Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHLEE:2004:AO7667

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
14-04-2004
Datum publicatie
16-04-2004
Zaaknummer
Rolnummer 0400125
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Voorop staat dat het een werknemer, die niet aan een concurrentiebeding is gebonden, in beginsel vrij staat om bij een concurrent van zijn voormalige werkgever in dienst te treden. Slechts bijzondere bijkomende omstandigheden kunnen tot het oordeel leiden dat de werknemer zich schuldig maakt aan onrechtmatige concurrentie van zijn ex-werkgever. Doorslaggevend voor de uitkomst van de onderhavige procedure is of van zulke bijzondere bijkomende omstandigheden sprake is.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 653
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2004/133 met annotatie van Mr.drs. M.S.A. Vegter
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 14 april 2004

Rolnummer 0400125

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

1. [appellant 1],

wonende te [woonplaats appellant 1],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats appellant 2],

3. [appellant 3],

wonende te [woonplaats appellant 3],

4. [appellant 4],

wonende te [woonplaats appellant 4],

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

procureur: mr E.W. Kingma,

die ook heeft gepleit,

tegen

de besloten vennootschap AD Nederland Medische en Arbeidsdeskundige Dienstverlening B.V.,

gevestigd te Franeker,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: AD,

procureur: mr P.R. van den Elst,

voor wie gepleit heeft mr L.A.M. Barendregt, advocaat te Groningen.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het kort geding vonnis uitgesproken op 26 februari 2004 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 8 maart 2004 is door [appellanten] hoger beroep ingesteld van bedoeld vonnis d.d. 26 februari 2004, met dagvaarding van AD tegen de zitting van 17 maart 2004.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

''het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden, sector civiel recht, afdeling handelsrecht d.d.

26 februari 2004, tussen partijen gewezen ex. artikel 254 Rv., vernietigt en opnieuw rechtdoende, AD Nederland Medische en Arbeidskundige Dienstverlening B.V. in haar vorderingen niet-ontvankelijk verklaart althans haar deze ontzegt, met veroordeling in de kosten van beide instanties.''

Bij memorie van antwoord is door AD verweer gevoerd met als conclusie:

''bij arrest, het vonnis van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Leeuwarden d.d. 26 februari 2004, tussen partijen gewezen, te bekrachtigen, al dan niet met aanvulling c.q. verbetering van gronden en met veroordeling van appellanten in de kosten van onderhavige procedure, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.''

Vervolgens hebben partijen hun zaak doen bepleiten onder overlegging van pleitnota's door hun advocaten.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellanten] hebben vijf grieven opgeworpen.

De beoordeling

1. Tegen de weergave van de vaststaande feiten onder overweging 1.1 t/m 1.11 van het beroepen vonnis is geen grief ontwikkeld, zodat ook het hof voorshands van die feiten uit zal gaan.

Voorts is in hoger beroep, als (in de stukken of ten pleidooie) gesteld en niet (voldoende) weersproken, voorshands nog het volgende komen vast te staan:

- [appellanten] hebben de in hun bezit zijnde cliëntendossiers inmiddels ter hand gesteld aan AD;

- de besloten venootschappen [BV 1], [BV 2], [BV 3] en [BV 4] houden elk 25 % van de aandelen van AD. De bestuurders van deze vier vennootschappen (de heren [bestuurder BV 3], [bestuurder BV 4], [bestuurder BV 1] en [bestuurder BV 2]) hielden zich (in ieder geval tot 1 februari 2004) als statutair directeuren gezamenlijk bezig met de leiding over AD.

2. Voorop staat dat het een werknemer, die niet aan een concurrentiebeding is gebonden, in beginsel vrij staat om bij een concurrent van zijn voormalige werkgever in dienst te treden. Slechts bijzondere bijkomende omstandigheden kunnen tot het oordeel leiden dat de werknemer zich schuldig maakt aan onrechtmatige concurrentie van zijn ex-werkgever. Doorslaggevend voor de uitkomst van de onderhavige procedure is of van zulke bijzondere bijkomende omstandigheden sprake is. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat zulks het geval is, zodat er sprake is van onrechtmatige concurrentie van [appellanten] jegens hun voormalige werkgever AD. In appel worden dit oordeel en de daarop gefundeerde voorlopige voorzieningen door [appellanten] bestreden. Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen.

3. Het hof stelt - op grond van de door partijen overgelegde producties en hetgeen partijen dienaangaande over en weer hebben gesteld en niet, dan wel onvoldoende hebben bestreden - vast dat voorafgaande aan de brief van 16 januari 2004 pogingen zijn ondernomen om het kort daarvoor gerezen conflict tussen enerzijds de beide bestuurders [bestuurders BV 1 en BV 2] en anderzijds de bestuurders [bestuurder BV 3] en [bestuurder BV 4] in der minne op te lossen. In dat kader is uitdrukkelijk ook het schrijven en versturen van een brief aan de gezamenlijke opdrachtgevers aan de orde geweest (zie het faxbericht van mr Barendrecht aan [betrokkene] d.d. 13 januari 2004, productie 8 bij memorie van antwoord, en het faxbericht van [betrokkene] aan [bestuurder BV 3] d.d. 15 januari 2004, productie 3 bij de pleitnota van [appellanten] in eerste aanleg).

4. Daargelaten in hoeverre [appellanten] verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het feitelijk verzenden van de brief d.d. 16 januari 2004, moet derhalve voorshands worden geoordeeld dat de strekking van de brief in lijn lag met de onderhandelingen zoals die tot dat moment tussen de strijdende bestuurders van AD werden gevoerd. Nu de beide bestuurders [bestuurders BV 1 en BV 2] tot dan toe evenzeer als werkgevers van [appellanten] vielen aan te merken als [bestuurder BV 3], respectievelijk [bestuurder BV 4], vermag het hof niet in te zien dat [appellanten] verwijtbaar onzorgvuldig jegens AD hebben gehandeld door eventueel (partijen verschillen ook daarover van mening) hun medewerking te verlenen aan de verzending van bedoelde brief, bijvoorbeeld door het ter beschikking stellen van de adressen van de opdrachtgevers.

5. Aan het (tijdelijk) verwijderen van de gegevens van opdrachtgevers van de server van AD door [appellanten] komt, nu de betreffende gegevens op 26 januari 2004 weer op de server te vinden waren, bij de beoordeling van het onderhavige geschil geen relevantie toe.

6. Met betrekking tot het bezoek van [appellant 1] (geïntimeerde sub 1) en [bestuurder BV 1] aan Interpolis op 27 januari 2004 stelt het hof allereerst vast dat voorshands niet is komen vast te staan van wie het initiatief tot het voeren van dat gesprek is uitgegaan. Wel is genoegzaam gebleken dat Interpolis niet alleen opheldering over de situatie bij AD heeft gevraagd aan een vertegenwoordiger van de ene partij in het geschil ([bestuurder BV 1]), maar evenzeer van een vertegenwoordiger van de andere partij in het geschil ([bestuurder BV 3]). Waar voorts onbestreden is gesteld dat [appellant 1] een groot aantal dossiers van Interpolis in behandeling had, valt - zeker in het licht van meergenoemde brief van 16 januari 2004 - goed te begrijpen dat er een gesprek tussen [bestuurder BV 1] (die, het zij herhaald, op dat moment evenzeer nog direkteur van AD was) en Interpolis heeft plaatsgevonden en dat eerstgenoemde zich daarbij heeft laten vergezellen door [appellant 1]. Dat dit gesprek (mede) een acquisitief karakter had is voorshands onvoldoende aannemelijk geworden, nog daargelaten in hoeverre een dergelijk aspect het gesprek - gegeven de omstandigheden - maatschappelijk onzorgvuldig zou zijn jegens AD en in hoeverre daarvan aan [appellanten] een verwijt te maken zou zijn.

7. [appellanten] hebben erkend dat zij de dossiers van de opdrachtgevers die - naar aanleiding van meergenoemde brief van 16 januari 2004 - hadden aangegeven mee over te willen gaan naar [bestuurders BV 1 en BV 2] - enige tijd onder zich hebben gehouden. Wat daarvan in het licht der omstandigheden, zoals die in de tweede helft van januari 2004 golden, ook zij, nu de dossiers inmiddels aan AD zijn geretourneerd, kan in dat tijdelijk meenemen geen dragende grond meer worden gevonden om de gevorderde voorlopige voorzieningen toe te wijzen. Niet gesteld of gebleken is dat de dossiers niet "volledig en in werkbare staat" aan AD zijn geretourneerd. Weliswaar bestaat tussen partijen discussie over de vraag of [appellanten] voldoende informatie hebben verstrekt aan AD om de betreffende dossiers over de periode tot 1 februari 2004 "af te kunnen declarereren", doch een dergelijk gebod is niet expliciet gevorderd, nog daargelaten dat AD onvoldoende duidelijk heeft gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, wat zij daartoe mist.

8. [appellanten] hebben zich gehouden aan de wettelijke opzegtermijn, zodat aan hen geen rechtens relevant verwijt kan worden gemaakt van het feit dat AD daardoor feitelijk krap in de tijd is komen te zitten om de met het vertrek van [appellanten] gepaard gaande problemen op te lossen.

9. Dat door het vertrek van [appellanten] de reïntegratiesectie van AD werd gehalveerd is evenmin een omstandigheid waarvan [appellanten] een rechtens relevant verwijt kan worden gemaakt.

10. Resteert het verwijt dat [appellanten] gebruik hebben gemaakt van de kennis en de gegevens die zij in dienst van AD hebben verkregen. Voor wat betreft dit gestelde gebruik verwijst het hof allereerst naar hetgeen hiervoor (onder 4) met betrekking tot de brief van 16 januari 2004 is overwogen. Dat er ook overigens gebruik is gemaakt van gegevens die [appellanten] in dienst van AD hebben verkregen, is onvoldoende gesteld of gebleken. Nu er geen sprake is van een concurrentiebeding kan de enkele omstandigheid dat [appellanten] hun bij AD opgedane kennis elders zijn gaan gebruiken, niet meebrengen dat het handelen van [appellanten] als onrechtmatig moet worden bestempeld. Zou zulks anders zijn, dan zou het voor de gemiddelde werknemer feitelijk nagenoeg onmogelijk zijn om van werkkring te veranderen.

11. AD heeft weliswaar een bewijsaanbod gedaan, doch het hof gaat daaraan voorbij nu het niet gespecificeerd is en uitgebreide bewijsvoering (als het horen van getuigen) bovendien het kader van dit (spoed) kort geding te buiten gaat.

Slotsom

12. Van onrechtmatige concurrentie als bedoeld onder rechtsoverweging 2 is derhalve geen sprake, zodat de grieven doel treffen. De gevorderde voorzieningen moeten alsnog worden geweigerd. AD zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. In hoger beroep bedragen die kosten 3 punten in tarief II.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van AD af;

veroordeelt AD in de kosten van het geding in beide instanties en begroot die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten]:

in eerste aanleg op Euro 241 aan verschotten en Euro 705,-- aan salaris voor de procureur,

in hoger beroep op Euro 371,78 aan verschotten en Euro 2.313,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest voor wat de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Mollema, voorzitter, Bax-Stegenga en Kuiper, raden, en uitgesproken door mr Streppel, vice-president, lid van een enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van de heer Bilstra als griffier ter openbare terechtzitting van dit hof van woensdag 14 april 2004.