Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO8241

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
28-01-2004
Datum publicatie
23-04-2004
Zaaknummer
WAHV 03-00731
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 11 WAHV; zekerheidstelling. Bestond er in dit geval onduidelijkheid voor de betrokkene over de verplichting om zekerheid te stellen?

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 03/00731

28 januari 2004

CJIB 29058086433

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage

van 1 juli 2003

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats]

1. De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement 's-Gravenhage niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

3. Beoordeling

3.1. De kantonrechter heeft, uitgaande van zijn - in hoger beroep niet bestreden - vaststelling dat de betrokkene niet binnen de in art. 11, derde lid, WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde administratieve sanctie, het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard.

3.2. De betrokkene voert in zijn hoger beroepschrift aan dat hij een brief heeft ontvangen waarin hij werd gewezen op de verplichting zekerheid te stellen. Vervolgens heeft hij een brief ontvangen welke inhoudt dat hij nog niet hoeft te betalen. Op zijn verzoek om opheldering over deze tegenstrijdigheid heeft hij geen reactie gekregen, aldus de betrokkene.

3.3. De ontvangstbevestiging van de officier van justitie d.d. 6 februari 2003 vermeldt onder meer: "Bij het beroep bij de officier van justitie behoeft geen zekerheid te worden gesteld. U hoeft de administratieve sanctie dus nog niet te betalen." Deze mededeling geldt alleen voor het beroep bij de officier van justitie en niet voor het beroep bij de kantonrechter. Voor zover de betrokkene stelt dat deze brief twijfel bij hem heeft opgeroepen over de noodzaak om zekerheid te stellen, kan dit verweer dan ook niet slagen.

3.4. De toelichting bij de brief d.d. 20 februari 2003 waarin de beslissing van de officier van justitie wordt gemotiveerd houdt onder meer in: "Als u het met de beslissing van de officier van justitie niet eens bent, kunt u binnen 6 weken na de verzenddatum van deze beslissing schriftelijk beroep instellen. (...) Uw beroepschrift wordt door de kantonrechter alleen in behandeling genomen, als u, binnen veertien dagen nadat de ontvangst van uw beroepschrift is bevestigd door de officier van justitie, zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie."

De toelichting op de achterzijde van de beslissing van de officier van justitie d.d. 1 maart 2003 houdt ten aanzien van het beroep bij de kantonrechter onder meer in: "Bent u het met de aan de voorzijde vermelde beslissing niet eens, dan kunt u hiertegen binnen zes weken na de verzenddatum schriftelijk beroep instellen bij de kantonrechter. (....). Binnen veertien dagen nadat de officier van justitie uw beroepschrift heeft ontvangen, moet u zekerheid stellen voor de betaling van de sanctie (...)."

3.5. Voor zover de betrokkene in zijn hoger beroepschrift beweert, dat hij eerst een brief heeft gekregen waarin de verplichting tot zekerheidstelling is opgenomen en daarna een brief, inhoudende dat hij nog niet hoefde te betalen, mist deze bewering feitelijke grondslag.

3.6. De griffier van de rechtbank heeft de betrokkene bij brief van 28 februari 2003 op de juiste wijze erop gewezen dat op grond van art. 11 WAHV zekerheid dient te worden gesteld voor de betaling van de opgelegde sanctie. In deze brief wordt aan de betrokkene meegedeeld dat de zekerheidstelling dient te geschieden binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling en dat indien niet wordt voldaan aan de verplichting tot zekerheidstelling, de kantonrechter het beroep niet ontvankelijk kan verklaren. In betrokkenes faxbericht ingekomen op 4 maart 2003, vraagt de betrokkene de onder 3.2. vermelde tegenstrijdigheid op te helderen. Vervolgens is de betrokkene bij brief van 28 maart 2003 wederom op correcte wijze gewezen op de verplichting om zekerheid te stellen en is hij in de gelegenheid gesteld alsnog aan de zekerheidsverplichting te voldoen. Betrokkene stelt dezelfde vraag opnieuw in zijn faxbericht ingekomen op 28 maart 2003.

3.7. Naar het oordeel van het hof kan in deze zaak op grond van het hiervoor onder 3.4. tot 3.6. overwogene niet worden gezegd, dat het de betrokkene niet duidelijk kon zijn dat hij in deze zaak vóór de behandeling van het tegen de beslissing van de officier van justitie ingediende beroepschrift door de kantonrechter zekerheid diende te stellen.

3.8. Nu de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld, heeft de kantonrechter het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard, met juistheid overwegende dat geen feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat, hoewel niet tijdig zekerheid is gesteld, niet-ontvankelijkheid achterwege zou moeten blijven. De bezwaren van de betrokkene gericht tegen oplegging aan hem van de administratieve sanctie kunnen daarom niet worden behandeld.

3.9. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.

4. De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Bijma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.