Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO8243

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
26-01-2004
Datum publicatie
23-04-2004
Zaaknummer
WAHV 03-01113
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 11 WAHV; zekerheidstelling; Verklaring omtrent Inkomen en Vermogen; Verklaring van Bijstandsgerechtigden en Asielzoekers; Bij brief van 22 mei 2003 heeft de griffier van de rechtbank aan de betrokkene medegedeeld, dat om in aanmerking te komen voor vermindering van de zekerheidstelling hij binnen dertig dagen na dagtekening van de brief een Verklaring omtrent Inkomen en Vermogen of een Verklaring van Bijstandsgerechtigden en Asielzoeker dient over te leggen. Aangezien de betrokkene in voormelde brief van 22 mei 2003 niet is gewezen op enig gevolg van het niet voldoen aan het verzoek van de griffier, zoals het (alsnog) niet-ontvankelijk verklaren van het beroep wegens het niet stellen van zekerheid, had de betrokkene, nadat hij niet had gereageerd op de brief, tenminste een nadere termijn moeten worden gegund waarbinnen deze alsnog de zekerheid kon stellen.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11, geldigheid: 2004-01-26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2004, 142

Uitspraak

WAHV 03/01113

26 januari 2004

CJIB 39051688268

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam

van 9 oktober 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

Desgevraagd heeft de betrokkene bij fax van 19 november 2003 de gronden van het beroep opgegeven.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Bij fax van 17 december 2003 heeft de betrokkene aangegeven niet ter zitting te kunnen verschijnen. De betrokkene heeft vervolgens desgevraagd aan de griffier van het hof meegedeeld af te zien van de gelegenheid om ter zitting te verschijnen.

De zaak is behandeld ter zitting van 12 januari 2004. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. J.G. Brontsema. De betrokkene is niet verschenen.

Na de zitting heeft mr. Poelman de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

3. Beoordeling

3.1. De kantonrechter heeft, uitgaande van zijn - in hoger beroep niet bestreden - vaststelling dat de betrokkene niet binnen de hem gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie en dat de betrokkene evenmin binnen een nader gestelde termijn dit verzuim heeft hersteld, het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard.

3.2. De betrokkene heeft per fax van 3 januari 2003, dezelfde dag waarop door de officier van justitie de tweede mededeling omtrent de zekerheidstelling aan de betrokkene is verstuurd, verzocht om de sanctie ad €86,-- Euro in vier termijnen te mogen betalen, aangezien hij een uitkering heeft en de volgende maand zijn inkomsten binnen zijn. In het verzoek van de betrokkene ligt besloten dat hij niet in staat is (al dan niet binnen de voor de betaling gestelde termijn) het verlangde bedrag te voldoen.

3.3. Vooropgesteld moet worden dat een zekerheidstelling ingevolge de WAHV in het algemeen niet in de weg zal staan aan de toegang tot de rechter en dat het bij de huidige stand van zaken ervoor moet worden gehouden, dat van een onoverkomelijke belemmering zich toegang tot de rechter te verschaffen in ieder geval geen sprake is in geval van de betrokkene een zekerheidstelling van 70,-- Euro of minder is verlangd.

3.4. Op het voorgaande dient een uitzondering te worden gemaakt, indien de hoogte van het gevraagde bedrag aan zekerheid gelet op de financiële omstandigheden van de betrokkene een zodanige belemmering oplevert, dat toepassing van het stelsel van zekerheidstelling in het onderhavige geval zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie.

3.5. In de onderhavige zaak bedraagt de zekerheidstelling €86,-- Euro.

3.6. Uitgangspunt is dat, indien een betrokkene, zoals in casu, met redenen omkleed aanvoert dat hij niet (terstond) in staat is zekerheid te stellen, de kantonrechter, tenzij deze het daaromtrent aangevoerde reeds aanstonds aannemelijk acht, de betrokkene in de gelegenheid zal moeten stellen op een openbare terechtzitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht. Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht gegrond, dan zal hij het bepaalde in art. 11, derde lid, WAHV in zoverre buiten toepassing moeten laten als in overeenstemming is met de draagkracht van de betrokkene. Zonodig zal aan de betrokkene een nadere termijn moeten worden gegund waarbinnen deze alsnog de door de kantonrechter vastgestelde zekerheid kan stellen.

3.7. Bij brief van 22 mei 2003 heeft de griffier van de rechtbank aan de betrokkene medegedeeld, dat de mogelijkheid bestaat om in aanmerking te komen voor vermindering van de zekerheidstelling en dat hij in dat geval niet meer dan 68,-- Euro zekerheid hoeft te stellen. Indien de betrokkene daarvoor in aanmerking wenst te komen, dient hij binnen dertig dagen na dagtekening van de brief een Verklaring omtrent Inkomen en Vermogen of een Verklaring van Bijstandsgerechtigden en Asielzoekers over te leggen. De betrokkene heeft hierop niet gereageerd. Op 9 oktober 2003 heeft de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen zekerheid is gesteld.

3.8. De brief van 22 mei 2003 is, - nu de betrokkene heeft aangevoerd een uitkering te hebben -, een adequaat verzoek aan de betrokkene het beroep op te geringe draagkracht nader met redenen te omkleden. De kantonrechter kan op grond van de reactie van de betrokkene ofwel de verlangde zekerheidstelling matigen ofwel de betrokkene ter zitting horen omtrent zijn financiële draagkracht. Van de betrokkene mag worden verwacht dat hij op een dergelijk verzoek tot onderbouwing van zijn verweer reageert.

3.9. Nu de betrokkene in voormelde brief van 22 mei 2003 echter niet is gewezen op enig gevolg van het niet voldoen aan het verzoek van de griffier, zoals het (alsnog) niet-ontvankelijk verklaren van het beroep wegens het niet stellen van zekerheid, had de betrokkene, nadat hij niet had gereageerd op de brief, tenminste een nadere termijn moeten worden gegund waarbinnen deze alsnog de zekerheid kon stellen. Dit leidt tot de conclusie dat in het onderhavige geval niet is gehandeld in overeenstemming met het in r.o. 3.6. overwogene. Derhalve dient de beslissing van de kantonrechter te worden vernietigd.

3.10. Het hof zal de zaak terugwijzen naar de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam. Na terugwijzing van de zaak dient de kantonrechter te handelen overeenkomstig het hiervoor onder 3.9. overwogene.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank te Amsterdam ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door mrs. Dijkstra, Poelman en Weenink, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier en uitgesproken ter openbare zitting.