Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO8277

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-01-2004
Datum publicatie
23-04-2004
Zaaknummer
WAHV 03-01046
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet tijdig beroep ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie; Ter zitting van de kantonrechter is de betrokkene niet in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de termijnoverschrijding. Beginselen van een goede procesorde geschonden. Geen undue delay, nu de betrokkene meer dan zeven maanden na afloop van de beroepstermijn beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:8
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 9
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 03/01046

28 januari 2004

CJIB 29043865477

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te [woonplaats]

van 21 augustus 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet tijdig beroep is ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie en de door de betrokkene opgegeven reden voor de termijnoverschrijding onvoldoende gewicht in de schaal legt om de overschrijding te verschonen.

3.2. Ingevolge het in art. 9, eerste lid, WAHV in verbinding met het in de art. 6:7 en 6:8 Awb bepaalde dient het beroep bij de rechtbank te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift bij de officier van justitie binnen een termijn van zes weken, welke termijn aanvangt op de dag na die waarop een afschrift van de beslissing van de officier van justitie aan de betrokkene is toegezonden.

3.3. Blijkens de gedingstukken is de beslissing van de officier van justitie op 22 januari 2002 aan de betrokkene gezonden. Derhalve eindigde de termijn voor het instellen van beroep op 5 maart 2002. Het beroepschrift is gedateerd 1 oktober 2002 en het is blijkens een daarop gesteld stempel op 10 oktober 2002 bij het arrondissementsparket te Amsterdam ingekomen. Het beroepschrift is derhalve niet tijdig ingediend.

3.4. Het te dezen toepasselijke art. 6:11 Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

3.5. De betrokkene voert aan, dat de termijnoverschrijding onder andere te maken heeft met het ziekbed van zijn inmiddels overleden moeder.

3.6. Naar het oordeel van het hof brengt deze omstandigheid echter niet mee, dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest. De betrokkene heeft met name niet aannemelijk gemaakt waarom het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie meer dan zeven maanden na afloop van de beroepstermijn is ingesteld.

3.7. De betrokkene voert verder aan, dat hij ter zitting van de kantonrechter niet de gelegenheid heeft gehad om het woord te voeren.

3.8. Bij de gedingstukken bevindt zich een proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 21 augustus 2003. Nu uit dit proces-verbaal niet blijkt dat de kantonrechter de betrokkene in de gelegenheid heeft gesteld om het woord te voeren, moet het ervoor worden gehouden dat dit niet is geschied. Beginselen van een goede procesorde brengen mee dat de kantonrechter slechts tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is had kunnen komen, indien hij de betrokkene in de gelegenheid had gesteld om zich ter zitting daaromtrent uit te laten (vgl. beschikking van de Hoge Raad van 1 februari 2000, nr. 140-99-V). Nu de betrokkene die gelegenheid niet is geboden, heeft de kantonrechter beginselen van een goede procesorde geschonden. Daarom zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen. Gelet op het onder 3.6. overwogene en in aanmerking nemende, dat de betrokkene in de gelegenheid is gesteld, - met name in een nadere toelichting op het beroep na de ontvangst van het verweerschrift van de advocaat-generaal -, zich nader uit te laten over de ontvankelijkheid van het beroep bij de kantonrechter zal het hof het tegen de beslissing van de officier van justitie ingestelde beroep eveneens niet-ontvankelijk verklaren.

3.9. Tussen het tijdstip waarop de inleidende beschikking aan de betrokkene is toegezonden, te weten 3 augustus 2001, en de behandeling van de zaak in hoger beroep is meer dan 29 maanden verstreken. Nu de betrokkene meer dan zeven maanden na afloop van de beroepstermijn beroep tegen de beslissing van de officier van justitie heeft ingesteld, kan niet worden gezegd dat de berechting van de zaak niet binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM heeft plaatsgevonden.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.