Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO8093

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
21-04-2004
Datum publicatie
22-04-2004
Zaaknummer
Rolnummer 0300092
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In het tussenarrest heeft het hof reeds overwogen dat vast staat dat de overheveling van de activiteiten en activa van [BV 2] naar [BV 1] geen nadeel heeft opgeleverd voor de overige crediteuren van [BV 2], terwijl [geïntimeerden] - als enigen - nadeel hebben ondervonden van deze overheveling. Nu deze overheveling heeft plaatsgevonden binnen een concern dat op dat moment door de bank als kredietwaardig werd beoordeeld en ook daadwerkelijk in staat was (verdere) kredieten te verwerven, staat met het vorenoverwogene genoegzaam vast dat de onderwerpelijke overheveling als onrechtmatig jegens [geïntimeerden] heeft te gelden, hetgeen aan [appellanten] kan worden verweten nu zij meerbedoelde overheveling ten nadele van [geïntimeerden] bewust hebben nagestreefd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 21 april 2004

Rolnummer 0300092

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de vierde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant 1],

gevestigd te [plaats van vestiging appellant 1],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats appellant 2],

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

procureur: mr R.S. van der Spek,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats geïntimeerde 1],

toevoeging aangevraagd,

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats geïntimeerde 2],

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats geïntimeerde 3],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

procureur: mr P. van der Sluis.

De inhoud van het tussenarrest d.d. 22 oktober 2003 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

Elk van partijen heeft een akte na tussenarrest genomen, waarna partijen de stukken opnieuw hebben overgelegd voor arrest.

De verdere beoordeling

1. In genoemd tussenarrest heeft het hof [appellanten] in de gelegenheid gesteld om de in r.o. 11.2 van dat arrest bedoelde stukken over te leggen en zich uit te laten over de aldaar genoemde vraagpunten.

2. Het hof stelt vast dat [appellanten] de overlegging van de door het hof verzochte stukken achterwege heeft gelaten.

3. Het eerste vraagpunt betrof de door [appellanten] gestelde financiering door de bank ten behoeve van [BV 1] terzake van de ten processe relevante activa-overname door deze rechtspersoon. [appellanten] hebben te dezer zake volstaan met de enkele opmerking dat deze overname is betaald met gelden die [BV 1] heeft kunnen opnemen uit het concernkrediet.

4. Gelijk [appellanten] ten processe heeft doen aanvoeren, werden de tot het [concern] behorende rechtspersonen door de bank met betrekking tot de kredietverschaffing beoordeeld als "één geheel" (zie reeds de brief van [betrokkene 1] d.d. 3 mei 2001, door [appellanten] overgelegd als productie bij conclusie na enquête in prima). Het hof leidt uit dit een en ander af dat daarmede vast staat dat ten tijde van de onderhavige activa-transactie het [concern] - waarvan [BV 2] deel uitmaakte - als kredietwaardig werd beschouwd en ook daadwerkelijk in staat was om (verdere) kredieten te verkrijgen.

5. Uit de akte van [appellanten] blijkt verder dat het pandrecht op de verkochte activa is blijven rusten, zodat de positie van de bank ongewijzigd is gebleven, terwijl de bank kon instemmen met de transactie, zulks omdat - gelijk [appellanten] in hun akte hebben gesteld - [BV 1] met een "schone lei" en onbedreigd door vorderingen van ex-werknemers en derden kon beginnen (zie de akte van [appellanten] punt 16). Dat dit laatste niet enkel de opvatting van de bank betrof, doch willens en wetens door [appellanten] werd nagestreefd, blijkt uit hetgeen zij in punt 6 van hun akte hebben aangevoerd, te weten het "voorkomen dat onderhavige potentiële vordering van [geïntimeerden] (...) de continuïteit van de onderneming in gevaar zou brengen". Daarmede zijn het tweede en het derde vraagpunt - betreffende de positie van de bank als pandhoudster respectievelijk de (bedrijfseconomische) noodzaak voor de overheveling van activa en activiteiten van [BV 2] naar [BV 1] - van het hof thans ook beantwoord.

6. In het tussenarrest heeft het hof reeds overwogen dat vast staat dat de overheveling van de activiteiten en activa van [BV 2] naar [BV 1] geen nadeel heeft opgeleverd voor de overige crediteuren van [BV 2], terwijl [geïntimeerden] - als enigen - nadeel hebben ondervonden van deze overheveling. Nu deze overheveling heeft plaatsgevonden binnen een concern dat op dat moment door de bank als kredietwaardig werd beoordeeld en ook daadwerkelijk in staat was (verdere) kredieten te verwerven, staat met het vorenoverwogene genoegzaam vast dat de onderwerpelijke overheveling als onrechtmatig jegens [geïntimeerden] heeft te gelden, hetgeen aan [appellanten] kan worden verweten nu zij meerbedoelde overheveling ten nadele van [geïntimeerden] bewust hebben nagestreefd.

Uit meergenoemde door [appellanten] overgelegde brief d.d. 3 mei 2001 blijkt dat [appellanten] altijd volledig garant hebben gestaan voor ieder krediet, zodat zij - door het gedeeltelijk door [BV 2] doen aflossen van de schulden waarvoor de bank het pandrecht op de activa van [BV 2] heeft verworven alsmede het overhevelen van die activa naar [BV 1], op welke rechtspersoon [geïntimeerden] geen vordering geldend kunnen maken - tevens hun eigen positie hebben verbeterd. Waar [appellanten], gelijk het hof eveneens reeds in zijn tussenarrest heeft overwogen, hebben te gelden als de (indirect) bestuurders en feitelijk beleidsbepalers van zowel [BV 2] als [BV 1], treft hen het verwijt dat zij aldus hun eigen belangen alsmede de belangen van het [concern] als geheel hebben laten prevaleren boven de in rechte vastgestelde belangen van [geïntimeerden], hetgeen mede bijdraagt aan de onrechtmatigheid van hun handelen.

Aan het bovenoverwogene doet niet af hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd omtrent de (mogelijke) gevolgen van een mogelijk faillissement van [BV 2] - al dan niet op haar eigen aangifte - en de gevolgen daarvan voor de voldoening van de vordering van [geïntimeerden], nu deze situatie zich immers niet heeft voorgedaan, terwijl evenmin de door [appellanten] gestelde (waarschijnlijke) gevolgen van een eventueel faillissement vast staan, en verder hetgeen door [appellanten] is gepretendeerd omtrent de noodzaak van een faillissement niet kan gelden als een valide rechtvaardigingsgrond voor het onrechtmatig handelen van [appellanten] als boven omschreven.

7. Op bovenstaande gronden dienen de beroepen vonnissen reeds te worden bekrachtigd, terwijl in het voorgaande tevens ligt besloten dat de grieven, die in essentie zijn gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank dat aan de zijde van [appellanten] sprake is van betalingsonmacht en niet van betalingsonwil, doel missen. Aan een verdere inhoudelijke bespreking van de grieven komt het hof niet meer toe.

8. [appellanten] zullen als de in het hoger beroep in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van deze instantie (1,5 punt in tarief IV).

9. Hetgeen partijen verder nog te berde hebben gebracht, kan als in het voorgaande reeds vervat dan wel als niet terzake dienende, buiten bespreking blijven. Voor enige (ambtshalve) bewijsopdracht ontbreekt in het licht van het voorgaande grond, en hetzelfde geldt met betrekking tot de door [appellanten] bij akte voorgestelde inlichtingencomparitie.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de vonnissen d.d. 1 december 2000 en 15 november 2002, welk laatste vonnis is verbeterd bij vonnis d.d. 20 december 2002;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van deze instantie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op Euro 193,-- aan verschotten en Euro 2.109,-- voor salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad .

Aldus gewezen door mrs. Knijp, voorzitter, Bax-Stegenga en De Bock, raden, en uitgesproken door mr Mollema, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mevrouw Mellink als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 21 april 2004.