Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO8288

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
06-02-2004
Datum publicatie
23-04-2004
Zaaknummer
WAHV 03-01037
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Noch art. 20c, derde lid, WAHV noch enige andere bepaling verplicht het hof om in hoger beroep als bedoeld in hoofdstuk VI van de WAHV op verzoek een getuige of getuigen te horen.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 20c
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 03/01037

6 februari 2004

CJIB 49054841402

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Zwolle

van 28 augustus 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Zwolle ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep. Bij de nadere toelichting op het beroep is verzocht om een behandeling ter zitting.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van 23 januari 2003. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. W.S. Sikkema. De betrokkene is niet verschenen.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van €Euro 132,-- opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid op autosnelwegen, wegwerkzaamheden (bord A1); meer dan 20 km/h en t/m 25 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 30 juli 2002 om 21.40 uur op de Rijksweg A28 te Staphorst.

3.2. De betrokkene voert aan dat hij de toegestane snelheid van 70 km/h uur niet heeft overschreden. De meting moet dan ook onbetrouwbaar zijn. Dit is veroorzaakt door een onjuiste waarneming van de opsporingsambtenaar en/of een defect van de gebruikte meetapparatuur. De betrokkene verzoekt de verbalisant als getuige te horen omdat er grote verschillen zijn tussen zijn versie en wat geconstateerd en gemeten zou zijn door de verbalisant.

3.3. De ambtsedige verklaring van verbalisant, zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB d.d.14 januari 2003 , houdt onder meer in:

"Pleegdatum: 30 07 02; Pleegtijdstip: 21.40; Pleeglokatie: De Rijksweg A28; Pleegplaats: Staphorst; Kenteken voertuig: RT-SG-19; Soort constatering: Staandehouding; De werkelijke snelheid stelde ik vast m.b.v. de geteste snelheidsmeter van het surveillancevoertuig, door verdachte met een gelijkblijvende of vrijwel gelijkblijvende tussenafstand te volgen. Gemeten (afgelezen) snelheid: 100 km per uur; Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 94 km per uur; Toegestane snelheid: 070 km per uur; Meetafstand: 1500 m; Tussenafstand: 100 m; De werkelijke snelheid is het resultaat van een, overeenkomstig het betreffende testrapport, uitgevoerde correctie op de afgelezen snelheid van de snelheidsmeter. Ter plaatse werden wegwerkzaamheden uitgevoerd. Op het tijdstip van constatering werd aan deze wegwerkzaamheden niet gewerkt. Door deze wegwerkzaamheden was er sprake van een gewijzigde wegsituatie die - gevaarscheppende elementen opleverde. "

3.4. In het aanvullend, ambtsedig proces-verbaal van 12 november 2002 verklaart de verbalisant - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende: "Over kortere niet nader genoemde afstanden werd na deze meting soms sneller gereden dan de genoemde 94 km/uur door Bijen. Deze metingen konden door te korte afstand niet afgemaakt worden. De snelheidsmeter van het surveillancevoertuig is getest. Dit gebeurt elke 12 maanden. Op het teststaatje, welke in het voertuig aanwezig was, staat hoeveel kilometer de snelheidsmeter afwijkt bij welke snelheid. Een afschrift van dit teststaatje voeg ik hierbij."

3.5. Art. 20c lid 3 WAHV bepaalt dat ter zitting getuigen en deskundigen kunnen worden meegebracht ten einde door het gerechtshof te worden gehoord. Deze kan ambtshalve of op verzoek ook andere personen als getuige of deskundige horen. Noch deze bepaling, noch enige andere rechtsregel verplicht het gerechtshof echter om in zaken als de onderhavige op verzoek een getuige of getuigen te horen.

3.6. De betrokkene stelt tegenover de verklaringen van de verbalisant in het zaakoverzicht en het aanvullend proces-verbaal slechts zijn ontkenning de gedraging te hebben verricht, maar voert ter ondersteuning van die ontkenning geen voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aan. De betrokkene volstaat met het naar voren brengen van algemeenheden die geen grondslag hebben in het dossier. Bij die stand van zaken is het hof niet gehouden de hiervoor weergegeven algemeenheden nader te onderzoeken en ziet het hof geen aanleiding om de verbalisant als getuige te horen dan wel hem op te dragen nadere inlichtingen te verschaffen.

3.7. Vanuit het oogpunt van betrouwbaarheid van een meetmiddel, dat wordt gebruikt om snelheidsovertredingen waar te nemen, dient voor de vaststelling van de werkelijk gereden snelheid van een voertuig rekening te worden gehouden met maximaal toelaatbare meetfouten. De snelheidsovertreding is geconstateerd met behulp van een dienstvoertuig met een geijkte boordsnelheidsmeter. De afwijking van de snelheidsmeter in het voertuig dient te zijn bepaald met behulp van ijkapparatuur. Uit het relaas van de verbalisant blijkt dat deze ijking periodiek bij voornoemd dienstvoertuig heeft plaatsgevonden en dat dit heeft geresulteerd in de bij het aanvullend proces-verbaal gevoegde tabel. De maximale meetfout bij een geijkte boordsnelheidsmeter bedraagt voor snelheden niet groter dan 100 km/h

3 km/h. De in voormelde tabel onder gemeten snelheid opgenomen waarde dient met deze waarde te worden gecorrigeerd. Dit brengt met zich mee dat nu de gemeten snelheid van 94 km/h dient te worden verminderd met 3 km/h, de betrokkene de maximumsnelheid heeft overschreden met 21 km/h.

3.8. Het hof ziet voor het overige geen aanleiding te twijfelen aan de ambtsedige verklaring in het zaakoverzicht. Naar de overtuiging van het hof is dan ook komen vast te staan dat de betrokkene de maximumsnelheid heeft overschreden bij wegwerkzaamheden met meer dan 20 km/h en tot en met 25 km/h. De betrokkene is derhalve niet in zijn belangen geschaad door de omstandigheid dat de verbalisant niet de tweede correctie op de snelheidsmeter van het dienstvoertuig afgelezen snelheid heeft toegepast.

3.9. De betrokkene voert tevens aan dat de beschikking vernietigd moet worden omdat hij ondanks een daartoe strekkend verzoek geen afschriften heeft gekregen van het zaakoverzicht, het proces-verbaal, waaruit blijkt dat betrokkenes auto op de tijd en plaats als in de beschikking genoemd is waargenomen en de op de gebruikte meetapparatuur waargenomen rijsnelheid en de toegepaste correctie, en de verklaring van onderzoek voor de gebruikte meetapparatuur als bedoeld in art. 1a van de Regeling meetmiddelen Politie (het hof leest: ijkrapport).

3.10. Art. 19, vierde lid, WAHV luidt als volgt: "Partijen kunnen afschriften van of uittreksels uit door hen omschreven stukken verkrijgen. Op de voor de verstrekking van afschriften of uittreksels in rekening te brengen vergoedingen is het bij of krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken bepaalde van overeenkomstige toepassing." Uit de gedingstukken is niet gebleken dat aan de betrokkene het zaakoverzicht en het proces-verbaal zijn gezonden. Nu de betrokkene van de advocaat-generaal alsnog het zaakoverzicht en het proces-verbaal van de politie met als bijlage het ijkrapport heeft ontvangen, is de betrokkene niet geschaad in enig rechtens te respecteren belang en kan dit verweer de betrokkene niet baten.

3.11. De betrokkene wijst erop dat de overtreding is geconstateerd door een buitengewoon opsporingsambtenaar en dat er van uit moet worden gegaan dat aan de benoeming c.q. beëdiging van deze persoon een mandaatgebrek kleeft en hij derhalve niet bevoegd was. Het hof stelt echter vast dat de gedraging is waargenomen door een hoofdagent van politie, zijnde een ambtenaar belast met algemene opsporing. Deze stelling van de betrokkene mist derhalve feitelijke grondslag.

3.12. Voorts voert de betrokkene aan, dat hij ten onrechte niet schriftelijk op de hoogte is gesteld van een verzoek om informatie aan de politie en voorts heeft de politie niet binnen vier weken gereageerd.

3.13. In het dossier bevindt zich een verzoek om nadere informatie, afkomstig van de officier van justitie en gericht aan de KLPD, d.d. 29 oktober 2002. Het naar aanleiding van dit verzoek opgemaakte proces-verbaal is gedateerd 12 november 2002. In aanmerking genomen dat deze informatie op 20 november 2002 bij de officier van justitie is ingekomen, mist het verweer dat de politie niet binnen vier weken zou hebben gereageerd feitelijke grondslag.

Uit het dossier blijkt niet dat de betrokkene, ondanks diens daartoe strekkend verzoek in het beroepschrift, op de hoogte is gesteld van het doen van een verzoek om informatie. Het hof is van oordeel, dat de betrokkene door dit verzuim niet is geschaad in enig rechtens te respecteren belang.

3.14. De betrokkene wijst er tenslotte op, dat de officier van justitie niet binnen 16 weken een beslissing heeft genomen op zijn bezwaarschrift, hetgeen dient te leiden tot vernietiging van de inleidende beschikking. Het verweer van de betrokkene stoelt op de in art. 7:24 bepaalde termijn van 16 weken om te beslissen op het door de betrokkene tegen de inleidende beschikking ingestelde beroep. Bij brief van 13 oktober 2002, ingekomen op het parket van de officier van justitie op 16 oktober 2002 heeft de betrokkene beroep aangetekend tegen de inleidende beschikking. Op 3 december 2002 is de beslissing van de officier van justitie aan de betrokkene gezonden. Dit verweer van de betrokkene mist daarom eveneens feitelijke grondslag.

3.15. Op grond van het vorenoverwogene zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Bijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.