. G.A. Pots, advocaat te LEEUWARDEN.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank te Leeuwarden heeft de verdachte bij voormeld vonnis, in de als voormeld gevoegde zaken, op tegenspraak wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en heeft voorts op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, één en ander als in het vonnis nader omschreven.

Aanwending van het rechtsmiddel

De verdachte is d.d. 29 september 2003 op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormeld vonnis in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Het hof heeft gelet op het onderzoek ter 's hofs terechtzittingen van 18 maart 2004 en 8 april 2004 en op het onderzoek in eerste aanleg als voorgeschreven bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan dit arrest zijn gehecht fotokopieën van de inleidende dagvaardingen, waaruit de inhoud van de tenlasteleggingen geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

Het hof heeft ter terechtzitting op de vordering van de advocaat-generaal de tenlastelegging gewijzigd overeenkomstig die vordering, waarvan een fotokopie aan dit arrest is gehecht.

Vrijspraak

Het hof acht niet bewezen hetgeen aldus in zaak A onder 1 primair, 5 primair en 6 primair aan verdachte is tenlastegelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

(zie de aangehechte, uitgestreepte tenlasteleggingen)

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld in zaak A onder 1 subsidiair, 2 primair, 3, 4, 5 subsidiair en 6 subsidiair en in zaak B onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Hetgeen het hof als bewezen heeft aangenomen levert op het misdrijf:

In zaak A:

Onder 1 subsidiair:

Afpersing

Onder 2 primair:

Afpersing

Onder 3:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Onder 4:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Onder 5 subsidiair:

Mishandeling

Onder 6 subsidiair:

Mishandeling

In zaak B:

Onder 1

Bedreiging met zware mishandeling

Onder 2:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen

Onder 3:

Mishandeling

Onder 4:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen

Onder 5:

Bedreiging met brandstichting

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte te dezer zake strafbaar, nu ten opzichte van hem geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze begaan zijn en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in de periode van juli 2002 tot en met maart 2003 schuldig gemaakt aan een groot aantal ernstige feiten, te weten afpersing, mishandeling, bedreiging en vernieling. Al deze delicten hebben een gewelddadig karakter en verdachte heeft door zijn handelen de slachtoffers leed en schade berokkend.

Bovendien is gebleken dat verdachte reeds vele malen eerder is veroordeeld voor soortgelijke gewelddadige delicten, zodat niet aan het opleggen van een gevangenisstraf van vrij lange duur kan worden ontkomen.

Bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 23 oktober 2001 is verdachte wegens een vijftal vergelijkbare feiten (ook met een geweldscomponent) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk. Bij dat vonnis zijn als bijzondere voorwaarden gesteld, dat de veroordeelde een behandeling bij de instelling voor Ambulante Forensische Psychiatrie te Assen zal volgen en afmaken en dat veroordeelde zich bij het ingaan van de proeftijd zal melden bij de dr. Kuno van Dijk Stichting, aan welke instelling is opgedragen de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen. Na het ondergaan van de bij dat vonnis opgelegde gevangenisstraf, werd verdachte eind maart 2002 in vrijheid gesteld. Verdachte keerde terug naar zijn gezin waar op dat moment ernstige problemen waren. In september 2002 is een crisis in het gezin ontstaan, ook als gevolg van het - oplopende - alcoholgebruik van verdachte. Van de zijde van de dr. Kuno van Dijk Stichting is in die periode getracht verdachte te motiveren voor een opname in de Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) te Assen. In maart 2003 is verdachte in voorlopige hechtenis gesteld op grond van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 1 tot en met 4 in zaak A, zoals deze hierboven zijn bewezen verklaard. Tijdens deze voorlopige hechtenis heeft verdachte op 26 maart 2003 een gesprek gehad met de reclasseringswerker Hoek, verbonden aan de dr. Kuno van Dijk Stichting. Daar was andermaal aan de orde het voorstel van de dr. Kuno van Dijk Stichting tot een opname in de FPK te Assen. Verdachte kon zich daar - naar hij ook zelf stelt - niet in vinden. Verdachte verwijst bij dat standpunt bij herhaling naar de hierboven genoemde bijzondere voorwaarde in het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 23 oktober 2001, te weten het volgen en voltooien van een behandeling bij de instelling voor Ambulante Forensische Psychiatrie te Assen. De opstelling van verdachte ter gelegenheid van het gesprek van 26 maart 2003 is door de betreffende reclasseringswerker dermate dreigend ervaren, dat men het reclasseringstoezicht niet langer mogelijk achtte. Dienovereenkomstig is het Openbaar Ministerie bericht. Daarom heeft het Openbaar Ministerie de tenuitvoerlegging van vijf maanden voorwaardelijke gevangenisstraf gevorderd. Op dit punt komt het hof in het onderstaande terug.

Naar verdachte stelt is nadien nog een gesprek geweest met de betreffende reclasseringswerker en het hoofd reclassering van de dr. Kuno van Dijk Stichting, in welk gesprek hem zou zijn toegezegd dat contact zou worden opgenomen met de Reclassering Nederland om verdachte gedurende zijn detentie verder te begeleiden. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat inderdaad een gesprek op 4 april 2003 heeft plaatsgevonden. Niet is komen vast te staan dat door de dr. Kuno van Dijk Stichting daar een toezegging is gedaan als door verdachte gesteld. Wel is komen vast te staan dat er geen contact met Reclassering Nederland is gelegd. Van enige begeleiding door de reclassering na maart 2003 is geen sprake geweest.

In de onderhavige zaak is verdachte door de rechtbank te Leeuwarden bij het vonnis waarvan beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden en is de tenuitvoerlegging bevolen van de verdachte bij vonnis van 23 oktober 2001 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden. Deze straf en deze tenuitvoerlegging brengen met zich, dat - mocht in hoger beroep op dezelfde wijze worden geoordeeld - verdachte voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld op een datum, gelegen halverwege de maand augustus 2004.

Het hof heeft de strafzaak in hoger beroep tegen verdachte voor de eerste maal behandeld op 18 maart 2004. Het hof zag zich toen geconfronteerd met de documentatie van verdachte, met een psychiatrisch rapport en met diverse reclasseringsrapporten. Zowel uit het één als uit het ander valt af te leiden, dat de kans op herhaling van het plegen van strafbare feiten met een geweldscomponent gezien de persoon van verdachte groot is. Het hof heeft het onderzoek ter terechtzitting op 18 maart 2004 geschorst tot de terechtzitting van 8 april 2004, teneinde door tussenkomst van de advocaat-generaal door de Reclassering Nederland rapportage omtrent verdachte op te laten maken in het bijzonder met het oog op het totstandkomen van reclasseringscontact na de in vrijheidstelling van verdachte en met het oog op de mogelijkheid van een behandeling bij de instelling voor Ambulante Forensische Psychiatrie te Assen. Het hof heeft daarbij welbewust gekozen voor een opdracht aan Reclassering Nederland, omdat nu eenmaal in maart 2003 het contact tussen verdachte en de dr. Kuno van Dijk Stichting was verstoord. Vanwege het spoedeisend karakter van de gevraagde bemoeienis is door de advocaat-generaal op 19 maart 2004 de Reclassering Nederland schriftelijk verzocht te rapporteren, welke rapportopdracht werd voorzien van de mededeling dat de behandeling van de strafzaak zou worden voortgezet op 8 april 2004. Van de zijde van het ressortsparket te Leeuwarden is op 31 maart 2004 telefonisch contact opgenomen met de Reclassering Nederland om te informeren naar de voortgang van de rapportage. In dat telefoongesprek werd meegedeeld dat het rapportverzoek was doorgezonden naar de dr. Kuno van Dijk Stichting. Vervolgens is door de betreffende medewerker van het ressortsparket telefonisch contact opgenomen met de dr. Kuno van Dijk Stichting, waar men meedeelde dat inderdaad het verzoek op 30 maart 2004 was ontvangen.

Gezien voormelde gang van zaken heeft de advocaat-generaal vervolgens - terecht - geïntervenieerd en bewerkstelligd, dat de rapportopdracht wederom zou worden gestuurd naar Reclassering Nederland. Reclassering Nederland heeft gerapporteerd op 7 april 2004, naar verdachte stelt en het hof aannemelijk voorkomt zonder dat men verdachte heeft gesproken. Geadviseerd wordt - onder andere - verplicht reclasseringscontact op te leggen met de Kuno van Dijk Stichting, waarbij wordt aangetekend dat de Kuno van Dijk Stichting dit alleen zal doen "op indicatie van en na behandeling in een FPK". Uit dien hoofde wordt geadviseerd in het arrest een verplichte opname in een FPK op te nemen en aansluitend daaraan een verplicht reclasseringscontact op te leggen met de dr. Kuno van Dijk Stichting.

Het hof heeft het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aangevangen op 8 april 2004. Ter terechtzitting is als getuige-deskundige gehoord de heer mr. G.J. Groeneveld, directeur van het Huis van Bewaring De Blokhuispoort (onderdeel van de Penitentiaire Inrichtingen Noord), het Huis van Bewaring waar verdachte verblijft. Deze heeft - samengevat en zakelijk weergegeven - als verklaring afgelegd, dat sinds een periode van ongeveer twee jaar geen reclasseringsinstelling meer binnen de inrichting functioneert als gevolg van een vanwege financiële motieven noodzakelijk geworden inkrimping van de werkzaamheden. Het zou wel de bedoeling zijn dat in plaats daarvan binnen de inrichting maatschappelijke dienstverlening tot stand zal komen maar dat is niet een dienstverlening die gericht is op resocialisatie en begeleiding voorafgaand aan de invrijheidstelling. Die dienstverlening zal beperkt zijn tot het leggen van noodzakelijke contacten met bijvoorbeeld een reclasseringsinstelling vanaf het moment van invrijheidstelling. De getuige-deskundige heeft voorts meegedeeld, dat het ontbreken van reclasseringsbegeleiding in het geval van verdachte vanaf eind maart 2003 binnen de inrichting had moeten worden gesignaleerd. De stelling van verdachte, dat hij van de dr. Kuno van Dijk Stichting naar Reclassering Nederland zou worden "overgedragen" had vanuit de inrichting opgemerkt moeten worden en de juistheid ervan had moeten worden geverifieerd om vervolgens zo mogelijk alsnog een contact met Reclassering Nederland tot stand te brengen.

Het hof ziet zich thans geplaatst voor de beoordeling van de strafzaak van verdachte, die zich bij herhaling heeft schuldig gemaakt aan geweldsdelicten en bij wie de kans groot is, dat hij wederom tot het plegen van soortgelijke strafbare feiten zal overgaan. Het hof ziet zich voorts geplaatst voor een situatie, waarin het aan reclasseringsbegeleiding heeft ontbroken en de bijzondere voorwaarden die zijn opgelegd door de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden bij vonnis van 23 oktober 2001 niet zijn geëffectueerd. Het hof laat in dit verband daar, of het inderdaad verdachte is geweest die in maart 2003 zich zodanig dreigend heeft opgesteld dat het contact met de betreffende reclasseringswerker onmogelijk werd. Van belang is in elk geval te onderkennen, dat het ontbreken van reclasseringsbegeleiding gedurende een periode van meer dan een jaar in hoge mate ongewenst is.

Het mag zo zijn, dat in maart 2003 tussen de dr. Kuno van Dijk Stichting en verdachte een verschil van mening is ontstaan over de vorm van behandeling die verdachte zou moeten ondergaan, in elk geval kan vastgesteld worden, dat de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden in haar vonnis van 23 oktober 2001 met zoveel woorden de bijzondere voorwaar-de heeft opgelegd, dat verdachte ambulant psychiatrisch zou worden behandeld. Indien het tijdsverloop en nieuwe ontwikkelingen meebrengen, dat de reclassering op dat punt anders is gaan denken dan de rechtbank ligt het voor de hand via de officier van justitie te bewerkstelligen, dat de bijzondere voorwaarde op dit punt wordt gewijzigd.

Het hof is, allesoverziend, van oordeel dat het aangewezen is dat op zo kort mogelijke termijn een reclasseringscontact met verdachte tot stand komt. Gezien het ontbreken van recente reclasseringsbegeleiding is het hof thans niet in staat vast te stellen, of en zo ja welke vorm van psychiatrische behandeling verdachte zal moeten ondergaan. Het hernieuwde contact tussen verdachte en de reclassering zal erop gericht moeten zijn allereerst die vraag opnieuw onder ogen te zien. Het hof zal dat verplichte reclasseringscontact opdragen aan Reclassering Nederland en/of de dr. Kuno van Dijk Stichting. In onderling overleg dient te worden bepaald welke instelling op dit moment (gezien de voorgeschiedenis) het meest geëigend is. Verdachte dient zich te realiseren dat hij zelf ook aan het verplicht reclasseringscontact ten volle zijn medewerking zal dienen te verlenen. Het hof gaat ervan uit, dat door de reclassering aan de advocaat-generaal van tijd tot tijd omtrent het verloop van het contact zal worden gerapporteerd, zodat deze de mogelijkheid heeft het hof te vragen na te melden bijzondere voorwaarde aan te vullen.

Gelet op het vorenstaande zal het hof verdachte wederom een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, met bijzondere voorwaarde als na te melden.

Motivering van de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 23 oktober 2001 heeft de rechtbank te Leeuwarden verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden waarvan vijf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, onder meer wegens mishandeling en bedreiging.

Deze uitspraak is op 7 november 2001 onherroepelijk geworden. De officier van justitie heeft op 21 mei 2003 de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf gevorderd. De bewezenverklaarde feiten, uitgezonderd hetgeen in zaak A onder 6 subsidiair is bewezenverklaard, zijn vergelijkbare feiten die zijn begaan binnen de proeftijd.

Het hof zal voormelde proeftijd verlengen met de duur van één jaar met wijziging van de aan de voorwaardelijke straf verbonden bijzondere voorwaarden, zodat deze thans komt te luiden dat verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van Reclassering Nederland en/of de Dr. Kuno van Dijkstichting. Voor een motivering van deze beslissing wordt verwezen naar hetgeen hiervoor bij de motivering van de aan de verdachte op te leggen straf is overwogen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14g, 57, 63, 285, 300, 317 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

De uitspraak

HET HOF,

RECHTDOENDE OP HET HOGER BEROEP in de gevoegde zaken:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

verklaart het verdachte als voormeld in zaak A onder 1 primair, 5 primair en 6 primair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte als voormeld in zaak A onder 1 subsidiair, 2 primair, 3, 4, 5 subsidiair en 6 subsidiair en in zaak B onder 1, 2, 3, 4, en 5 tenlastegelegde bewezen en te kwalificeren als voormeld en verklaart deze feiten en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van eenentwintig maanden;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van drie maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van twee jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en/of Dr. Kuno van Dijk Stichting en zich zal gedragen naar de aanwijzingen door die instelling(en) in zijn belang te geven;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld in zaak A onder 1 subsidiair, 2 primair, 3, 4, 5 subsidiair en 6 subsidiair en in zaak B onder 1, 2, 3, 4 en 5 meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de vijf maanden gevangenisstraf de veroordeelde voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank te Leeuwarden d.d. 23 oktober 2001;

verlengt de bij dit vonnis gestelde proeftijd met één jaar;

wijzigt de bij dat vonnis gestelde voorwaarden aldus, dat deze komen te vervallen en worden vervangen door de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en/of Dr. Kuno van Dijk Stichting en zich zal gedragen naar de aanwijzingen door die instelling(en) in zijn belang te geven;

Dit arrest is aldus gewezen door mrs. Huisman, voorzitter, Zwerwer en Van Zant, in tegenwoordigheid van mr. Bennen als griffier, zijnde mr. Van Zant voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.