Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO8263

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-01-2004
Datum publicatie
23-04-2004
Zaaknummer
WAHV 03-01101
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 5 WAHV; art. 20 RVV 1990; maximumsnelheid; staandehouding; kentekenverweer; lasergun; Art. 5 WAHV moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd. De betrokkene bestrijdt niet, dat er, zoals door de verbalisant is aangegeven, ten tijde van de constatering van de gedraging geen reële mogelijkheid bestond om hem staande te houden. Van handelen in strijd met art. 5 WAHV is derhalve geen sprake. Ook indien een snelheidsovertreding is geconstateerd door middel van een lasergun verplicht, buiten hetgeen hiervoor is overwogen, geen rechtsregel ertoe de bestuurder van een voertuig staande te houden.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 03/01101

21 januari 2004

CJIB 19055829920

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam

van 11 september 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van 92,- Euro opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (gedragsregel) meer dan 20 km/h en t/m 25 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 24 september 2002 op de Flierbosdreef / Hoogoorddreef in Amsterdam.

3.2. De betrokkene ontkent de gedraging te hebben verricht. Hiertoe voert de betrokkene aan, dat de verbalisant zich heeft vergist in het kenteken. De betrokkene is dan ook van mening dat de verbalisant als getuige dient te worden opgeroepen om onder ede te verklaren wat hij of zij heeft geconstateerd. Verder voert de betrokkene aan, dat zijn auto, te weten een bestelbus, op een kort traject als ter plaatse met zicht op verkeerslichten en een weg die in verband met wegwerkzaamheden opengebroken was, een werkelijke snelheid van 72 km/h technisch gezien niet kan halen.

3.3. In de regel mag de rechter het ervoor houden dat het motorrijtuig (met het kenteken zoals dat blijkens de stukken door de politie is waargenomen) waarmee de gedraging is verricht hetzelfde motorrijtuig is als dat waarvan het kenteken staat geregistreerd in het kentekenregister. Bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat een nader - eventueel aan de politie op te dragen - onderzoek moet worden ingesteld ter beantwoording van de vraag of bedoelde waarneming juist is en zo ja of het motorrijtuig waarmee de gedraging is verricht het juiste kenteken voerde. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn indien door de betrokkene concrete feiten en omstandigheden worden aangevoerd waaruit kan volgen dat het motorrijtuig waarmee de gedraging is verricht een ander is dan dat waarvan het kenteken ten name van de betrokkene staat geregistreerd in het kentekenregister.

3.4. De ambtsedige verklaring van de verbalisant, zoals opgenomen in het proces-verbaal van 24 september 2002 en de daarbij behorende bijlage, houdt onder meer in dat op 24 september 2002 om 15.45 uur een grijze bedrijfsauto van het merk Volkswagen met het kenteken 91-VR-JV op de Flierbosdreef (kruising met Hoogoorddreef) met een snelheid van 75 km per uur heeft gereden, terwijl ter plaatse een maximumsnelheid van 50 km per uur geldt. Verder blijkt uit voormeld proces-verbaal dat de gedraging is waargenomen met een Laserpatrol.

3.5. In aanmerking genomen, dat de betrokkene geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit kan volgen dat het motorrijtuig waarmee de gedraging is verricht een ander is dan dat waarvan het kenteken ten name van de betrokkene in het kentekenregister staat geregistreerd en dat er sprake was van een gerichte verkeerscontrole, is er voor het hof geen reden te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om de verbalisant als getuige op te roepen. Het hof ziet voorts geen aanleiding te doen onderzoeken of het voertuig van de betrokkene ter plaatse en onder de door de betrokkene geschetste omstandigheden wel in staat is om een snelheid van 72 km per uur te halen.

3.6. De betrokkene stelt zich verder op het standpunt, dat in geval van constatering van de gedraging door middel van een lasergun de bestuurder van het betrokken voertuig dient te worden staandegehouden.

3.7. Art. 5 WAHV bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd (HR 1 februari 2000, VR 2000/104).

3.8. In voormeld proces-verbaal hebben de verbalisanten vermeld, dat zij in uniform gekleed en ter plaatse te voet werkzaam waren, dat er in een kort tijdsbestek veel overtredingen waren en dat om die reden op kenteken is bekeurd.

3.9. De betrokkene bestrijdt niet, dat er, zoals door de verbalisant is aangegeven, ten tijde van de constatering van de gedraging geen reële mogelijkheid bestond om hem staande te houden. Van handelen in strijd met art. 5 WAHV is derhalve geen sprake. Ook indien een snelheidsovertreding is geconstateerd door middel van een lasergun verplicht, buiten hetgeen hiervoor onder 3.7. is overwogen, geen rechtsregel ertoe de bestuurder van een voertuig staande te houden.

3.10. Tenslotte voert de betrokkene aan, dat het raar is dat op de door middel van de lasergun verrichte meting een correctie wordt toegepast.

3.11. Vanuit het oogpunt van betrouwbaarheid van een meetmiddel, dat wordt gebruikt om snelheidsovertredingen waar te nemen, dient voor de vaststelling van de werkelijk gereden snelheid van een voertuig rekening te worden gehouden met maximaal toelaatbare meetfouten. Om die reden wordt ook bij gebruik van de Laserpatrol, zoals in casu, op de geconstateerde snelheid een correctie toegepast.

3.12. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Wijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.